Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY4317

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
11/01401
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY4317
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht schuldheling.HR herhaalt HR LJN BJ8631. Uit de bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat verdachte t.t.v. het voorhanden krijgen van de MP3-speler in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/150
RvdW 2013/61
NJ 2013/31

Conclusie

Nr. 11/01401

Mr. Knigge

Zitting: 23 oktober 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 15 maart 2011 verdachte wegens "schuldheling" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. E.I.E. Heuvelman, advocaat te Veenendaal, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof een verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

4.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 11 januari 2009 tot en met 06 maart 2009 te Woerden, een MP3-speler (merk Apple, type iPod Nano) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die MP3-speler redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."

4.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op de pagina's 16 tot en met 20) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1]:

Op 11 januari 2009 ben ik met mijn man van huis gegaan. Wij wonen aan de [a-straat 1] te [plaats]. Toen wij thuis kwamen, merkten wij dat er was ingebroken. Er is onder meer een MP3-speler, merk: Apple, type Nano, kleur zilver, weggenomen. Niemand had het recht of de toestemming het goed weg te nemen.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op de pagina's 25 tot en met 26) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven-:

Op 1 april 2009 hebben wij, verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5], uit een aan het verkeer onttrokken zwarte Volkswagen, type Golf, voorzien van het kenteken [AA-00-BB], voor onderzoek meegenomen een zilveren MP3-speler Ipod.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 28) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Op 1 april 2009 heb ik, verbalisant [verbalisant 3], een aantal goederen gecontroleerd welke uit de auto van [verdachte] kwamen. Ik, [verbalisant 3], heb een Ipod MP3-speler opgeladen middels een oplaadstekker, welke eveneens in de auto van [verdachte] aanwezig was. Ik, [verbalisant 3], zette vervolgens de Ipod aan en zag dat, nadat het apparaat ingeschakeld was, de naam [betrokkene 2] verscheen. Ik, [verbalisant 3], ben vervolgens in onze bedrijf processen systeem de naam [betrokkene 2] gaan raadplegen en kwam toen uit bij het adres [a-straat 1] te [plaats], waarop op 11 januari 2009 bij een woninginbraak had plaatsgevonden, waarbij een Ipod was weggenomen. Ik, [verbalisant 3], heb vervolgens op 1 april 2009 telefonisch contact opgenomen met aangever [betrokkene 1], die bevestigde dat [betrokkene 2] bij hun woonachtig is. Ik vernam tevens dat er van [betrokkene 2] een kleine zilveren Ipod was weggenomen tijdens de woninginbraak op het adres [a-straat 1] te [plaats].

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (als bijlage op de pagina's 34 tot en met 38) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik heb een zwarte Golf met kenteken [AA-00-BB] op mijn naam staan. Deze is onlangs in beslag genomen.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (als bijlage op de pagina's 39 tot en met 41) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik weet niet van wie de zilveren Ipod is. Ik doe daar afstand van. Deze is niet van mij. Iemand kwam met die zilveren Ipod, toen hebben we deze aangesloten en daarmee geluisterd. Ik heb die zilveren Ipod zelf in mijn auto in het vakje gelegd."

4.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"Verdachte heeft verklaard de MP3-speler te hebben gezien, aangesloten en in het handschoenenkastje te hebben gedaan met het idee dat iemand deze nog wel zou komen ophalen. Uit recente jurisprudentie over het redelijk vermoeden blijkt dat het enkele feit dat verdachte het voorwerp in zijn auto heeft gevonden niet tot nader onderzoek noopt. Primair verzoek ik het hof dan ook mijn cliƫnt vrij te spreken."

4.5. Het Hof heeft het verweer van de raadsvrouwe verworpen en daartoe het volgende overwogen:

"Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen."

4.6. De raadsvrouwe van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd - kort gezegd - dat niet kan worden gezegd verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de Ipod redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Het Hof heeft het verweer verworpen en daartoe overwogen dat het verweer wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Deze verwerping van het verweer zou toereikend zijn geweest indien de gebezigde bewijsmiddelen inzicht hadden gegeven in de gedachtegang van het Hof, maar dat is niet het geval.

4.7. De bewijsmiddelen houden in dat de gestolen Ipod is aangetroffen in de auto van verdachte, dat "iemand" met de Ipod naar verdachte kwam en dat verdachte en deze derde persoon de Ipod hebben aangesloten en daarmee hebben geluisterd. Uit de bewijsmiddelen kan echter niet worden afgeleid op grond waarvan de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de Ipod door misdrijf verkregen was en evenmin op welk moment dat vermoeden had moeten rijzen. Had verdachte op het moment dat "iemand" met de Ipod bij hem kwam, moeten vermoeden dat het een uit misdrijf verkregen goed betrof en zo ja waarom dan? Of is het Hof van oordeel dat het vermoeden bij verdachte later, bijvoorbeeld bij het beluisteren van de Ipod, had moeten rijzen? Ook dan is de vraag waarom dit zo was, terwijl dan bovendien de vraag speelt of dan nog sprake is van een vermoeden dat bij het voorhanden krijgen van het goed is gerezen. Nu de bewijsmiddelen hieromtrent niets inhouden, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

5. Het middel slaagt.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG