Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY4303

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
11/00875
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY4303
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Artt 38, 39 en 51 Sv. Stelbrief noodzakelijk of kan rechtsbijstand ook worden afgeleid uit het indienen van een appelmemorie? HR herhaalt HR LJN ZD1192 m.b.t. het moment van eindigen van rechtsbijstand en HR LJN ZD2182 m.b.t. het kennisgeven van het optreden als rm a.b.i. art. 39 Sv of wanneer een rm als zodanig moet worden erkend. Het oordeel van het Hof dat uit de stukken niet kan blijken dat de verdachte zich in h.b. van rechtsbijstand had voorzien en art. 51 Sv i.c. niet van toepassing is (omdat de rm geen stelbrief heeft toegezonden) geeft (gelet op de omstandigheid dat de rm wel een appelschriftuur heeft ingediend) ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting ofwel is niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2013, 20
RvdW 2013/60
NJ 2013/30

Conclusie

Nr. 11/00875

Mr. Knigge

Zitting: 23 oktober 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 1 december 2010 verdachte wegens "overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" veroordeeld tot het betalen van een geldboete van €1.560,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 31 dagen, en verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de tijd van 4 maanden.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld.

4. In het proces-verbaal van de op 1 december 2010 in het openbaar gehouden terechtzitting in deze zaak is onder meer het volgende opgenomen:

"De voorzitter maakt melding van een op 10 juni 2010 binnengekomen appelschriftuur van mr. H.W.M. van Heiligenberg en merkt op dat hij zich in hoger beroep niet als raadsman in de onderhavige zaak heeft gesteld.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte."

5. Het middel

5.1. Het middel klaagt naar de kern genomen dat het Hof mr. W.H.M. van Heiligenberg (hierna: mr. Heiligenberg) op grond van het door hem ingediende appelschriftuur als raadsman had moeten aanmerken en vervolgens - nu noch verdachte, noch de raadsman ter terechtzitting zijn verschenen - had moeten onderzoeken of aan het voorschrift van art. 51 Sv was voldaan. Omdat van een dergelijk onderzoek niet blijkt, en ook niet blijkt dat een afschrift van de stukken (waaronder de appeldagvaarding) aan de raadsman is verzonden, lijdt het onderzoek ter terechtzitting aan nietigheid.

5.2. Teneinde als (gekozen) raadsman te worden erkend pleegt, in iedere aanleg opnieuw(1), een schriftelijke kennisgeving (stelbriefje) aan de griffie te worden verzonden (vgl. art. 39, eerste lid, Sv)(2). Een dergelijk stelbriefje is in deze zaak kennelijk achterwege gebleven; het Hof overweegt althans dat mr. Van Heiligenberg zich in hoger beroep niet als raadsman heeft gesteld, het middel maakt geen gewag van een stelbriefje en ik heb zo'n briefje niet aangetroffen bij de ingezonden stukken.

5.3. Een stelbriefje is echter geen noodzakelijk voorwaarde om als raadsman op te kunnen treden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte is voorzien van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend(3). Dat is bijvoorbeeld het geval als in het dossier een afschrift van de beschikking van de Raad voor de Rechtsbijstand aanwezig is waarbij aan verdachte een raadsman is toegevoegd(4), als de raadsman een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak heeft gedaan(5) of als de raadsman op een eerdere terechtzitting is verschenen(6). Een enkel verzoek om inlichtingen daarentegen behoeft niet te worden opgevat als een mededeling van een gekozen raadsman dat hij als zodanig zal optreden(7).

5.4. Hier is vooral van belang dat uit de enkele omstandigheid dat blijkens de daarvan opgemaakte appelakte namens de verdachte door een advocaat hoger beroep is ingesteld, niet kan worden afgeleid "dat die advocaat de verdachte ook bij de daaropvolgende behandeling als raadsman zal bijstaan".(8) Dat is in overeenstemming met het oordeel van de Hoge Raad dat het instellen van hoger beroep niet moet worden gerekend tot de daaropvolgende behandeling van de zaak in hoger beroep, maar nog tot de behandeling in eerste aanleg.(9) Tot de taak van de raadsman die in eerste aanleg optreedt, hoort dan ook dat hij met de verdachte bespreekt of hoger beroep moet worden ingesteld en in voorkomende gevallen zorgdraagt dat dit geschiedt.(10) Het indienen van een appelschriftuur kan mijns inziens echter niet meer tot de taak van de raadsman in eerste aanleg worden gerekend. Die appelschriftuur - waarin ook getuigen kunnen worden opgegeven - vormt een onderdeel van de verdediging in hoger beroep. Daarom meen ik dat, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, zal hebben te gelden dat uit de omstandigheid dat namens de verdachte door een advocaat een appelschriftuur wordt ingediend, moet worden afgeleid dat die advocaat in hoger beroep als raadsman van de verdachte zal optreden.

5.5. In deze zaak heeft mr. Heiligenberg - zoals het Hof ook heeft vermeld in het proces-verbaal van de op 1 december 2010 in het openbaar gehouden terechtzitting - een appelschriftuur ingediend. In die appelschriftuur is in de eerste alinea vermeld dat mr. Heiligenberg door verdachte bepaaldelijk is gemachtigd de appelschriftuur te ondertekenen en in te dienen. Uit het voorgaande volgt dat dit bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat de verdachte (ook) in hoger beroep was voorzien van de rechtsbijstand door mr. Heiligenberg.

5.6. Het in art. 51 Sv, in het belang van de verdachte gegeven, voorschrift is van zo wezenlijke betekenis dat, al wordt zulks niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming daarvan geacht moet worden aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan, behoudens het geval dat door de rechter voor wie de zaak is aangebracht in redelijkheid kan worden aangenomen dat de verdachte er geen prijs op heeft gesteld ter terechtzitting te verschijnen en aldaar door zijn raadsman te worden bijgestaan; een goede procesorde brengt voorts mede dat wanneer reden bestaat tot twijfel omtrent het nageleefd zijn van voormeld voorschrift, de rechter zich er van dient te vergewissen hetzij dat evengenoemd uitzonderingsgeval zich voordoet, hetzij dat het voormelde voorschrift is nageleefd(11).

5.7. Nu de raadsman niet ter zitting aanwezig was, had het Hof dan ook moeten onderzoeken of voldaan was aan het in art. 51 Sv gegeven voorschrift. Van een dergelijk onderzoek blijkt niet, terwijl uit de stukken 'achter de papieren muur' niet kan worden opgemaakt dat de raadsman een afschrift van de stukken heeft ontvangen. Dat betekent dat het onderzoek ter terechtzitting aan nietigheid lijdt.

6. Het middel slaagt derhalve.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 De enkele omstandigheid dat verdachte in eerste aanleg een gekozen raadsman had, brengt niet met zich dat de verdachte die raadsman ook in hoger beroep heeft gekozen, zie o.m. HR 18 december 1979, LJN: AC6756, NJ 1980, 206.

2 C.J.M. Corstens, bewerkt door M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 7e druk, 2011, p. 88. Het is gebruik dat ook de toegevoegde raadsman een stelbrief aan de griffie zendt, zie T. Spronken 2011, (T&C Sv), art. 39, aant. 3.

3 Zie T. Prakken in: Melai/Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering (losbl.), art. 39, aant. 4; HR 18 februari 1997, LJN: ZD0648, NJ 1997, 517 m.nt. T.M. Schalken; HR 12 februari 2002, LJN: AD7846, NJ 2002, 285; HR 19 februari 2008, LJN: BC2333, NJ 2008, 131.

4 HR 27 juni 1978, LJN: AC6315, NJ 1979, 306 m.nt. G.E.M. Zie voorts HR 17 juni 1980, LJN: AC6917, NJ 1980, 575 m.nt. Th.W.v.V. Ook een brief waaruit blijkt dat de Raad voor de Rechtsbijstand door de raadsman wordt verzocht hem als zodanig aan verdachte toe te voegen, is voldoende om als raadsman aangemerkt te worden, zie HR 25 februari 2003, LJN: AF3097.

5 HR 28 oktober 1986, LJN: AC9541, NJ 1987, 445.

6 HR 3 december 1991, LJN: ZC8906, NJ 1992, 325.

7 HR 18 februari 1997, LJN: ZD0644, NJ 1997, 516 m.nt. Sch. onder NJ 1997, 517.

8 HR 19 december 2000, LJN: ZD2182, NJ 2001, 161.

9 Vgl. HR 3 april 2012, LJN: BV7417, rov. 2.2.[0]

10 Zie M. Bakker, in: Handboek Verdediging, E. Prakken, T.N.B.M. Spronken (red), 2009, p. 579-580.

11 O.m. HR 27 juni 1978, LJN: AC6315, NJ 1979, 306 m.nt. G.E.M; HR 17 juni 1980, LJN: AC6971, NJ 1980, 575 m.nt. Th.W.v.V; HR 15 april 1986, LJN: AC4110, NJ 1986, 738; HR 14 oktober 1986, LJN: AC3765, NJ 1987, 390; HR 3 december 1991, LJN: ZC8906, NJ 1992, 325; HR 7 mei 1996, LJN: ZD0442, NJ 1996, 557 m.nt. 'tH; HR 21 april 1998, LJN: ZD1029, NJ 1998, 696; HR 25 februari 2003, LJN: AF3097; HR 15 januari 2008, LJN: BC0838; HR 19 februari 2008, LJN: BC2333, NJ 2008,131; HR 31 mei 2011, LJN: BQ2467.