Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY2844

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
12/00555 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY2844
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Niet-ontvankelijkverklaring beklag vanwege termijnoverschrijding. De opvatting in het middel dat het nalaten door het OM de klaagster op de voet van art. 552ca.2 Sv in kennis te stellen van de bevoegdheden die haar ex artt. 552a-552c Sv toekomen, moet worden aangemerkt als een omstandigheid welke de overschrijding van de in art. 552b.2 Sv bedoelde termijn verontschuldigbaar doet zijn, vindt geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2013, 18
NJ 2013/17
RvdW 2013/15

Conclusie

Nr. 12/00555 B

Mr. Vellinga

Zitting: 9 oktober 2012

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. Bij beschikking van 16 januari 2012 heeft de Rechtbank te Groningen klaagster en [betrokkene 1] niet-ontvankelijk verklaard in hun klaagschrift van 11 november 2011, strekkende tot teruggave aan klaagster dan wel klager van de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen auto, BMW met kenteken [AA-00-BB]. Enkel klaagster heeft beroep in cassatie ingesteld.

2. Namens klaagster heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat de Rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd op basis waarvan zij tot het oordeel is gekomen dat het klaagschrift niet tijdig is ingediend. Voorts wordt geklaagd dat de Rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de stelling dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was.

4. Het onderhavige beklag heeft betrekking op verbeurdverklaring van de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen auto, BMW met kenteken [AA-00-BB].

5. De Rechtbank heeft vastgesteld dat klaagster niet tijdig, dat is binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden, het klaagschrift heeft ingediend. De Rechtbank heeft in de beschikking niet aangegeven van welk moment van uitvoerbaarheid zij is uitgegaan. Uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 Sv toegezonden stukken kan evenwel worden opgemaakt dat [betrokkene 1] bij vonnis van 15 april 2011 is veroordeeld wegens het rijden zonder rijbewijs en de auto, waarop het beklag betrekking heeft, verbeurd is verklaard, dat dit vonnis per 30 april 2011 uitvoerbaar is geworden en dat derhalve op grond van art. 552b lid 2 Sv het klaagschrift voor 30 juli 2011 ingediend had moeten zijn. Het gesignaleerde gebrek behoeft dus niet tot vernietiging van de bestreden beschikking te leiden.

6. Met betrekking tot de klacht dat de Rechtbank voorbij is gegaan aan het beroep op verontschuldigbare termijnoverschrijding is het volgende van belang.

7. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt in voor zover van belang:

"De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:

(...)

Ik heb het klaagschrift bij de rechtbank Groningen ingediend. Mijn standpunt is dat mijn cliënte niet aan de termijn van drie maanden kan worden gehouden. Het Openbaar Ministerie heeft een inlichtingenplicht om de eigenaar van het in beslag genomen goed op de hoogte te stellen. Mijn cliënte heeft daarover zelf bericht gestuurd naar het Openbaar Ministerie. Het klaagschrift is mijns inziens wel tijdig ingediend. Primair heeft mijn cliënte via haar advocaat gevraagd haar op de hoogte te brengen en subsidiair rust de verplichting op het Openbaar Ministerie om klager in te lichten.

(...)

De raadsman merkt op, zakelijk weergegeven:

Op het Openbaar Ministerie rustte de verplichting om cliënte op de hoogte te stellen. Dat heeft het Openbaar Ministerie niet gedaan, daarom is de termijnoverschrijding verschuldigbaar. Daarnaast is cliënte onevenredig getroffen hetgeen te maken heeft met een financieel belang. Klager merkt op, zakelijk weergegeven: lk heb geen informatie gekregen over de auto. Ik wil duidelijkheid over de situatie.

De rechter heeft het onderzoek ter terechtzitting gesloten en zich teruggetrokken om zich te beraden.

Na terugkomst in de zittingzaal geeft de rechter onmiddellijk mondeling een beslissing. De rechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting. De rechter merkt daarbij onder meer het navolgende op. Klager is in beide procedures als bijrijder in de auto aangetroffen, hetgeen niet door klager is bestreden. Klager wist van het beslag en heeft haar rechten kunnen uitoefenen. Dat is deels gebeurd door de toenmalige raadsman die een brief aan het Openbaar Ministerie heeft gezonden. De rechter is van oordeel dat ingevolge artikel 552b, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering het klaagschrift dient te worden ingediend binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden. Nu klager dit niet heeft gedaan, dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard."

8. De door de raadsman genoemde brief van 2 november 2010, gericht aan de officier van justitie te Groningen, houdt in:

"Op 19 oktober 2010, werd de auto van mijn cliënte [klaagster], een BMW X5 gekentekend [AA-00-BB], in beslag genomen.

Naar ik begrijp, werd deze auto in beslag genomen onder cliënte's vriend, zonder dat ik goed begrijp waarom die inbeslagname nodig was.

Wat daar ook van zij, namens cliënte verzoek ik u te beslissen dat bovengenoemde auto aan haar zal worden teruggegeven. Bewijsstukken van haar eigendom sluit ik bij.

Nu u van oordeel zou zijn dat niet tot teruggave dient te worden besloten, verzoek ik u mij dat eveneens te berichten, zodat ik mij tot de Rechtbank kan wenden met een klaagschrift tot teruggave van deze auto.

U namens cliënte dankend voor uw hulp in deze en in afwachting van uw bericht verblijf ik,"

9. De bestreden beschikking houdt in voor zover van belang:

"Ingevolge artikel 552a, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is het klaagschrift niet-ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Ingevolge artikel 552b, lid 2 Sv dient het klaagschrift te zijn ingediend binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden. Nu klager 2 op grond van artikel 552a, lid 3 Sv en klager 1 op grond van artikel 552b, lid 2 Sv het klaagschrift niet tijdig hebben ingediend, komt de rechter aan een inhoudelijke behandeling van het klaagschrift niet toe, zodat het klaagschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard."

10. Hetgeen klaagsters raadsman heeft aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding, gebaseerd op het feit dat de Officier van Justitie niet heeft gereageerd op de vragen vervat in de brief van 19 oktober 2010.

11. Ook wanneer ervan wordt uitgegaan dat hetgeen de Rechtbank bij het uitspreken van de beschikking heeft opgemerkt dient te worden gezien als motivering van de bestreden beschikking, is de Rechtbank zonder motivering aan dat beroep voorbij gegaan. De Rechtbank merkt immers wel op dat klaagsters raadsman een brief over het inbeslaggenomen voorwerp aan de Officier van Justitie heeft gestuurd, daarmee kennelijk tot uitdrukking brengend dat klaagster op de hoogte was van het gelegde beslag, maar laat zich niet uit over de stelling van klaagsters raadsman, dat de Officier van Justitie niet op die brief zou hebben gereageerd.

12. De wet voorziet niet in kennisgeving van enige beslissing over een inbeslaggenomen voorwerp aan een belanghebbende zoals klaagster. Art. 552ca Sv bepaalt immers slechts dat de belanghebbende op de hoogte wordt gesteld van de hem toekomende bevoegdheden.(1) Een belanghebbende als klaagster zal er dus zelf voor moeten zorgen op de hoogte te blijven van het verloop van de procedure. Het spreekt vanzelf dat een belanghebbende daarbij afhankelijk is van mededelingen die het Openbaar Ministerie hem daartoe desgevraagd verstrekt. Laat het Openbaar Ministerie na op verzoeken om inlichtingen te reageren dan wel verstrekt het onjuiste of onvolledige inlichtingen, dan kan dit dus niet voor rekening van de belanghebbende komen. Heeft de belanghebbende alles gedaan wat van hem mocht worden verwacht om tijdig op de hoogte te raken van beslissingen over het inbeslaggenomen voorwerp, dan is overschrijding van een termijn als de onderhavige mijns inziens verschoonbaar.(2) Het vormt de rechtens noodzakelijke compensatie voor het ontbreken van de plicht de belanghebbende van beslissingen over het inbeslaggenomen voorwerp op de hoogte te stellen.(3) Het gaat immers niet aan de belanghebbende zonder meer de gevolgen te laten dragen(4) van een leemte in de wet en/of een nalatigheid van het Openbaar Ministerie.(5) Slechts indien bij afzonderlijke vordering de onttrekking aan het verkeer wordt gevorderd voorziet de wet in kennisgeving van die vordering aan degene van wie bekend is dat de aan het verkeer te onttrekken voorwerpen hem toebehoren (art. 552f lid 3 Sv).(6)

13. Het voorgaande klemt temeer wanneer wordt bedacht dat art. 552c (oud) Sv, houdende de verplichting om een derde aan wie het inbeslaggenomen voorwerp toebehoort, op de hoogte te stellen van de bevoegdheden die hij heeft op grond van art. 552a en 552b Sv, is ingevoerd om te voorkomen dat een voorwerp zou worden verbeurdverklaard of zou worden onttrokken aan het verkeer zonder dat de belanghebbende daarvan op de hoogte was en zich daar tijdig tegen had kunnen verzetten(7) en die inlichtingenplicht in het huidige art. 552ca zonder aanwijsbare reden(8) is beperkt tot gevallen waarin de officier van justitie toepassing wil geven aan het bepaalde in art. 116 lid 3 Sv.

14. Het voorgaande betekent dat de Rechtbank niet voorbij had mogen gaan aan het beroep op verschoonbare termijnoverschrijding.

15. Het middel slaagt.

16. Blijkens namens mij ingewonnen inlichtingen is aan de verbeurdverklaring van de BMW met kenteken [AA-00-BB] reeds uitvoering gegeven. Die omstandigheid staat aan het geven van een last tot teruggave en derhalve aan de ontvankelijkheid van klaagster in haar beklag niet in de weg. Wordt in een procedure op de voet van art. 552b Sv de teruggave bevolen en is deze feitelijk niet meer mogelijk, dan zou ik - hoewel art. 552b Sv daarin niet uitdrukkelijk voorziet - art. 119, tweede lid, Sv van overeenkomstige toepassing achten. Art. 552b Sv verwijst voor de last tot teruggave uitdrukkelijk naar art. 353, tweede lid, onderdeel a of b, Sv, terwijl art. 353 lid 3 Sv op een last tot teruggave als bedoeld in art. 353, tweede lid, onderdeel a of b, Sv het tweede lid van art. 119 Sv van toepassing verklaart. Klaagster heeft dus wel belang, ook al is aan de verbeurdverklaring uitvoering gegeven.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Leeuwarden teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie M.M. Beije, Onttrekking aan het verkeer, diss. Groningen 1994, p. 246

2 Mijn ambtgenoot Knigge wijst in zijn conclusie bij HR 4 september 2007, LJN BA3132 op HR 6 oktober 1998, NJ 1999, 106 m.nt 't H, waaruit hij mijns inziens terecht afleidt dat een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding in een klaagschriftprocedure niet kansloos is.

3 Beije, t.a.p., is van oordeel dat de Officier van Justitie de belanghebbende eigener beweging op de hoogte moet stellen van zijn voornemen om het voorwerp uit de circulatie te nemen.

4 Zie het streven dat ten grondslag lag aan de invoering van - thans - art. 552ca Sv.

5 Wöretshofer in Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 7 op art. 552ca (suppl. 122, juni 2001) is van mening dat nalatigheid van de Officier van Justitie om de belanghebbende tijdig van het beslag op de hoogte te brengen kan leiden tot een vordering uit onrechtmatige daad.

6 Deze bepaling is opgenomen naar aanleiding van signalering van de leemte in 552c (oud) Sv ten aanzien van de onttrekking aan het verkeer bij afzonderlijke beschikking door de Commissie Vermogensstraffen: Kamerstukken II 1977-1978, 15 012, nr. 3, p. 56.

7 Kamerstukken II 1957-1958, 4034, nr. 9, nr. 10, nr. 133, nr. 133a en Handelingen Tweede kamer 1957-1958, p. 2315-2322.

8 Vgl. Kamerstukken II 1990-1991, 21 504, nr. 5, p. 16.