Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY2839

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
11/05506 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY2839
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 94a en 552a Sv. Beklag, beslag. De Rb heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk - nu de kennisneming van die processtukken klaagster is onthouden - aangenomen dat het onderzoeksbelang eraan in de weg stond dat de stukken van het strafrechtelijk financieel onderzoek (s.f.o.) aan de raadkamer worden overgelegd. De opvatting in het middel dat in een geval als het onderhavige, niettegenstaande de ongegrondverklaring van het door klaagster o.g.v. art. 32 Sv ingediende bezwaarschrift, door het OM de stukken van het s.f.o. aan de raadkamer moeten worden overgelegd als “op de zaak betrekking hebbende stukken” a.b.i. art. 23.4 Sv is onjuist. De middelen die klagen over de motivering van de ongegrondverklaring van het klaagschrift i.v.m. een onjuiste maatstaf slagen op de gronden vermeld in de conclusie van de AG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/31
NJB 2013/73

Conclusie

Nr. 11/05506 B

Mr. Vellinga

Zitting: 9 oktober 2012

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. Bij beschikking van 20 september 2011 heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage het klaagschrift strekkende tot teruggave aan klaagster van een aantal onder haar in beslag genomen goederen, waaronder een aantal onroerende zaken, ongegrond verklaard.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/05504, 11/05506 en 11/05508. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens klaagster heeft mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank er geen blijk van heeft gegeven de juiste maatstaf te hebben aangelegd voor de beoordeling van het beklag. Het tweede middel klaagt dat de Rechtbank haar oordeel heeft doen steunen op de controlebevoegdheid van de rechter-commissaris gedurende het strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: sfo). Beide middelen richten zich tegen de motivering van de Rechtbank en lenen zich derhalve voor een gezamenlijke bespreking.

5. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, in:

"In raadkamer is vast komen te staan dat onder klager thans in beslag zijn genomen ex artikel 94a Sv de volgende goederen:

- een bankrekening met rekeningnummer [0001];

- een zakelijk recht van erfpacht, woning met bedrijvigheid erf-tuin, [d-straat 1] en [2] te [plaats];

- vijf kantoorpanden aan de [b-straat] te [plaats];

- een kantoorpand (detailhandel) gelegen aan de [b-straat] te [plaats];

- een registergoed parkeren [b-straat] te [plaats]

(...)

In raadkamer is vast komen te staan dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld tegen [betrokkene 1], eigenaar van klager. Dit onderzoek loopt nog. In het kader van dit onderzoek zijn diverse goederen op grond van artikel 94a Sv in beslag genomen.

Nu er een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld tegen [betrokkene 1] staat, gelet op het bepaalde in artikel 126, eerste lid Sv, vast dat er tegen hem thans een verdenking voorligt van een feit (i.e. witwassen) waarop een geldboete van de vijfde categorie staat.

Ingevolge het bepaalde in artikel 126 Sv wordt een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie. De vordering van de officier van justitie is eveneens met redenen omkleed en bij die vordering wordt een lijst van voorwerpen overgelegd die reeds op grond van artikel 94a, tweede, derde en vierde lid Sv. in beslag zijn genomen. De officier van justitie dient de rechter-commissaris periodiek te informeren over de voortgang van het onderzoek. De rechter-commissaris licht de rechtbank in indien hij dat nodig oordeelt met het oog op onnodige vertraging van het onderzoek. De bemoeienis van de rechter-commissaris vormt aldus een waarborg bij inbeslagname en gedurende het strafrechtelijk financieel onderzoek.

In het onderhavige geval duurt het strafrechtelijk financieel onderzoek nog voort. Bovengenoemde bemoeienis en bevoegdheden van de rechter-commissaris in aanmerking genomen acht de rechtbank vooralsnog geen grond aanwezig tot teruggave van enig onder klager ingevolge artikel 94 of 94a Sv. inbeslaggenomen goed. Bij haar overwegingen betrekt de rechtbank dat -zoals in raadkamer door de officier van justitie is aangevoerd en namens klager niet is bestreden- de rechter-commissaris na het leggen van het beslag reeds een aantal goederen heeft teruggegeven aan klager, omdat die goederen niet konden dienen tot één van de doelen genoemd in artikel 94 en 94a Sv.

Het beklag zal derhalve ongegrond verklaard worden."

6. Bij de beoordeling van een beklag gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid dient de rechter te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van een verdenking van of een veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.(1)

7. De Rechtbank heeft verzuimd na te gaan of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster als verdachte(2) een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

8. Met haar beschouwingen over de "bemoeienis en bevoegdheden van de Rechter-Commissaris" heeft de Rechtbank miskend dat de Rechtbank bij de beoordeling van een klaagschrift tegen inbeslagneming de hiervoor onder 6 genoemde maatstaven dient aan te leggen en zich niet kan verlaten op de beslissingen van de Rechter-Commissaris in het sfo, die immers niet betrekking hebben op beklag tegen inbeslagneming van voorwerpen in het kader van het sfo.

9. Het eerste en tweede middel slagen.

10. Het derde middel betoogt dat de behandeling van het klaagschrift niet voldoet aan "één van de beginselen van het strafproces en aanverwante procedures" en de vereisten die voortvloeien uit art. 6 EVRM, omdat zowel aan klaagster als aan de Rechtbank de van belang zijnde stukken zijn onthouden.

11. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, in:

"De raadsman van klager heeft ter terechtzitting aangevoerd dat een beoordeling van de rechtmatigheid van de beslaglegging niet mogelijk is nu de processtukken worden onthouden. Wat daar verder ook van zij, in onderhavige procedure ligt uitsluitend ter beoordeling voor het klaagschrift tegen inbeslagname en voortduren van beslag. Over het al dan niet onthouden van processtukken kan in het kader van deze procedure geen oordeel worden gegeven."

12. Onder de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv toegezonden stukken bevindt zich een beschikking van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 12 juli 2011 waarin het bezwaarschrift van klaagster tegen de (stilzwijgende) beslissing van de Officier van Justitie en de Rechter-Commissaris om klaagster kennisneming van processtukken in de strafzaak te onthouden - voor zover hier van belang - ongegrond werd verklaard. Het argument van de Officier van Justitie voor onthouding van de stukken was vrees voor belemmering van de waarheidsvinding. De Rechtbank oordeelde dat die opstelling van de Officier van Justitie begrijpelijk was.

13. Ingevolge art. 23 lid 4 Sv dient de Officier van Justitie de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de raadkamer over te leggen en heeft klaagster recht op kennisneming van die stukken, een en ander behoudens (art. 23 lid 5 Sv) voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.(3)

14. Met betrekking tot het ontbreken van processtukken heeft klaagsters raadsman bij de behandeling van het klaagschrift aangevoerd:

"Er is sprake van onthouding van processtukken. Ik weet niet meer dan dat er sprake is van beslag en een verdenking. De basis voor deze verdenking ken ik niet. Op een bezwaarschrift onthouding van processtukken heeft de rechtbank overwogen dat het toen nog te pril was om stukken te verstrekken. Inmiddels zijn er al vier maanden verstreken sinds de inbeslagname, maar beschik ik nog steeds niet over enig processtuk. Ik kan dan ook inhoudelijk niets zeggen over een strafvorderlijk belang. De rechter-commissaris heeft inmiddels een aantal stukken teruggegeven aan klager. De rechter-commissaris heeft al een beoordeling gemaakt of stukken wel of niet van belang zijn voor het lopende onderzoek. Die beoordeling heeft het openbaar ministerie nog niet gemaakt. Het is onwaarschijnlijk dat al die stukken relevant zijn voor het onderzoek. Immers, de rechter-commissaris heeft de helft van de stukken die hij in beslag heeft genomen al teruggegeven aan klager. De rechtbank beschikt op dit moment ook nog niet over processtukken. U kunt niet toetsen of de verdenking tegen klager wel reëel is. Er is een Volkswagen Polo in beslag genomen. Wordt nu alles van enige waarde in beslag genomen? U kunt de rechtmatigheid niet toetsen, want u beschikt niet over de processtukken. Wat de rechter te zijner tijd zal beslissen kan nu nog niet beoordeeld worden. Het is tijd dat de processtukken worden verspreid. Ik hoor u, rechter, zeggen dat op deze zitting het beklag tegen beslag wordt behandeld en dat voor een beklag ex artikel 32 van het Wetboek van Strafvordering, of een herhaling daarvan, hier en nu niet het juiste forum is. U, rechter, kunt ook zelf om processtukken vragen aan de officier van justitie. U zou in het bezit moeten zijn van die processtukken, want anders neemt u een luchtledige beslissing."

15. Hetgeen klaagsters raadsman aldus heeft gesteld kan gelet op het bepaalde in art. 23 lid 4 Sv bezwaarlijk anders worden verstaan dan strekkende ten betoge dat de Officier van Justitie in strijd met het bepaalde in art. 23 lid 4 Sv heeft verzuimd de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de raadkamer over te leggen en klaagster aldus ten onrechte de kennisneming van die stukken is onthouden. De Rechtbank heeft het aangevoerde louter opgevat als een bezwaar tegen onthouding van processtukken als bedoeld in art. 32 Sv. Derhalve heeft de Rechtbank het bepaalde in art. 23 lid 4 Sv miskend. Daarbij teken ik aan dat art. 23 lid 5 Sv een strengere eis stelt aan de onthouding van processtukken dan art. 30 lid 2 Sv.

16. Aangezien negeren van het bepaalde in art. 23 lid 4 Sv een wezenlijke inbreuk maakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde(4), had de Rechtbank niet aan het gestelde voorbij mogen gaan en kan de beschikking dus niet in stand blijven.

17. Het beroep op art. 6 EVRM faalt omdat art. 6 EVRM in beginsel niet van toepassing is op de beklagprocedure van art. 552a Sv aangezien in deze procedure geen rechten of verplichtingen van burgerrechtelijke aard worden vastgesteld.(5) Van bijzondere omstandigheden waarin dat anders kan zijn, is hier niet gebleken.

18. Het middel slaagt.

19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden beschikking zou dienen te worden vernietigd.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010, 654.

2 Onder de op de voet van art. 434 lid 1 Sv toegezonden stukken bevindt zich een beschikking van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 12 juli 2011 op een bezwaarschrift ex. art. 32 Sv van klaagster. In deze beschikking is overwogen dat vaststaat dat tegen "verdachte" - dit is klaagster- een sfo is geopend.

3 Vgl. HR 18 juni 2002, LJN AD5297, NJ 2003, 621, rov. 4.2.

4 Vgl. HR 18 juni 2002, LJN AD5297, NJ 2003, 621, rov. 4.5.

5 Vgl. HR 6 september 2011, LJN BQ8028, NJ 2011, 417, rov. 2.3 en HR 11 oktober 2005, LJN AU4086, NJ 2006, 613, rov. 4.6.