Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY2813

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
11/04283 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY2813
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 552b Sv. De Rb heeft miskend dat voor de beoordeling van de vraag of een o.d.v.v. art. 552b Sv ingediend klaagschrift ontvankelijk is, niet van belang is of de inbeslaggenomen voorwerpen (ten tijde van het indienen van het klaagschrift) vernietigd zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2013, 25
RvdW 2013/73

Conclusie

Nr. 11/04283 B

Mr. Vellinga

Zitting: 9 oktober 2012

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. Bij beschikking van 2 augustus 2011 heeft de Rechtbank te Maastricht klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klaagschrift van 14 maart 2011, strekkende tot teruggave aan klaagster van een Jaguar, met kenteken [AA-00-BB] en een Porsche, met kenteken [CC-00-DD].

2. Namens klaagster heeft mr. G.J.J.A. van Zeijl, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank klaagster ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar primaire verzoek tot teruggave van genoemde auto's en haar subsidiaire verzoek tot schadeloosstelling.

4. In de bestreden beschikking is de Rechtbank uitgegaan van de volgende vaststaande feiten:

"De zoon van belanghebbende - [betrokkene 1] - is op 15 november 2007 door de politierechter van deze rechtbank vrijgesproken van de verdenking van heling van, onder meer, de in deze zaak centraal staande oldtimers, een Jaguar E-type roadster, en een Porsche 356 B cabrio uit respectievelijk 1972 en 1961. De automobielen, die voorzien waren van valse chassisnummers, werden aan het verkeer onttrokken. [Betrokkene 1] heeft tegen de laatstgenoemde beslissing cassatie ingesteld. Op 14 december 2010 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen."

5. Op 14 maart 2011, derhalve op de laatste dag van de in art. 552b lid 2 Sv genoemde termijn, heeft klaagster het onderhavige klaagschrift ingediend, gericht tegen de onttrekking aan het verkeer van genoemde auto's, en strekkende tot teruggave van de auto's aan haar. Ter motivering van de niet-ontvankelijkverklaring in het klaagschrift heeft de Rechtbank het volgende overwogen:

"De rechtbank stelt vast dat de vernietiging van de voertuigen heeft plaatsgevonden vóórdat het klaagschrift door belanghebbende werd ingediend.

Op grond van het vorenstaande moet aanstonds geoordeeld worden dat belanghebbende in haar primaire verzoek niet ontvangen kan worden, waartoe de rechtbank moge verwijzen naar HR 27 november 2001, LJN: AD5210.

Mutatis mutandis moet hetzelfde worden geoordeeld ten aanzien van het subsidiaire verzoek. Gelet op het met betrekking tot het primaire verzoek overwogene dient aangenomen te worden dat met de vernietiging op 8 oktober 2010 ook het beslag op de oldtimers is komen te vervallen. Bij deze stand van zaken kan er niet meer toegekomen worden aan de toepassing van de artikelen 552b lid 5 Sv jo. 33c Sr jo. 36b Sr, nu de met deze artikelen gegeven wetssystematiek het bestaan van een beslagsituatie postuleert. Om deze reden moet het verzoek als tardief worden beschouwd."

6. Het oordeel van de Rechtbank berust op de opvatting dat door een belanghebbende op de voet van art. 552b Sv slechts kan worden opgekomen tegen verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer wanneer de inbeslagneming van het voorwerp dat is verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer ten tijde van het beklag nog voortduurt. Deze opvatting vindt noch in het bepaalde in art. 552b Sv, noch in enige andere wettelijke bepaling noch in het systeem van de wet enige steun.

7. Ingevolge art. 353 Sv dient de zittingsrechter een beslissing te nemen over alle met toepassing van art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, dus ook ten aanzien van die voorwerpen waarvan de inbeslagneming ingevolge art. 134 lid 2, onder c en d, Sv is geëindigd. Die beslissing kan bestaan in verbeurverklaring, in onttrekking aan het verkeer, in teruggave aan degene onder wie het voorwerp in beslag is genomen, in teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, of in bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende, Wordt de teruggave bevolen en is deze feitelijk niet meer mogelijk, dan is art. 119, tweede lid, Sv van overeenkomstige toepassing.(1)

8. Art. 552b Sv biedt de belanghebbende, andere dan de verdachte of de veroordeelde de mogelijkheid, zich schriftelijk te beklagen over verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van hun toekomende voorwerpen. Voor zover het gaat om voorwerpen die reeds voordien waren inbeslaggenomen heeft de belanghebbende kunnen klagen op de voet van art. 552a Sv, en wel zolang het beslag nog niet is geëindigd. Zie o.m. het door de Rechtbank aangehaalde HR 27 november 2001, LJN AD5210.

9. Wordt in een procedure op de voet van art. 552b Sv de teruggave bevolen en is deze feitelijk niet meer mogelijk, dan zou ik - hoewel art. 552b Sv daarin niet uitdrukkelijk voorziet - art. 119, tweede lid, Sv van overeenkomstige toepassing achten. Art. 552b Sv verwijst voor de last tot teruggave uitdrukkelijk naar art. 353, tweede lid, onderdeel a of b, Sv, terwijl art. 353 lid 3 Sv op een last tot teruggave als bedoeld in art. 353, tweede lid, onderdeel a of b, Sv het tweede lid van art. 119 Sv van toepassing verklaart.

10. Voor verbeurdverklaring is niet vereist dat het voorwerp ten tijde van de beslissing tot verbeurdverklaring inbeslaggenomen is of inbeslaggenomen is geweest.(2) Daarom kan de ontvankelijkheid van een klaagschrift van een belanghebbende tegen verbeurdverklaring van een voorwerp niet afhankelijk worden gesteld van het al dan niet inbeslaggenomen (geweest) zijn van dat voorwerp. Art. 552b Sv stelt die eis dan ook niet.

11. Zou dat laatste wel het geval zijn geweest dan zou dat hebben betekend dat in geval van verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen voorwerp een belanghebbende zowel vòòr de uitspraak in de hoofdzaak als daarna zou kunnen klagen over inbeslagneming respectievelijk verbeurdverklaring, terwijl in geval van verbeurdverklaring van een niet inbeslaggenomen voorwerp een belanghebbende nimmer zou kunnen klagen. Voor hem is immers in de gewone strafprocedure geen plaats. Er is geen enkele aanwijzing dat de wetgever een zo onevenwichtige regeling zou hebben gewild. Daarbij dient bedacht te worden dat verbeurdverklaring, anders dan inbeslagneming, wijziging brengt in de rechten op het voorwerp.

12. Deze onevenwichtigheid speelt iets minder ten aanzien van aan het verkeer onttrokken voorwerpen. Deze kunnen immers alleen aan het verkeer worden onttrokken wanneer deze zijn inbeslaggenomen. Daar staat tegenover dat over voorwerpen die zijn inbeslaggenomen en waarvan de inbeslagneming ingevolge art. 134 lid 2, onder c en d, Sv is geëindigd wel op de voet van art. 353 Sv dient te worden beslist. Deze voorwerpen kunnen worden onttrokken aan het verkeer(3) terwijl beklag op de voet van art. 552a Sv afstuit op het feit dat de inbeslagneming is geëindigd. Heeft de belanghebbende niet tijdig 'lucht' van de inbeslagneming gekregen dan zou hij dus met lege handen staan als art. 552b Sv hem niet de mogelijkheid zou bieden over de onttrekking aan het verkeer te klagen terwijl hij wel belang heeft, hierin bestaande dat hij de onttrekking aan het verkeer van hem toekomende voorwerpen, en dus ontneming van eigendom van die voorwerpen aan de kaak kan stellen.

13. Voor toepassing van art. 552b Sv dient dus niet de eis te worden gesteld dat het beslag nog voortduurt. Daarmee is overigens nog niet gezegd, dat art. 552b Sv de belanghebbende de mogelijkheid biedt op te komen tegen iedere beslissing die de rechter op grond van art. 353 Sv kan nemen. Over teruggave van het voorwerp aan de beslagene, aan iemand die door de rechter redelijkerwijs als rechthebbende wordt beschouwd of over bewaring ten behoeve van de rechthebbende kan niet worden geklaagd. Dat geldt ook voor een verzuim te beslissen over de inbeslaggenomen voorwerpen. Daar staat tegenover dat deze beslissingen (of het ontbreken daarvan) de rechten van een ieder, dus ook van de derde/belanghebbende, onverlet laten. Voorts kan een belanghebbende, voor zover het beslag voortduurt en in strijd met het bepaalde in art. 353 Sv niet is beslist op het beslag, ook na een einduitspraak in de strafzaak op de voet van art. 552a Sv klagen over het beslag.

14. Hetgeen overigens in de toelichting op het middel te berde wordt gebracht kan na het voorgaande buiten bespreking blijven.

15. Het middel slaagt.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 27 november 2001, LJN AD5210, rov. 3.3.

2 Vgl. art 34 Sr.

3 HR 14 december 2004, NJ 2006, 64 ten aanzien van voorwerpen waarvan het beslag is geëindigd omdat deze op grond van een machtiging ex art. 117 Sv zijn vernietigd.