Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY2259

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
10/04387
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY2259
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafoplegging. Aangenomen moet worden dat het Hof kennelijk abusievelijk in het dictum heeft opgenomen dat de verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 7.500,- (tienduizend euro); de HR leest dit als een geldboete van € 7.500,- (zevenduizend en vijfhonderd euro). Door deze verbeterde lezing wordt de verdachte niet benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/19

Conclusie

Nr. 10/04387

Mr. Vellinga

Zitting: 9 oktober 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1. primair "Medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" en 2. primair "Medeplegen van valsheid in geschrift begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 7.500,-(1), subsidiair 72 dagen hechtenis, waarvan € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/04387, 10/04314, 10/04315, 10/04386, 10/04453, 10/05241 en 11/00020. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, acht middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het Hof van een door de verdediging gevoerd preliminair verweer inzake de (relatieve) onbevoegdheid van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch om van de tenlastegelegde feiten kennis te nemen.

5. Het Hof heeft genoemd door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2009 gevoerd verweer ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2009 als volgt verworpen:

"De voorzitter gaat over tot bekendmaking van de door het hof genomen beslissing op het door de verdediging gevoerde preliminaire verweer.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 6 van het Wetboek van Strafvordering houdt een bijzondere regeling in voor de relatieve bevoegdheid van rechtbanken bij gevallen van deelneming. De achterliggende gedachte is dat de gelijktijdige berechting van de deelnemers aan een strafbaar feit zoveel mogelijk door één en dezelfde rechterlijke instantie kan worden gedaan.

Aan dit artikel is bij Wet van 15 juni 1983, Stb. 276 een derde lid toegevoegd inhoudende dat ook indien meerdere personen verschillende strafbare feiten hebben begaan, die in zodanig verband tot elkaar staan, en de behandeling voor één rechterlijke instantie gewenst moet worden geacht, deze verschillende feiten worden geacht in vereniging te zijn begaan, zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel. De memorie van toelichting bij voornoemde wetswijziging rept niet alleen van voordelen in het voorbereidend onderzoek en ten aanzien van een goede proceseconomie in het algemeen, maar ook van betere mogelijkheden tot gelijke behandeling van verdachten door het openbaar ministerie en de rechter. Een effectievere bestrijding van criminaliteit, een doelmatig optreden van openbaar ministerie en rechterlijke macht, alsmede een goede onderlinge taakverdeling tussen de gerechten kunnen zijn gebaat bij een concentratie van strafzaken voor één rechtbank. Daarnaast kan ook het belang van verdachten ermee gediend zijn.

Een genuanceerde straftoemeting is beter verzekerd wanneer deze aan één rechtbank, die alle aspecten van de zaak kent en alle verdachten voor zich ziet verschijnen, wordt opgedragen dan wanneer verschillende rechtbanken die slechts van bepaalde onderdelen van de zaak hebben kennis genomen uitspraak moeten doen.

Een geconcentreerde vervolging uit een oogpunt van criminaliteitsbestrijding en een maatschappelijk aanvaardbare toepassing van straf of maatregel is derhalve mogelijk en kan gewenst zijn. Er zal echter wel een verband moeten zijn, in die zin dat een wezenlijke samenhang bestaat tussen de verschillende strafzaken, waardoor deze geacht kunnen worden, ook al zijn er verschillende verdachten die niet tot elkaar in enig deelnemingsverband staan, één geheel, één feitencomplex, te vormen, waarvan de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht.

Bij het criterium van "zodanig verband" gaat het niet om formele gelijkheid van de betrokken delicten maar onder andere om een samenhang van criminaliteit uit maatschappelijk oogpunt.

De vraag die thans aan het hof voorligt is of de onderhavige zaak en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 6] in zodanig verband staan tot de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] dat de rechtbank 's-Hertogenbosch terecht kennis heeft mogen nemen van de onderhavige zaak.

Het hof is van oordeel dat, bezien tegen de achtergrond van de inhoud van de dossiers in de verschillende strafzaken, in het bijzonder dat [medeverdachte 5] zowel in de juwelierszaak van de verdachten [verdachte en medeverdachte 6] gevestigd te Rotterdam als in de juwelierszaak van de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gevestigd te Eindhoven (arrondissement 's-Hertogenbosch) betrokken was bij de aankoop van horloges die (beweerdelijk) bestemd waren voor buiten de Europese Unie wonende personen en betrokken was bij de teruggave van de eerder betaalde BTW, sprake is van voldoende connexiteit tussen deze strafzaken van die verdachten. Gelet op de wetsgeschiedenis van artikel 6, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en de interpretatie die het hof daaraan geeft, was het alleszins redelijk om de betreffende strafzaken geconcentreerd aan te brengen, bij voorkeur bij één maar in ieder geval bij zo min mogelijk verschillende gerechtelijke instanties.

Zijdens het openbaar ministerie is desgevraagd aangegeven dat de werklast de achterliggende reden is geweest voor de verdeling van de strafzaken over de rechtbanken Breda en 's-Hertogenbosch. Het hof acht dit, gelet op de totale omvang van de verschillende dossiers, een valide argument. De omstandigheid dat de rechtbank 's-Hertogenbosch op grond van de woonplaats van de medeverdachte [medeverdachte 3] bevoegd was om van die strafzaak kennis te nemen brengt met zich dat de rechtbank eveneens bevoegd was om kennis te nemen van de onderhavige strafzaak.

Geheel ten overvloede heeft het hof vastgesteld dat in het geheel niet is gebleken of aannemelijk geworden dat verdachte door deze gang van zaken op enigerlei wijze in zijn verdediging is geschaad.

Het preliminaire verweer wordt verworpen."

6. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het "zodanig verband" als bedoeld in art. 6 lid 3 Sv tussen de zaak van de verdachte en de zaken van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] met name aanwezig wordt geacht door de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 5], terwijl de zaak tegen [medeverdachte 5] door het openbaar ministerie niet is aangebracht bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch maar bij de Rechtbank te Breda. Nu laatstgenoemde zaak niet tevens is aangebracht bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch zou volgens de toelichting op het middel geen sprake (meer) zijn van met elkaar verband houdende feiten noch van geconcentreerde vervolging voor dezelfde rechter, wat ook de reden is voor het aanbrengen van de zaken bij verschillende gerechten. In dit licht bezien zou het oordeel van het Hof dat de Rechtbank 's-Hertogenbosch bevoegd was om kennis te nemen van de tenlastegelegde feiten niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed, dan wel het verweer van de verdediging dienaangaande onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn verworpen.

7. Op grond van artikel 6, eerste lid, Sv brengt bij deelneming van meer dan één persoon aan hetzelfde strafbare feit de bevoegdheid ten aanzien van één der als daders of medeplichtingen aansprakelijke personen de bevoegdheid mede ten aanzien van de andere. Ingevolge het derde lid worden in het geval waarin door meer dan één persoon, al dan niet tezamen, verschillende strafbare feiten zijn begaan, die in zodanig verband tot elkaar staan, dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht, deze feiten voor de toepassing van het eerste lid geacht in deelneming te zijn begaan. Het Hof heeft geoordeeld dat de situatie als bedoeld in art. 6, derde lid, Sv zich ten aanzien van de zaken tegen de verdachte, medeverdachten [medeverdachte 6], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] voordoet. In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de Rechtbank 's-Hertogenbosch op grond van de woonplaats van de medeverdachte [medeverdachte 3] bevoegd was om van die strafzaak kennis te nemen, geeft 's Hofs oordeel dat genoemde Rechtbank op grond van de bevoegdheid ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 3] eveneens bevoegd was om kennis te nemen van de onderhavige strafzaak, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat de enkele omstandigheid dat [medeverdachte 5] niet voor de Rechtbank 's-Hertogenbosch is vervolgd niet meebrengt dat - zoals in de toelichting op het middel wordt betoogd - daardoor geen sprake meer is van een geval als bedoeld in art. 6, derde lid, Sv. Deze omstandigheid doet immers niet af aan de door het Hof geconstateerde connexiteit.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verzoek van de verdediging de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 6] woordelijk uit te werken.

10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 2010 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

"De raadsvrouwe Versteeg merkt op dat zij in hun brief van 9 maart 2010 ook hadden verzocht om een concept van het proces-verbaal en dat op dit verzoek niet beslist is.

De voorzitter deelt hierop mede dat ook het verzoek om een concept van het proces-verbaal wordt afgewezen.

De raadsvrouwe Versteeg voert hierop aan dat zij graag een deel van hetgeen [verdachte en medeverdachte 6] ter zitting van 5 maart 2010 verklaard hebben voorgehouden zouden willen hebben.

De voorzitter deelt hierop mede dat dit, gelet op het feit dat nog geen proces-verbaal van de zitting beschikbaar is, niet mogelijk is.

De raadsvrouwe Versteeg geeft hierop aan dat zij in dat geval op grond van artikel 326, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering verzoeken om een woordelijke uitwerking van de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 6] aan de hand van de audio-opnamen.

De raadsvrouwe Van der Bilt overhandigt de voorzitter hierop een schriftelijke weergave van de passages uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 6] ter zitting van het hof op 5 maart 2010 die zij wensen voorgehouden te zien.

De voorzitter deelt hierop mede dat hier wellicht op een later moment tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar gekeken kan worden.

(...)

De voorzitter onderbreekt hierop het onderzoek ter terechtzitting voor beraad over het verzoek van de verdediging om een letterlijke weergave van de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 6] in het proces-verbaal van de terechtzitting.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als zijn beslissing mede als volgt.

Artikel 326, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het woordelijk opnemen van een verklaring geschiedt op last van de voorzitter. Op grond van dit artikel had de verdediging tijdens het verhoor van verdachte en [medeverdachte 6] dit verzoek moeten doen. In dat geval had zelfs een discussie gevoerd kunnen worden over de letterlijke tekst. Die discussie kan nu niet meer gevoerd worden.

Ik kan nu enkel toezeggen dat de griffier en ik er voor zullen zorgen dat de vragen en antwoorden zo veel als mogelijk met behulp van de geluidsopnamen zullen worden uitgewerkt in het proces-verbaal van de terechtzitting."

11. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat 's Hofs oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen omdat het niet is geuit voor aanvang van het afleggen van de verhoren van verdachte en [medeverdachte 6] niet zonder meer begrijpelijk is, nu de verhoren klaarblijkelijk auditief zijn opgenomen. Volgens de toelichting op het middel valt niet in te zien waarom een woordelijke uitwerking van de verklaringen niet tevens kan worden gebaseerd op auditieve opnamen. Voorts wordt aangevoerd dat het Hof bij de afwijzing van het verzoek de in art. 326, tweede lid, Sv opgenomen maatstaf had dienen te gebruiken.

12. Het middel stuit af op de omstandigheid dat - zoals ook door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 2010 was verzocht - in de gewraakte beslissing de toezegging is opgenomen dat de Voorzitter en de griffier er zorg voor zullen dragen dat de vragen en antwoorden zo veel als mogelijk (als bedoeld in art. 326, tweede lid, Sv) met behulp van geluidsopnamen zullen worden uitgewerkt in het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2010.

13. Opmerking verdient dat niet wordt geklaagd dat bedoelde toezegging niet is nagekomen en ook aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2010 geen aanwijzingen kunnen worden ontleend dat bedoelde toezegging niet gestand is gedaan.

14. Het middel faalt.

15. Het derde middel klaagt in de kern genomen dat het opzet van de rechtspersoon V.O.F. [A] ter zake het onder 1 en 2 bewezenverklaarde niet uit 's Hofs bewijsvoering kan worden afgeleid.

16. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant onder het hoofdje "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs", in:

"D.3.

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van feit 1., primair en feit 2., primair veroordeling van verdachte gevorderd en de verdediging heeft bepleit dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1. en 2. (primair en subsidiair) zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

De verdediging voert hiertoe onder meer - kort samengevat - het navolgende aan.

Ten aanzien van feit 2.:

- Op de verkoopbonnen als bedoeld in de tenlastelegging staat niet dat een transactie of levering heeft plaatsgevonden.

- Uit het dossier is niet gebleken dat de afnemer niet bestond of dat niet is geleverd aan de op de verkoopbon genoteerde afnemer.

- Er is geen onderzoek verricht naar buitenlandse personen die op de verkoopbonnen genoteerd stonden en niet is onderzocht waar de horloges feitelijk terecht zijn gekomen.

- Er is wel degelijk een horloge geleverd en levering via een tussenpersoon is een gangbare variant.

Ten aanzien van feit 1.:

De (voorwaardelijk) opzet tot het doen van onjuiste aangiften ontbreekt, nu:

- Er geen opvallende exportbedragen zijn en cliënt conform de regelingen van de Wet op de omzetbelasting 1968 heeft gehandeld.

- Er zijn geen omstandigheden op grond waarvan cliënt had moeten vermoeden dat er iets niet in de haak was met de leveringen aan [medeverdachte 5].

- Cliënt wist niet en hoefde ook niet te weten dat geen sprake was van leveringen aan de buitenlandse personen als vermeld op de bonnen.

- Het feit dat de afnemers vrachtwagenchauffeurs betroffen die de horloges via Schiphol uitvoerden was op het moment van de koop helemaal niet bekend.

De redenering op grond waarvan de rechtbank tot de conclusie komt dat [medeverdachte 5] ondernemer was, is onbegrijpelijk, gelet op de frequentie waarmee [medeverdachte 5] bij [A] kwam.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

E.1.

Op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.

a. Verdachte is samen met zijn broers [medeverdachte 6] (medeverdachte [medeverdachte 6]) en [betrokkene 1] ([betrokkene 1]) sinds 1 januari 2003 vennoot van de vennootschap onder firma [A] (hierna: [A]).

b. De ondernemingsactiviteiten van [A] bestaan uit de verkoop van horloges en sieraden in de ruimste zin van het woord. [A] is onder meer dealer van de merken Rolex, Longiness, Maurice Lacroix en Tag Heuer (verklaring verdachte, pagina 287).

c. Verdachte voert de financiële administratie van de winkel, zoals het bijhouden van het kasboek, bankboek, debiteuren- en crediteurenboek, doet de inkoop, bereidt de cijfers voor ten behoeve van de jaarrekening van de winkel en vult de aangiften omzetbelasting in aan de hand van de door hem samengestelde financiële administratie. Verdachtes broer [medeverdachte 6] is verantwoordelijk voor de verkoop in de winkel, het personeel en de (loon)administratie daarvan. [Betrokkene 1] is verantwoordelijk voor de reparatieafdeling en de administratie daarvan (verklaring verdachte, dossierpagina 288 en verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 maart 2010).

d. Naar aanleiding van een in 2004 ingesteld boekenonderzoek bij een andere Juwelier is geconstateerd dat dit andere bedrijf deze horloges onder meer verkocht aan personen met Russische namen en adressen. De horloges werden aan deze buitenlandse personen gefactureerd met BTW, doch deze BTW werd later weer teruggevraagd, nadat de facturen waren voorzien van een douanestempel, ten teken van uitvoer van het horloge buiten de Europese Unie. Bij een dergelijke uitvoer is het 0 % BTW-tarief van toepassing (pagina 14).

e. Uit het verdere onderzoek bij die juwelier bleek niet aan de buitenlandse personen te zijn geleverd maar aan [medeverdachte 5], onder meer handelend onder de naam [B] te Rotterdam (pagina 28).

f. Uit verder onderzoek en verhoren van [medeverdachte 5] kwam naar voren dat [medeverdachte 5] op grote schaal handelde in dure horloges. Hij kocht en verkocht horloges van en aan juweliers en particulieren in heel Nederland. Meestal werd op bestelling door dan wel aan [medeverdachte 5] geleverd. [Medeverdachte 5] verklaarde dat hij daarbij horloges van juweliers kocht, daarmee voordoende dat die horloges naar met name Rusland uitgevoerd zouden worden waardoor het 0 % BTW-tarief op die leveringen van toepassing zou zijn. De ter zake door de juweliers opgemaakte facturen waren voorzien van Russische namen en adressen (pagina 31).

g. Uit de vastgelegde tapverslagen over de periode 21 september 2004 tot en met 9 november 2004 kan worden opgemaakt dat [A] regelmatig contacten onderhield met [medeverdachte 5] (pagina 147-151).

h. [Medeverdachte 5] verklaart dat hij ook bij [A] horloges kocht en deze op buitenlandse namen liet factureren en de BTW vervolgens terug ontving op de wijze als hiervoor onder f omschreven, (pagina 339). [Medeverdachte 5] verklaart hierover verder onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende (pagina's 340-345):

lk kocht goederen voor derden en liet deze goederen factureren op naam van diverse buitenlandse personen. Ik kreeg fotokopieën van paspoorten die ik op mijn beurt meestal kopieerde en aan de door u genoemde juweliers gaf. Soms gaf ik de kopie rechtstreeks aan de betreffende juwelier. De juweliers zetten hierna de NAW-gegevens die ik doorgaf aan de juwelier op de betreffende factuur. Soms schreef ik de naam op de factuur, soms de juwelier. Het was altijd zo dat ik de goederen met BTW in de winkel afrekende en als ik later de afgestempelde bon terugbracht, ik de BTW weer contant ontving. Ik zou niet weten of ik me bekend heb gemaakt als ondernemer bij [verdachte] maar zij weten gewoon dat ik handelaar ben. Ik kocht privé als 'de handelaar [medeverdachte 5]'. Ik ben tenslotte ook ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Ik kwam regelmatig horloges kopen en daarnaast kocht ik Rolexonderdelen, dus ik kan ervan uitgaan dat zij wisten dat ik handelaar in horloges was. Als ik een horloge kocht bij [verdachte] had ik reeds een kopie paspoort (het hof: van een buitenlandse persoon) bij.

i. Op 23 februari 2005 zijn in de personenauto in gebruik bij [medeverdachte 5], onder meer kopieën van identiteitspapieren aangetroffen van de volgende personen: [betrokkene 2] (geboren [geboortedatum]-1953), [betrokkene 3] (geboren [geboortedatum]-1962), [betrokkene 4] (geboren [geboortedatum]-1958), [betrokkene 5] (geboren [geboortedatum]-1962), [betrokkene 6] (geboren [geboortedatum]-19660) en [betrokkene 7] (geboren [geboortedatum]-1974).

j. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek contra [A] werd onderzoek verricht naar de door [A] gebruikte verkoopbonnen inzake verkooptransacties buiten de Europese Unie (2-AH/09,pagina's 197-200). Daarbij is het onderzoek gericht op transacties die per kas zijn afgewikkeld en betrekking

hebben op verkopen aan personen met een Russisch(e), althans Russisch klinkende, naam en adres (2-AH/08, pagina 190).

k. Uit dit onderzoek blijkt dat in de periode augustus 2004 tot en met februari 2005 onder meer de volgende transacties hebben plaatsgevonden betrekking hebbende op verkopen aan buitenlandse personen:

Schema transacties

l. De administratieve werkwijze van [A] in die gevallen wanneer er sprake is van verkoop van horloges aan [medeverdachte 5] middels een verkoopbon ten name van een persoon met een Russische naam en adres is - kort samengevat - de

volgende:

o Door [A] werd op naam van de buitenlandse persoon een verkoopbon opgemaakt inclusief 19% BTW;

o De verkoopbon werd aan [medeverdachte 5] meegegeven;

o [Medeverdachte 5] betaalde contant;

o [A] bewaarde een doorslag van de verkoopbon, al dan niet voorzien van de naam en adresgegevens van de koper;

o Op de doorslag werden boekingscodes gezet ter verwerking in de administratie;

o [Medeverdachte 5] kwam met een door de douane afgestempelde bon terug bij [A] en claimde de BTW op de factuur terug;

o [A] maakte een nieuwe verkoopbon en crediteerde de verkoop voor het volledige bedrag;

o Op de nieuwe verkoopbon werd hetzelfde artikel wederom gefactureerd, zonder BTW;

o [A] betaalde de BTW uit en behield zowel de originele bon als de doorslag;

o Per saldo werd hierdoor in het dagboek "verkoop MNDBTW' de verkoop tegen 0% BTW geboekt;

o De saldi van het dagboek "verkoop MNDBTW" werden overgenomen op een lijst ter voorbewerking van de aangifte omzetbelasting;

o De cijfers uit deze lijst werden overgenomen op de aangifte omzetbelasting in de daarvoor bestemde rubrieken;

o De verkoop van horloges aan personen met een buitenlandse naam werd op deze manier verwerkt op de aangifte omzetbelasting in de rubriek 3a "Leveringen naar landen buiten de EU (uitvoer)", (pagina 195 en 196 en verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 6] ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 maart 2010)

m. De verkopen van [A] aan [medeverdachte 5] (op naam van Russische personen) werden in eerste instantie verwerkt in de aangifte omzetbelasting onder rubriek 1, sub 1a, binnenlandse leveringen belast met 19%. Wanneer een factuur, voorzien van een douanestempel, werd terugontvangen dan werd vorenstaande boeking terug geboekt en opnieuw geboekt in rubriek 3, sub 3a: leveringen naar landen buiten de EU (uitvoer). Wanneer de verkoop en de retourboeking in dezelfde maand plaatsvonden dan werd de verkoop in de aangifte omzetbelasting direct geboekt in genoemde rubriek 3a. (pagina 117 en 118 en AH-023)

n. Ten aanzien van de bovengenoemde onder k. opgenomen transacties blijkt uit het dossier verder nog van het volgende:

a. In de onder [medeverdachte 5] in beslag genomen agenda staat op de pagina met datum 3 februari 2005 opgenomen: "9.30 [verdachte]" (pagina 595).

b. [Medeverdachte 5] verklaart over de factuur op naam van [betrokkene 8] (20) dat hij het handschrift op de bon herkent als zijn handschrift. Hij kent die [betrokkene 8] en heeft wel eens een kopie van een paspoort van hem gezien (pagina 347). Ook de naam [betrokkene 9] kent hij wel (pagina 348).

c. Over de factuur op naam van [betrokkene 2] op 13 augustus 2004 (1) verklaart [verdachte] dat hij deze bon heeft geschreven en dat zijn broer [medeverdachte 6] de klantgegevens op de bon heeft gezet. [Verdachte] weet niet of aan [betrokkene 2] of [medeverdachte 5] is geleverd (pagina 295).

d. Over de factuur op naam van [betrokkene 3] op 16 augustus 2004 (3) verklaart [verdachte] dat hij deze bon heeft geschreven en dat de klantgegevens door zijn broer [medeverdachte 6] op de factuur zijn geschreven. [Verdachte] weet niet of aan [betrokkene 3] of [medeverdachte 5] is geleverd (pagina 295).

e. Uit een tapgesprek van 28 september 2004 tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] blijkt dat gesproken wordt over een 'Daytona 5900'. [Medeverdachte 6] geeft aan dat het totaal 10 is voor de export. [Medeverdachte 5] belt even later dat ze dicht bij elkaar zitten en dat hij zo even langs komt (tap 07/928, pagina 147).

f. Uit een tapgesprek van 22 oktober 2004 tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] blijkt dat door [medeverdachte 5] wordt gevraagd naar een groene Submarine. [Medeverdachte 5] zal zaterdagmiddag langskomen (tap 07/1022, pagina 149).

o. Op 8 februari 2006 hebben verbalisanten verdachte opgehaald in het winkelpand aan de Lijnbaan te Rotterdam en hem per auto begeleid naar zijn woonadres teneinde aldaar zijn computer op te halen. Tijdens deze autorit heeft verdachte verbalisanten onder meer verteld (pagina 177):

a. dat hij denkt dat het allemaal met [medeverdachte 5] te maken heeft, een jongen die in de vrije handel zit;

b. dat die [medeverdachte 5] regelmatig bij hen in de winkel kwam voor de handel

p. Verdachte heeft ten overstaan van de FIOD-ECD verder onder meer verklaard:

a. dat zijn broer [medeverdachte 6] de onderhandelingen met [medeverdachte 5] doet wat betreft de export. [Medeverdachte 6] heeft de contacten met [medeverdachte 5] en onderhandelt met hem over de prijs (pagina 289).

b. dat de bestellingen van [medeverdachte 5] vervolgens aan verdachte werden doorgegeven (pagina 311).

c. dat de op de verkoopfacturen betrekking hebbende BTW-bedragen werden terugbetaald aan [medeverdachte 5] of werden verrekend met een nieuwe aankoop door [medeverdachte 5] (pagina 292).

d. dat [medeverdachte 5] voor hem 'gewoon een handige jongen is die in alles handelt en bij hun wel bekend is als horlogehandelaar' (pagina 298);

e. dat hij sinds 2003 de aangiften omzetbelasting zelf invult en ondertekent,

q. [Medeverdachte 5] heeft ten overstaan van de FIOD-ECD verder onder meer verklaard dat hij de horloges bij de juweliers contant kocht en beschouwde als zijn inkopen die hij weer doorverkocht (pagina 341)

r. Het winkelpersoneel van [A] is in het kader van het onderhavige onderzoek ook gehoord. Zij verklaren onder meer nog het volgende:

a. [Medeverdachte 5] is een persoon die Rolexen komt kopen in de winkel en meestal wordt geholpen door [medeverdachte 6] (pagina 375).

b. [Medeverdachte 5] kwam regelmatig in de winkel en had altijd contact met [medeverdachte 6]. [Medeverdachte 6] handelde persoonlijk de zaken met [medeverdachte 5] af en [medeverdachte 6] heeft wel eens verteld dat [medeverdachte 5] de horloges doorverkocht (pagina 382).

In aansluiting hierop overweegt het hof het volgende.

E.2.

Gelet op de namen op de aangetroffen kopieën van paspoorten in de auto van [medeverdachte 5] (i.), de namen op de verkoopbonnen die zijn aangetroffen in de administratie bij [A] (overzicht onder k.) en de omstandigheid dat die namen grotendeels overeenkomen met de namen op deze kopieën van paspoorten, alsmede gelet op de verklaringen van [medeverdachte 5] en [verdachte] (vide sub n., o., p.) stelt het hof vast dat de onder k. weergegeven leveringen, allen feitelijke leveringen betreffen door [A] aan [medeverdachte 5] op naam van een buitenlandse persoon.

E.3.1.

In gevolge artikel 24 lid 2 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 ( hierna: Wet OB) juncto artikel 23a, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking Omzetbelasting 1968 (hierna: de Beschikking) kan een ondernemer in afwijking van de hoofdregel, het 0 % BTW tarief toepassen in geval hij goederen levert aan een natuurlijk persoon, die zijn normale verblijfplaats heeft in een land buiten de EU en die anders dan als ondernemer, deze goederen uiterlijk het einde van de derde maand na de maand van aankoop bij het verlaten van Nederland in zijn persoonlijke bagage meevoert naar een derde-land, hetzij rechtstreeks hetzij via één of meer andere lidstaten.

E.3.2.

Nu [medeverdachte 5] zelf niet als een persoon kan worden aangemerkt die zijn normale verblijfplaats heeft buiten de EU, zoals bedoeld in de Beschikking, mochten V.O.F. [A]/verdachte in beginsel niet gebruik maken van het, van de hoofdregel afwijkende, 0% BTW tarief.

E.4.1.

Verdachte stelt voorts dat de door [A] verrichtte verkopen van horloges aan [medeverdachte 5] zijn gedaan, waarbij [A]/verdachte kopieën ontving van paspoorten van personen die hun normale verblijfplaats buiten de EU zouden hebben. Vervolgens werden de facturen op naam van die personen opgemaakt.

E.4.2.

Ofschoon het uitgangspunt van de wettelijke regeling is dat de natuurlijk persoon zelf de aankoop doet van de goederen, die hij in zijn persoonlijke bagage meevoert naar een derde-land, sluit de tekst van de Wet en de Beschikking niet uit dat de natuurlijk persoon daarbij vertegenwoordigd wordt, mits deze vervolgens de goederen conform de voorwaarden in zijn persoonlijke bagage buiten de EU voert.

E.4.3.

Uit het betreffende onder k. opgenomen overzicht blijkt dat in de periode augustus 2004 tot en met februari 2005 20 leveringen door [A] aan [medeverdachte 5] hebben plaatsgevonden op naam van slechts enkele buitenlandse particulieren. Zo wordt in augustus 2004 (binnen een tijdsbestek van 4 dagen) op naam van twee Russische personen vier keer een exclusief horloge geleverd aan [medeverdachte 5] en vinden er in september en oktober zeven leveringen van exclusieve horloges plaats, waaronder vier maal op naam van dezelfde Rus op wiens naam in augustus al twee maal was gefactureerd. In december wordt zelfs 7 maal een horloge aan [medeverdachte 5] geleverd, waaronder drie maal op naam van dezelfde persoon op wiens naam in augustus al tweemaal een exclusief en duur horloge was geleverd.

E.4.4.

Het hof is van oordeel dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 5] horloges kocht voor de personen, zoals vermeld op de bedoelde facturen. Tijdens het opsporingsonderzoek noch daarna is maar een begin van aannemelijkheid gebleken, omtrent hun betrokkenheid bij de aankoop van de horloges. Mede gelet op de hierboven (E.4.3) geconstateerde frequentie zal het hof de stelling dat [medeverdachte 5] voor deze personen heeft gekocht dan ook terzijde stellen.

Nu het [medeverdachte 5] was die de horloges bestelde en geleverd kreeg en betaalde, moet [medeverdachte 5] als koper van de horloges worden aangemerkt.

E.5.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de facturen valselijk zijn opgemaakt. Uit de voor het bewijs gebezigde verklaringen leidt het hof als vaststaand af dat de goederen werden geleverd aan [medeverdachte 5] en dat [medeverdachte 5] de in de bewezenverklaring genoemde personen niet vertegenwoordigde.

Derhalve hadden de facturen op naam van [medeverdachte 5] moeten worden gesteld.

E.6.

Het hof overweegt ten overvloede dat, gelet op de frequentie waarin telkens een zelfde naam op de onderscheiden aangetroffen facturen werd vermeld en gelet op de betrekkelijk korte periode waarin diezelfde namen telkens op de facturen werden vermeld, ook niet aannemelijk is geworden dat het natuurlijke personen betroffen, die anders dan als ondernemer de goederen bij het verlaten van Nederland in hun persoonlijke bagage mee hebben gevoerd, één en ander zoals bedoeld in artikel 23a van de Beschikking.

E.7.1.

Verdachte heeft daarentegen gesteld dat hij steeds geheel te goeder trouw heeft gehandeld.

E.7.2.

Het hof is van oordeel dat V.O.F. [A] / verdachte onder bovenbedoelde omstandigheden en bij een dergelijke frequentie van leveringen onder vermelding van telkens een zelfde naam een (nadere) onderzoeksplicht had met betrekking tot de hoedanigheid van [medeverdachte 5] als koper van de horloges en met betrekking tot de identiteit en betrokkenheid van die buitenlandse personen, als mogelijke afnemers van de horloges. Door dat onderzoek na te laten heeft de V.O.F. [A] en daarmee verdachte als leidinggevende minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verkoopfacturen op naam van personen werden gesteld die niet werkelijk de kopers van de horloges waren en heeft V.O.F. [A] en daarmee verdachte derhalve valsheid in geschrift gepleegd zoals onder 2 bewezen is verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen contra-indicaties naar voren gekomen welke tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

E.8.1.

Zoals hiervoor onder E.2, E.4.4 en E.6 is overwogen, is het hof van oordeel dat de horloges feitelijk en juridisch werden geleverd aan [medeverdachte 5].

Door onder de genoemde omstandigheden niet een nader onderzoek, zoals hiervoor onder E.7.2 bedoeld, in te stellen heeft verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat over de leveringen aan [medeverdachte 5] (door de omzetbelasting terug te boeken in de aangifte omzetbelasting op de wijze als weergegeven onder m.) ten onrechte het 0% BTW-tarief werd toegepast en aldus dat onjuiste aangiften voor de omzetbelasting werden gedaan.

Of [medeverdachte 5] de horloges vervolgens al dan niet heeft doorgeleverd aan de betreffende buitenlandse personen en de horloges feitelijk ook naar het buitenland zijn vervoerd, doet aan het vorenstaande niet af.

E.8.2.

Het hof leidt uit de gehanteerde bewijsmiddelen af dat op basis van de onder k. genoemde facturen - voor zover thans nog van belang - door [A] terugbetalingen van BTW aan [medeverdachte 5] zijn gedaan in de maanden augustus 2004 en januari en februari 2005.

Uit de aangiften omzetbelasting over de betreffende maanden blijkt dat [A] in ieder geval een bedrag heeft opgegeven als export buiten de EU.

E.8.3.

Gelet op hetgeen onder E.8.1. is overwogen heeft [A] en daarmee verdachte als leidinggevende in de genoemde maanden over de periode augustus 2004 tot en met februari 2005 ten onrechte de facturen waarover omzetbelasting aan [medeverdachte 5] is teruggegeven verwerkt als leveringen naar landen buiten de EU en aldus over die maanden opzettelijk onjuist aangifte omzetbelasting gedaan zoals onder 1. bewezen is verklaard.

E.8.4.

Het hof zal verdachte vrijspreken voor zover het de maand september 2004 betreft, nu het hof op grond van de inhoud van het dossier niet kan vaststellen of in die maand een onterechte BTW-teruggave heeft plaatsgevonden en dus ook niet of in verband daarmee over die maand onjuist aangifte omzetbelasting is gedaan.

Het hof overweegt in het bijzonder nog het volgende.

E.9

V.O.F. [A] is steeds de persoon die aangifteplichtig is voor de omzetbelasting van [A]. Verdachte is als medevennoot en leidinggevende van [A] verantwoordelijk voor het op juiste wijze voeren van de administratie van [A] en het aan de hand daarvan op basis van de juiste bedragen doen van de aangiften omzetbelasting. Het ligt immers op de weg van verdachte om als goed ondernemer oplettend te zijn en te zorgen dat de administratie, in casu in het bijzonder de facturering, in orde is. Daarnaast is medeverdachte [medeverdachte 6] eveneens nauw betrokken bij het voeren van de administratie en het doen van de aangiften omzetbelasting nu hij verantwoordelijk is voor de verkoop in de winkel en het opmaken van verkoopbonnen, en de dagelijkse kas van [A] opmaakt en aanlevert aan verdachte ten behoeve van het verzorgen van de aangiften omzetbelasting.

E.10

Het vorenstaande maakt naar het oordeel van het hof dat [A] de feiten 1., primair, en 2., primair, steeds tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 5] heeft gepleegd en dat verdachte als feitelijk leidinggevende van de onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde feiten dient te worden aangemerkt.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen."

17. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat het opzet van een rechtspersoon zijn grondslag kan vinden in de toerekening van het opzet van een natuurlijke persoon aan de rechtspersoon.(2) Voorts heeft te gelden dat onder omstandigheden het bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans kan zijn gelegen in het achterwege laten van toezicht of onderzoek dat van de verdachte in de omstandigheden van het geval mocht worden verwacht..(3)

18. Het Hof heeft blijkens het bestreden arrest geoordeeld dat V.O.F. [A]/verdachte een (nadere) onderzoeksplicht had met betrekking tot de hoedanigheid van [medeverdachte 5] als koper van de horloges en met betrekking tot de identiteit en betrokkenheid van die buitenlandse personen als mogelijke afnemers van de horloges, en V.O.F. [A] en daarmee verdachte als leidinggevende, door dat onderzoek na te laten minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verkoopfacturen op naam van personen werden gesteld die niet werkelijk de kopers van de horloges waren, en V.O.F. [A] en daarmee verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd (feit 2) c.q. de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat over de leveringen aan [medeverdachte 5] (door de omzetbelasting terug te boeken in de aangifte omzetbelasting op de wijze als weergegeven onder m.) ten onrechte het 0% BTW-tarief werd toegepast en aldus dat onjuiste aangiften voor de omzetbelasting werden gedaan (feit 1).

19. Dat het Hof in beide gevallen een (nadere) onderzoeksverplichting voor de verdachte heeft aangenomen acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de door het Hof in dat verband vastgestelde omstandigheden inhouden dat in een periode van zeven maanden twintig leveringen door V.O.F. [A] aan [medeverdachte 5] hebben plaatsgevonden op naam van slechts zeven particulieren, waaronder in augustus 2004 in een tijdsbestek van vier dagen vier leveringen op naam van slechts twee Russische personen ([betrokkene 2] en [betrokkene 3]), in september en oktober 2004 zeven leveringen, waarvan vier leveringen op naam van eerdergenoemde [betrokkene 2], en in december 2004 zeven leveringen, waaronder tweemaal(4) leveringen op naam van eerdergenoemde [betrokkene 3] (E.4.3). Voorts houden de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen in dat - hoewel het contact met [medeverdachte 5] door de broer van de verdachte ([medeverdachte 6]) plaatsvond - verdachte op de hoogte was van de door [medeverdachte 5] gedane bestellingen, nu deze bestellingen aan hem - als inkoper van de horloges - werden doorgegeven (bewijsm. 16), verdachte, als belast met de financiële administratie van de V.O.F., de van de leveringen opgemaakte facturen onder ogen kreeg, en op basis van die financiële administratie de aangiften omzetbelasting deed (bewijsm. 1), verdachte op de hoogte was van de omstandigheid dat [medeverdachte 5] bij het afhalen van horloges wel eens aangaf welke naam op de factuur moest komen (bewijsm. 1), en [medeverdachte 5] bij de verdachte bekend stond als handelaar in horloges (bewijsm. 14).

20. Hoewel het Hof niet met zoveel woorden overweegt dat het opzet van de verdachte aan V.O.F. [A] kan worden toegerekend, ligt dat in 's Hofs bewijsvoering besloten. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden immers in dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde één van de vennoten van V.O.F. [A] was (bewijsm. 1) en hij verantwoordelijk was voor de inkoop van de horloges en het samenstellen van de financiële administratie van de V.O.F., inhoudende het bijhouden van het kasboek, bankboek, debiteuren-en crediteurenboek. Het onmiskenbare oordeel van het Hof dat het opzet van de verdachte, gelet op diens positie en functioneren binnen V.O.F. [A], aan genoemde B.V. kan worden toegerekend geeft gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

21. Het middel faalt.

22. Het vierde middel stuit af op de omstandigheid dat het Hof de tenlastelegging kennelijk niet zo heeft verstaan dat sprake is van (verkoop)facturen in de zin van de Wet op de omzetbelasting. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag.

23. Het middel faalt.

24. Het vijfde en het zesde middel stuiten af op de omstandigheid dat het Hof het aangevoerde kennelijk niet heeft opgevat als uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in de zin van art. 359, tweede lid, Sv, en die kennelijke oordelen - gelet op hetgeen is aangevoerd - niet blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk zijn.

25. De middelen falen.

26. Het zevende middel komt op tegen de strafoplegging.

27. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

"13. Op te leggen straf

G.1.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van een geldboete passend en geboden. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere stafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de mate waarin het bewezen verklaarde heeft geleid tot nadeel voor de maatschappij.

G.2.

Met betrekking tot de op te leggen straf overweegt het hof in het bijzonder nog het volgende.

De gepleegde fraude is gedurende een relatief korte periode onderdeel geweest van het bedrijfsproces binnen [A] en na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden is inmiddels geruime tijd verstreken.

Verdachte is ter zake (soortgelijke) strafbare feiten nog niet eerder veroordeeld en de door het hof bewezen verklaarde feiten zijn bovendien van een geheel andere omvang dan waarvan het openbaar ministerie is uitgegaan bij de aanvang van het opsporingsonderzoek naar de door verdachte gepleegde fraude.

Het hof neemt in zijn overwegingen mee dat wanneer de uiteindelijke omvang van de door verdachte gepleegde fraude, zoals deze blijkt uit de bewezenverklaring, bij aanvang van het onderzoek bekend was geweest, dit wellicht niet had geresulteerd in een strafrechtelijke vervolging van verdachte.

G.3.

Gelet op het vorenstaande heeft het hof de hoogte van de aan verdachte op te leggen geldboete bepaald op grond van de hoogte van de boete die aan verdachte zou zijn opgelegd in geval de onderhavige fraude middels een administratieve procedure zou zijn afgedaan. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat verdachte niet alleen ter zake het plegen van belastingfraude zal worden veroordeeld maar ook ter zake het plegen van valsheid in geschrift. Het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer mag worden gesteld in de echtheid van facturen als de onderhavige is daarmee aanzienlijk verstoord.

G.4.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken

G.5.

Met oplegging van daarnaast een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

(...)

BESLISSING

(...)

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 7.500,00 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 (twee en zeventig) dagen hechtenis.

Bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot EUR 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van EUR 50,00 (vijftig) euro per dag."

28. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat noch uit de beslissing noch uit de strafmotivering kan volgen wat de hoogte is van het geldboetebedrag dat het Hof de verdachte heeft willen opleggen.

29. Het middel klaagt terecht dat de strafoplegging onduidelijk is wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete. Dit verzuim dient tot cassatie te leiden, nu de aan de beslissing gegeven motivering geen uitsluitsel geeft omtrent de door het Hof beoogde hoogte van de geldboete.(5)

30. Het middel slaagt.

31. Het achtste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

32. Het cassatieberoep is ingesteld op 1 oktober 2010. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 14 oktober 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn vestreken na het instellen van het cassatieberoep. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Het middel kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.(6)

33. Het tweede, vierde, vijfde en zesde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

34. Ambtshalve heb ik - afgezien van hetgeen ik hiervoor onder 32 over de termijn van afdoening in cassatie heb opgemerkt - geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In het dictum van het bestreden arrest staat achter geldboete van € 7.500,00 "(tienduizend euro)" vermeld. Zie hieromtrent middel 7.

2 Zie Kamerstukken II 1975-1976, 13 655, nr. 3, p. 14 en 19 en voorts o.a. J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2012, vijfde druk, p. 267-268, A.L.J. van Strien, De rechtspersoon in het strafproces, Een onderzoek naar de procesrechtelijke aspecten van de strafbaarheid van rechtspersonen, diss. Leiden 1996, p. 102-110, R.A. Torringa, Strafbaarheid van rechtspersonen, Gouda Quint B.V. Arnhem 1984, p. 97-102, HR 7 februari 1984, NJ 1984, 527, HR 22 september 1987, NJ 1988, 381, HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 109, en HR 29 april 2008, LJN BB8977.

3 Vgl. HR 17 januari 2011, LJN BU4211 (voorwaardelijk opzet op valse identiteitspapieren in administratie door iedere voorzorgsmaatregel achterwege te laten) en HR 5 juli 2011, LJN BQ6140, NJ 2011, 327 (voorwaardelijk opzet op invoer cocaïne door achterwege laten van ieder onderzoek naar inhoud koffer).

4 Het Hof overweegt kennelijk per abuis - gelet op het schema zoals weergegeven onder punt k - dat het driemaal de naam [betrokkene 3] betrof.

5 Vgl. HR 22 november 2011, LJN BS1722.

6 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.5.3.