Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY1382

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2012
Datum publicatie
26-10-2012
Zaaknummer
12/00502
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY1382
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Overeenkomst van geldlening? Bewijs. Bewijslastverdeling. Betwisting ondertekening akte. Passeren bewijsaanbod. Art. 149, 150, 159 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1343
JWB 2012/504
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/00502

Mr. F.F. Langemeijer

7 september 2012

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

[Verweerder]

1. Deze zaak, over het bewijs van een geldlening, leent zich voor een verkorte conclusie. Eiser tot cassatie heeft van gedaagde betaling gevorderd van € 57.000,-, te vermeerderen met € 20.574,87 aan vervallen bedongen rente (8% per jaar), vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Aan deze vordering heeft hij een overeenkomst van geldlening ten grondslag gelegd zoals weergegeven in een schuldbekentenis gedateerd 13 september 2003, waarin eiser als schuldeiser en waarin gedaagde en [betrokkene 1] als hoofdelijk schuldenaren zijn vermeld. Gedaagde heeft zowel de overeenkomst als de ontvangst van het geld ontkend. Tevens heeft hij betwist de schuldbekentenis te hebben ondertekend; volgens gedaagde woonde hij toen niet in Nederland en zou hij eiser nooit hebben ontmoet.

2. Bij vonnis van 14 oktober 2009 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage de vordering afgewezen, na te hebben gewezen op bijzonderheden in de verklaring die de gemachtigden van eiser en van gedaagde ter comparitie hebben afgelegd. Een onderhandse akte waarvan de ondertekening stellig wordt ontkend, levert volgens de rechtbank geen bewijs op zolang niet vaststaat van wie de ondertekening afkomstig is. Bij gebreke van een bewijsaanbod dienaangaande, kan van de gestelde geldlening niet worden uitgegaan.

3. Op het hoger beroep van eiser heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage, na een tussenarrest van 19 april 2011, bij eindarrest van 4 oktober 2011 het vonnis bekrachtigd.

4. In het - tijdig - daartegen ingestelde cassatieberoep klaagt eiser in middel I over schending van de artikelen 149, 150 en 159 lid 2 Sv (bedoeld zal zijn: het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering(1)) en in middel II over strijdigheid met art. 6 EVRM althans de eisen van een goede procesorde. Blijkens de toelichting in de cassatiedagvaarding zijn de klachten met name gericht tegen het passeren van een in hoger beroep gedaan bewijsaanbod. Tegen gedaagde is in cassatie verstek verleend. Eiser heeft ter rolzitting afgezien van schriftelijke toelichting.

5. De beoordeling van deze klacht wordt in hoge mate gehinderd door het feit dat eiser zonder opgaaf van redenen, ondanks aanhouding en peremptoirstelling ter rolzitting, het procesdossier niet aan de Hoge Raad heeft overgelegd behoudens een afschrift van de genoemde einduitspraken en van de inleidende dagvaarding met bijlagen. Op grond van art. 21 Rv kan de rechter hieruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Voor dit geval betekent deze regel dat in cassatie slechts rekening kan worden gehouden met het bewijsaanbod zoals hiervan blijkt uit het bestreden arrest en de wél aan de Hoge Raad overgelegde gedingstukken.

6. In rov. 4 heeft het hof geconstateerd dat eiser aanbiedt te bewijzen: (i) de betaling van € 57.000,- aan eiser of zijn vertegenwoordiger; (ii) het bestaan van de gestelde overeenkomst van geldlening. Als bewijsmiddelen heeft eiser voorgesteld: een onderzoek naar de echtheid van de onder de schuldbekentenis geplaatste handtekeningen en het horen van een zestal getuigen.

7. Aan het aanbod van getuigenbewijs is het hof in rov. 6 voorbijgegaan op de grond dat eiser tegenover het door gedaagde in eerste aanleg gevoerde verweer (kort gezegd inhoudend dat gedaagde en [betrokkene 1] destijds niet in Nederland woonden en dat het om een stromanconstructie zou gaan) onvoldoende heeft gesteld om tot bewijs te worden toegelaten. Gelet op dat verweer had het volgens het hof op de weg van eiser gelegen om zijn stellingen nader te onderbouwen en toe te lichten de omstandigheden waaronder de gestelde overeenkomst tot stand is gekomen en wat de rol van [betrokkene 2] (de gemachtigde die namens eiser ter comparitie is verschenen) in het geheel was.

8. Deze beslissing levert geen schending van de hoofdregels van bewijslastverdeling (art. 149 en 150 Rv) op, noch strijd met art. 6 EVRM of met de eisen van een goede procesorde. Het middel klaagt niet over een schending van art. 166 lid 1 Rv. Anders dan de toelichting in de cassatiedagvaarding veronderstelt, heeft het hof eiser niet belast met het bewijs van de onjuistheid van een door gedaagde naar voren gebrachte stelling (dat gedaagde en [betrokkene 1] ten tijde van belang niet in Nederland waren en/of "verdachtmakingen" aan het adres van genoemde Oemrawsing). Het hof heeft kennelijk voor ogen dat, nu de door eiser overgelegde fotokopie van een schuldbekentenis geen bewijs oplevert zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is (art. 159 lid 2 Rv), de bewijslast omtrent de gestelde geldlening op eiser rust. Het hof is, gelet op het gevoerde verweer en het verhandelde ter comparitie, van oordeel dat eiser in dit geval niet kon volstaan met het poneren van een gevolgtrekking - dat een overeenkomst van geldlening tot dit bedrag tussen partijen tot stand is gekomen -, maar, naast zijn stelling over de schuldbekentenis, voldoende feiten of omstandigheden had behoren aan te voeren om die gevolgtrekking te rechtvaardigen. Eerst nadat zulke feiten of omstandigheden zouden zijn aangevoerd, zou - bij eventuele betwisting daarvan - in de redenering van het hof een bewijsopdracht ter zake van die feiten of omstandigheden aan de orde komen. Om dezelfde reden faalt ook de klacht over een schending van art. 209 en 210 Rv.

9. Aan het verzoek om een deskundigenonderzoek naar de echtheid van de handtekening is het hof voorbijgegaan om dezelfde reden als hiervoor vermeld. Bovendien wijst het hof erop dat de originele akte niet in het geding is gebracht(2) en dat eiser niet heeft aangeboden dit alsnog te doen (rov. 5). Dit oordeel is niet in strijd met art. 159 lid 2 Rv, noch met art. 6 EVRM of met de eisen van een goede procesorde. De toelichting in de cassatiedagvaarding miskent m.i. dat in de rechtspraak over de regel die thans is neergelegd in art. 159 Rv onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen waarin de echtheid van de handtekening wordt betwist en gevallen waarin (de echtheid van de handtekening niet ter discussie behoeft te staan, maar) het debat gaat over de vraag of na het plaatsen van de handtekening in de tekst van de akte wijzigingen zijn aangebracht. Art. 159 lid 2 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij, tegen welke zij dwingend bewijs zou leveren(3), stellig wordt ontkend(4), geen bewijs oplevert zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Blijkens rov. 5 heeft het hof bij de bewijslastverdeling deze regel toegepast. De klachten falen. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Aan het slot wordt ook nog geklaagd over schending van art. 209 en 210 Rv, met het argument dat gedaagde de genoemde [betrokkene 2] dan maar in vrijwaring had moeten oproepen.

2 Vgl. art. 160 lid 1 Rv.

3 Zie over dit vereiste: art. 157 lid 2 en art. 158 lid 1 Rv.

4 Zie over dit vereiste: HR 28 februari 1997, NJ 1997/330.