Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY0970

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
12/03720
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY0970
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Afwijzing toelatingsverzoek op grond van tienjaarstermijn in artikel 288 lid 2, aanhef en sub d, Fw .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/55
JWB 2012/590

Conclusie

Zaaknummer: 12/03720 (WSNP)

mr. Wuisman

Parketdatum: 19 oktober 2012

CONCLUSIE inzake:

[Verzoeker],

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen.

1. Voorgeschiedenis

1.1 Bij vonnis d.d. 22 mei 2012 heeft de rechtbank te Maastricht het op 10 mei ingediende verzoek van verzoeker tot cassatie om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Dat deed zij op de grond dat op verzoeker tot cassatie in de periode 24 maart 2009 tot en met 4 augustus 2009 de wettelijke schuldsaneringsregeling al van toepassing verklaard is geweest en krachtens artikel 288 lid 2, aanhef en sub d, Fw een nieuw verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling dient te worden afgewezen, indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag van indiening van het verzoek ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest.

1.2 Verzoeker tot cassatie is van het vonnis van de rechtbank in appel gekomen bij het hof te 's-Hertogenbosch. [Verzoeker] heeft in appel onder meer aangevoerd, (i) dat hij voorafgaande aan en gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling in 2009 lijdende was aan een bipolaire stoornis, die bij gebreke van adequate hulp er de oorzaak van was dat hij toen bovenmatige schulden heeft gemaakt, de schuldeisers heeft benadeeld en zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, (ii) dat hij thans hulp krijgt en in behandeling is en ook overigens zijn leven op de rails heeft, (iii) dat hij oprecht gepoogd heeft een regeling in der minne met de schuldeisers te treffen maar tevergeefs en (iv) dat hij anders dan in 2009 thans aan de voorwaarden voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling voldoet en een 'saneringsrijpe schuldenaar' is. Onder deze omstandigheden brengen de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw, hoewel niet rechtstreeks van toepassing, althans de redelijkheid en billijkheid mee dat van de hoofdregel in artikel 288 lid 2, aanhef en sub d, Fw dient te worden afgeweken.

1.3 Bij arrest van 26 juli 2012 heeft het hof het vonnis bekrachtigd. Het hof acht op zichzelf de aanwezigheid van de bipolaire stoornis bij [verzoeker] aangetoond (rov. 3.5.5). Maar de feiten en omstandigheden, die er toe moeten leiden dat vastgesteld kan worden dat [verzoeker] niet valt toe te rekenen dat hij tijdens de looptijd van de schuldsaneringregeling bovenmatig schulden heeft doen laten ontstaan, acht het hof vooralsnog onvoldoende; zo ontbreken de stukken die betrekking hebben op de eerste schuldsaneringszaak (rov. 3.5.3). Verder is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen en saneringsrijp is (rov. 3.5.7).

1.4 Met een op 1 augustus 2012 per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift is [verzoeker] van het arrest in cassatie gekomen. Het beroep is daarmee tijdig ingesteld.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Onder 2 van het cassatiemiddel wordt het oordeel dat de onderbouwing van de feiten en omstandigheden, die er toe moeten leiden dat vastgesteld kan worden dat [verzoeker] niet valt toe te rekenen dat hij tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling bovenmatige schulden heeft laten ontstaan, vooralsnog onvoldoende is - zo ontbreken de stukken die betrekking hebben op de eerste schuldsaneringszaak -, als 'volstrekt' onbegrijpelijk aangemerkt. Immers, zo wordt gesteld, die eerste schuldsaneringszaak is in hoger beroep door hetzelfde hof bij arrest van 20 januari 2010 bekrachtigd en het hof moet dus de stukken van die zaak gekend hebben. Hiermee wordt, zo valt aan te nemen, gedoeld op het feit dat het hof 's-Hertogenbosch bij arrest d.d. 20 januari 2010 het vonnis van de rechtbank inzake het voortijdig beëindigen van de schuldsaneringsregeling, waartoe [verzoeker] eerder was toegelaten, heeft bekrachtigd.

2.2 Bij deze klacht wordt miskend dat het verzoek van [verzoeker] van mei 2012 om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten een nieuwe procedure vormt, waarvan stukken uit de procedures betreffende de eerdere schuldsaneringsregeling niet automatisch weer deel gaan uitmaken. Het is aan [verzoeker] om zijn stellingen te onderbouwen en bijvoorbeeld, indien hij dat opportuun acht, stukken uit de eerdere procedures - voor zoveel nodig - op te vragen en in het geding te brengen. Dat heeft hij om hem moverende redenen niet gedaan De rechter heeft daartoe, mede gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, niet de ruimte.((1))

2.3 Het zojuist besproken oordeel van het hof is aldus te verstaan dat naar het oordeel van het hof de hoofdregel van artikel 288 lid 2, sub d, Fw - binnen tien jaar na een eerdere schuldsaneringsregeling kan niet opnieuw toegang tot een schuldsaneringsregeling worden verkregen - niet buiten toepassing blijft vanwege de aldaar genoemde uitzondering, zijnde het geval uit artikel 350, derde lid, sub d, Fw van voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens het laten ontstaan door de schuldenaar van bovenmatige schulden, maar dan om hem niet toe te rekenen omstandigheden.

2.4 Onder 3 van het cassatiemiddel wordt als onterecht aangemerkt het oordeel van het hof dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen en dus nog niet saneringsrijp is.

2.5 De klacht faalt reeds hierom dat uit het enkele feit - meer wordt niet aangevoerd - dat de advocaat heeft betoogd dat [verzoeker] zoveel begeleiding krijgt dat hij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen, nog niet volgt dat 's hofs oordeel 'onterecht' is, noch indien hieronder moet worden verstaan 'onjuist', noch indien hiermee wordt bedoeld 'onbegrijpelijk'. In verband met dit laatste is nog van belang dat het hof - in cassatie onbestreden - aan het slot van rov. 3.5.6 opmerkt, dat [verzoeker] met betrekking tot zijn psychische problematiek nog een intensief behandeltraject voor de boeg heeft en een lange weg heeft te gaan voor hij uiteindelijk uitbehandeld is. Hiermee geeft het hof aan dat het nog niet voldoende zeker is of de lopende behandelingen inderdaad ook op termijn het resultaat opleveren dat [verzoeker] de situatie onder controle houdt, wat nodig is om de meer jaren vergende schuldsaneringsregeling met succes te kunnen doorlopen.

2.6 Onder 4 van het cassatiemiddel wordt erover geklaagd, zo komt het althans voor, dat het hof heeft miskend dat van de hoofdregel in artikel 288 lid 2, sub d, Fw ook wegens bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken.

2.7 Deze klacht kan reeds niet slagen vanwege het oordeel van het hof dat onder 3 van het cassatiemiddel wordt bestreden. Dat oordeel impliceert dat, ook indien vanwege bijzondere omstandigheden van de hoofdregel in artikel 288 lid 2 sub d Fw zou kunnen worden afgeweken, dat dan in casu toch niet tot toewijzing van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan leiden, omdat [verzoeker] niet 'schuldsaneringsrijp' is. Anders gezegd, de klacht treft reeds wegens gemis aan belang geen doel.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Zie HR 10 augustus 2012, LJN BW5867, NJ 2012, 485 betreffende een alimentatiezaak, waarin de Hoge Raad in rov. 3.3.1 onder meer overweegt: "Met het oog op onder meer het beginsel van hoor en wederhoor dient voor de rechter en voor partijen duidelijk te zijn welke stukken behoren tot de gedingstukken in de desbetreffende procedure. Dit brengt mee dat processtukken die in de ene procedure zijn overgelegd, eerst dan kunnen worden gerekend tot de stukken van het geding in de andere procedure, indien zij in laatstbedoelde procedure in het geding zijn gebracht."