Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY0962

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
12/01242
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY0962
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Vaststelling kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/101
JWB 2013/5

Conclusie

12/01242

Mr. F.F. Langemeijer

19 oktober 2012

Conclusie inzake:

[De vader]

tegen

[De moeder]

1. In deze kinderalimentatiezaak wordt volstaan met een verkorte conclusie. Verzoeker tot cassatie (de vader) is in 1988 gehuwd met gerekestreerde in cassatie (hierna: de moeder). Bij inleidend verzoekschrift heeft de vader verzocht de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen. De moeder heeft zelfstandig verzocht om, onder meer, een bijdrage van de vader in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen ten bedrage van € 150,- per kind per maand.

2. Bij beschikking van 16 december 2010 heeft de rechtbank te Rotterdam de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de drie nog minderjarige kinderen bij de moeder zal zijn. Deze beschikking is op 6 april 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van 8 februari 2011 heeft de rechtbank de door de vader aan de moeder verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding bepaald op € 48,- per kind per maand, met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven. Daarbij is de rechtbank ervan uitgegaan dat de vader een inkomen heeft uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Met een in 2002 door de vader ontvangen ontslagvergoeding van € 40.000,-, waarvan de moeder stelde dat deze gedurende een aantal jaren gedeeltelijk bij het inkomen van de vader moet worden opgeteld, heeft de rechtbank anno 2011 uitdrukkelijk geen rekening meer willen houden.

3. De moeder heeft hoger beroep ingesteld en als nieuwe feiten aangevoerd dat de vader in 2005 een eenmalige uitkering van € 175.000,- met rente heeft ontvangen na een bedrijfsongeval en dat deze uitkering is belegd in onroerend goed in Marokko (waarvan een gedeelte inmiddels weer zou zijn verkocht). Volgens de moeder zou bij de beoordeling van de draagkracht van de vader ook hiermee rekening moeten worden gehouden.

4. Bij beschikking van 7 december 2011 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de kinderalimentatie vernietigd en de bijdrage alsnog bepaald op € 150,- per kind per maand. Het hof stelde vast dat de vader het aan hem overgemaakte bedrag van afgerond € 177.000,- (inclusief rente) heeft opgenomen. Het hof achtte onvoldoende door de vader aannemelijk gemaakt dat hij niet langer de beschikking heeft over het door de moeder gestelde vermogen van (in totaal) € 217.000,-. De stelling van de vader dat de ontvangen bedragen deels zijn uitgegeven aan vakanties en deels in een kluis zijn bewaard en daaruit weggenomen door een broer van de moeder na het openbreken van die kluis, kwam het hof onaannemelijk voor. Het hof wees op de gemotiveerde betwisting daarvan door de moeder, op het ontbreken van een aangifte ter zake van het openbreken van de kluis en op het ontbreken van stukken zoals aangiften Inkomstenbelasting waaruit anders zou kunnen blijken (rov. 10).

5. De vader heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

6. Het middel van cassatie bestrijdt het oordeel van het hof over de draagkracht van de vader, in het bijzonder de beslissing dat de vader geacht moet worden nog steeds de beschikking te hebben over een vermogen van in totaal € 217.000,-. Het middel valt uiteen in drie onderdelen. Ten eerste wordt geklaagd dat het hof een onjuiste, althans onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de overgelegde bankafschriften. Omtrent de opname van het bedrag van € 177.000,- heeft de vader bankafschriften overgelegd. Ondanks deze stukken heeft het hof aangenomen dat de vader nog steeds over het bedrag beschikt. Volgens de klacht had het hof de bewijslast ter zake van de beschikbaarheid van dit bedrag bij de moeder behoren te leggen.

7. Het bestreden oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van stelplicht en bewijslast in zaken over kinderalimentatie. Uit de stellingen van de vader en de overgelegde rekeningafschriften heeft het hof de gevolgtrekking kunnen maken dat aan de vader een bedrag van circa € 177.000,- (uitkering i.v.m. bedrijfsongeval, met vertragingsrente) is overgemaakt en dat de vader dit bedrag van de bank heeft opgenomen. Vervolgens lag het, in de redenering van het hof, op de weg van de vader om aan te geven wat er vervolgens met dat geld is gedaan. Het hof heeft, op gronden die dit oordeel kunnen dragen en voor de lezer niet onbegrijpelijk zijn, de uitleg van de vader hieromtrent (namelijk: deels uitgegeven aan vakanties, voor het overige door de broer van de moeder uit de kluis gehaald) niet aannemelijk geacht. Bij gebreke van een afdoende verklaring over de besteding van het opgenomen bedrag, heeft het hof aannemelijk kunnen achten dat de vader nog steeds de beschikking heeft over dit bedrag althans over het resultaat van de belegging of herbelegging van dit bedrag, al dan niet in de vorm van onroerend goed in Marokko.

8. In het bijzonder wordt geklaagd dat het hof (in rov. 10) zich heeft geschaard achter een ter zitting getoonde foto van een woning in Marokko. Volgens het middel heeft de vader voor deze foto de verklaring gegeven dat partijen ooit een optie hadden genomen op een appartement en neemt dit feit niet weg dat de bewijslast van de stelling dat de vader over onroerend goed in Marokko beschikt op de moeder rust.

9. Ook deze klacht treft geen doel: het bestreden oordeel berust niet enkel op de getoonde foto en zelfs niet op een bewezenverklaring dat de vader over onroerend goed in Marokko beschikt (zie rov. 11). Het bestreden oordeel berust hierop, dat de vader - ook naar zijn eigen stelling - in 2005 de beschikking heeft gekregen over een (door hem bij de bank opgenomen) bedrag van circa € 177.000,-, dat de vader dit feit in eerste aanleg niet heeft opgegeven toen hem om financiële gegevens werd gevraagd en dat hij in hoger beroep geen aannemelijke en met feiten of bescheiden onderbouwde verklaring heeft gegeven voor de besteding van dit opgenomen bedrag.

10. In de derde plaats voert het middel aan dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het (in 2002 ontvangen) bedrag van € 40.000,- bij de moeder liggen. Het hof zou dit hebben miskend, althans om onbegrijpelijke redenen anders hebben geoordeeld. Ook deze klacht faalt. In rov. 8 - in cassatie onbestreden - heeft het hof de verplichting van de vader ingevolge art. 21 Rv vooropgesteld. In de daarop volgende overwegingen heeft het hof duidelijk gemaakt waarom het hof (anders dan de rechtbank) niet heeft willen aannemen dat het genoemde bedrag in 2011 was verbruikt en niet langer ter beschikking van de vader stond. Het stond het hof vrij, aan het niet voldoen door de vader aan zijn verplichtingen ingevolge art. 21 Rv deze gevolgtrekking te verbinden.

11. De slotsom is dat het middel faalt. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.

12. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a.-g