Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BY0092

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
11/05386 W
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY0092
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WOTS-zaak. Afwijzing aanhoudingsverzoek. De Rb heeft het namens veroordeelde primair gevoerde verweer strekkende tot afwijzing van de vordering verworpen en in dat verband o.m. geoordeeld dat het op de weg van veroordeelde had gelegen om dit verweer met feiten en omstandigheden te onderbouwen, hetgeen niet is gebeurd. In het licht hiervan kan de afwijzing van het subsidiaire verzoek strekkende tot aanhouding teneinde door de Nederlandse justitie onderzoek te laten verrichten naar die feiten en omstandigheden, op de grond dat de Rb daartoe geen aanleiding zag, niet anders worden verstaan dan dat de noodzaak van het verzochte niet was gebleken. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent de te dezen toepasselijke maatstaf en is, gelet op de onderbouwing van het verzoek, toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/29

Conclusie

Nr. 11/05386 W

Mr. Aben

Zitting: 18 september 2012

Conclusie inzake:

[Veroordeelde]

1. De rechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 25 november 2011 toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging van de beslissing van het gerechtshof voor West Zweden van 28 oktober 2002, waarbij de veroordeelde wegens "de productie van en handel in harddrugs (amfetaminen)" onder meer is veroordeeld tot verbeurdverklaring van een bedrag van 4.000.000 Zweedse kronen. Voorts heeft de rechtbank verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van genoemde beslissing en aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van 4.000.000 Zweedse kronen - welk bedrag overeenkomt met € 433.519,75 - aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Deze zaak hangt samen met een beklagzaak betreffende de veroordeelde (nr. 11/05385 B), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de veroordeelde heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, aan het door de officier van justitie met meer dan vijf jaren overschrijden van de termijn van veertien dagen voor het doen van een vordering tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging, geen gevolgen heeft verbonden en de officier van justitie ontvankelijk heeft verklaard.

5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Op 2 januari 2003 heeft de Zweedse officier van justitie aan de bevoegde gerechtelijke instantie in Nederland verzocht om overeenkomstig het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven (Witwasverdrag; Trb. 1990, 172) de Zweedse uitspraak betreffende de veroordeelde met betrekking tot de verbeurdverklaring van contant geld, dat de Nederlandse politie in 2000 onder de veroordeelde in beslag heeft genomen, over te nemen.

(ii) Op 17 november 2003 heeft de Zweedse officier van justitie dit (herhaalde) verzoek gericht aan het Nederlandse ministerie van justitie.

(iii) Op 4 juni 2004 heeft de Zweedse officier van justitie het aan het Nederlandse ministerie van justitie gerichte verzoek aangevuld met de van toepassing zijnde Zweedse wettelijke bepalingen.

(iv) Op 14 juli 2004 heeft de Nederlandse minister van justitie het verzoek met een aantal bijbehorende stukken toegezonden naar het internationale rechtshulpcentrum (IRC) in Amsterdam. Daarbij is aan de officier van justitie verzocht om op grond van art. 31a Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) te vorderen dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging van de maatregel in Nederland. Uit een daarop geplaatste stempel kan worden afgeleid dat de officier van justitie die stukken op 19 juli 2004 heeft ontvangen.

(v) Op 3 januari 2006 heeft het Zweedse ministerie van justitie door middel van een schrijven gericht aan het Nederlandse ministerie van justitie - onder verwijzing naar een schriftelijke verklaring van de Zweedse officier van justitie van 11 januari 2006 - bericht dat de (bij een eerdere gelegenheid) toegezonden Zweedse beslissingen als "kopie conform originele exemplaren" kunnen worden aangemerkt. De Nederlandse minister van justitie heeft dit schrijven op 19 april 2006 toegezonden naar het IRC in Amsterdam, alwaar het blijkens een daarop geplaatste stempel op 24 april 2006 is ontvangen.

(vi) Op 12 februari 2007 heeft de Zweedse officier van justitie (nogmaals) afschriften van de beslissingen van de Zweedse rechtbank, het Zweedse gerechtshof en de Zweedse Hoge Raad betreffende de veroordeelde toegezonden naar de Zweedse ambassade in Den Haag. De Zweedse ambassade heeft deze stukken op 21 februari 2007 doorgestuurd naar het IRC in Amsterdam, alwaar de stukken blijkens een daarop geplaatste stempel op 26 februari 2007 zijn ontvangen.

(vii) Op 29 januari 2010 heeft de (Nederlandse) officier van justitie schriftelijk gevorderd dat de rechtbank in Amsterdam verlof zal verlenen tot tenuitvoerlegging van de Zweedse beslissing.

6. Zoals blijkt uit de op de zitting van de rechtbank van 28 oktober 2011 overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouw van de veroordeelde verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, onder meer omdat de in art. 18 WOTS genoemde termijn van twee weken voor het indienen van de vordering tot verlof met 5,5 jaren is overschreden. De raadsvrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd. Hoewel er geen wettelijke sanctie staat op het overschrijden van deze termijn, heeft de wetgever het niet bestaanbaar en voorstelbaar geacht dat die termijn zo drastisch zou worden overschreden. Bovendien betreft het hier een procedure die betrekking heeft op de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen zoals bedoeld in art. 6 EVRM, zodat de veroordeelde het recht heeft dat zijn zaak binnen een redelijke termijn wordt behandeld. Gelet op de duur van de procedure, de grote belangen die er voor de veroordeelde mee gemoeid zijn, het feit dat het geld door het openbaar ministerie zonder wettelijke grondslag is achtergehouden en het feit dat de veroordeelde nooit op de hoogte is gebracht van een art. 552p Sv procedure, betreft het een zo ernstig verzuim dat het openbaar ministerie zijn recht om de vordering nog te doen heeft verwerkt. Ten slotte zijn er in een zaak als deze geen andere mogelijkheden om dit verzuim te compenseren.

7. De rechtbank heeft in reactie op dit verweer onder het hoofd "ontvankelijkheid van de officier van justitie" geoordeeld dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vordering. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. Aan de verdediging dient te worden toegegeven dat de termijn van art. 18 WOTS door de officier van justitie ruim is overschreden. Het verweer treft echter geen doel, nu op overschrijding van deze termijn door de wet geen sanctie is gesteld en de veroordeelde ook overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zodanig in zijn belangen is geschaad dat desalniettemin tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie moet worden overgegaan.

8. Art. 18, eerste lid, WOTS luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"De officier van justitie vordert binnen twee weken na de dag waarop hij de in artikel 15 (...) bedoelde stukken heeft ontvangen, schriftelijk, dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging."

9. De memorie van toelichting(1) bij de WOTS houdt met betrekking tot de termijn van art. 18, eerste lid, WOTS het volgende in:

"Artikelen 18-31.

(...)

Als algemene regel mag worden gesteld dat uitleveringszaken wat spoedeisender zijn dan executiezaken. In het laatste geval is de betrokkene immers reeds berecht en heeft de staat van veroordeling bewust de verdere afhandeling van de tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie aan de andere staat overgelaten. Dat verklaart dat de officier van justitie niet op zo'n korte termijn behoeft te worden gesteld met het indienen van zijn vordering na ontvangst van de officiele stukken als in de Uitleveringswet. In plaats van 3 dagen (artikel 23 Uitleveringswet) is gekozen voor een termijn van 14 dagen (artikel 18). Overigens staat op overschrijding van deze termijn, net als op die van de Uitleveringswet, geen sanctie."

10. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen heeft de rechtbank vastgesteld dat de termijn van twee weken(2) als bedoeld in art. 18, eerste lid, WOTS in ruime mate is overschreden en voorts geoordeeld dat deze overschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, nu op overschrijding van deze termijn door de wet geen sanctie is gesteld en de veroordeelde ook overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zodanig in zijn belangen is geschaad dat tot niet-ontvankelijkverklaring moet worden overgegaan. Gelet op de hiervoor onder 9 weergegeven wetsgeschiedenis van de WOTS geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Aldus heeft de rechtbank het dienaangaande gevoerde verweer verworpen op gronden die de verwerping kunnen dragen en de officier van justitie (in zoverre) terecht en voldoende gemotiveerd ontvankelijk verklaard.(3)

11. Voor zover in de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de rechtbank bij de vaststelling van de betalingsverplichting in zeer aanzienlijke mate een vermindering had moeten toepassen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, miskent de steller van het middel dat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie naar voren kan worden gebracht. De beoordeling daarvan vergt immers een onderzoek van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is, terwijl uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 28 oktober 2011 en uit de op die zitting overgelegde pleitnota niet blijkt dat het verweer is gevoerd dat de op te leggen betalingsverplichting dient te worden verminderd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De overschrijding van de redelijke termijn is door de raadsvrouw van de veroordeelde immers enkel betrokken als omstandigheid in het kader van het door haar gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer, terwijl zij ten aanzien van die overschrijding geen zelfstandig strafmaatverweer heeft gevoerd.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte, althans onbegrijpelijk, heeft geoordeeld dat de stukken genoegzaam zijn, nu zich bij die stukken niet bevindt een ingevolge art. 27, derde lid onder a sub i, in verbinding met art. 13, eerste lid onder a, Witwasverdrag voorgeschreven "voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot confiscatie gegeven door een rechter van de verzoekende partij" en namens de veroordeelde is geklaagd over de vaagheid van de stukken en is gewezen op het feit dat zich slechts verschillende versies van delen van de uitspraak van het Zweedse gerechtshof bij de stukken bevonden.

14. Blijkens haar pleitnota heeft de raadsvrouw van de veroordeelde onder het hoofd "inhoudelijk" betoogd dat de vordering dient te worden afgewezen. De raadsvrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd. De stukken die aan de vordering ten grondslag liggen zijn vaag, nu er verschillende versies van de beslissing van het Zweedse gerechtshof in het dossier zitten en er van de beslissing die lijkt te zijn vertaald door een beëdigde vertaalster maar een paar pagina's in het dossier zitten. Voorts kan de rechtbank niet zonder informatie over de vraag of en in hoeverre medeveroordeelde [betrokkene 1] heeft voldaan aan de - uit de beslissing van het Zweedse gerechtshof blijkende - hoofdelijke verplichting tot betaling van het bedrag, nu de rechtbank niet kan omzetten voor een hoger bedrag dan het bedrag dat nog resteert. Door het gebrek aan informatie kan de rechtbank niet beslissen op de vordering, aangezien gelet op het tijdsverloop sinds het laatste rechtshulpverzoek van Zweden niet is uit sluiten dat confiscatie deels al heeft plaatsgevonden bij [betrokkene 1] of bij de veroordeelde. Daarbij is van belang dat [betrokkene 1] inmiddels failliet is verklaard. Bovendien hangen de zaken van [betrokkene 1] en de veroordeelde zo samen dat de rechtbank niet conform de wettelijke bepalingen kan beslissen, als zij niet weet hoe de confiscatie bij [betrokkene 1] is verlopen.

Daarnaast heeft de raadsvrouw blijkens het proces-verbaal van de zitting van 28 oktober 2011 - naar aanleiding van de vraag van de oudste rechter of haar verzoek om uit te zoeken of [betrokkene 1] al (een gedeelte) van het bedrag heeft voldaan, een verzoek om aanhouding is - medegedeeld dat zij primair verzoekt om afwijzing van de vordering en subsidiair om aanhouding.

15. De rechtbank heeft in reactie op dit verweer, voor zover betrekking hebbende op de stelling dat de stukken die aan de vordering ten grondslag liggen onvoldoende duidelijk zijn, onder het hoofd "oordeel van de rechtbank inzake de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging" geoordeeld dat de stukken genoegzaam zijn. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. De omstandigheid dat het dossier niet zo geordend en overzichtelijk is als gebruikelijk, laat onverlet dat het dossier voldoende relevante gegevens bevat om tot een oordeel te kunnen komen inzake de vordering op grond van art. 18 WOTS. Het dossier bevat immers een vertaling door een beëdigde tolk van de relevante passages uit het vonnis van de arrondissementsrechtbank in Göteburg, het arrest van het gerechtshof voor West Zweden en de Zweedse Hoge Raad. Voorts bieden de rechtshulpverzoeken, de aanvullingen daarop en de vertaling van de relevante Zweedse wetsartikelen voldoende informatie om tot een oordeel te kunnen komen.

Daarnaast heeft de rechtbank in reactie op dit verweer, voor zover betrekking hebbende op de stelling dat zij niet over informatie beschikt betreffende de vraag of wellicht al een deel van het bedrag door medeveroordeelde [betrokkene 1] is betaald, geoordeeld dat de omstandigheid dat de veroordeelde en [betrokkene 1] hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling van het bedrag van 4.000.000 Zweedse kronen en dat er geen gegevens beschikbaar zijn over een eventuele betaling van (een deel van) dit bedrag door [betrokkene 1], evenmin leidt tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het op de lijn van de veroordeelde lag om dit verweer te onderbouwen, nu hij intussen al in vrijheid is gesteld en in Zweden woonachtig is, zodat hij gemakkelijk toegang tot de door hem gewenste informatie had kunnen verkrijgen.

Ten slotte heeft de rechtbank in reactie op het verzoek om de zaak aan te houden teneinde te onderzoeken of [betrokkene 1] - al dan niet deels - heeft betaald, geoordeeld dat zij gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen (ten aanzien van het gevoerde verweer) evenmin aanleiding ziet om ingevolge het subsidiaire verzoek de zaak aan te houden.

16. Art. 27 Witwasverdrag betreffende de "inhoud van een verzoek" luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. In elk verzoek om samenwerking ingevolge dit hoofdstuk dient te worden vermeld:

(...)

3. Naast het in het eerste lid genoemde, dient een verzoek uit hoofde van afdeling 4 te omvatten:

a. in geval van artikel 13, eerste lid, letter a,

i. een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot confiscatie gegeven door een rechter van de verzoekende Partij en een uiteenzetting van de gronden waarop de beslissing is gegeven, indien deze niet in de beslissing zelf zijn aangegeven;"

17. Voor zover het middel erover beoogt te klagen dat de rechtbank zou hebben verzuimd te reageren op het verweer dat de stukken niet genoegzaam zijn, mist het middel feitelijke grondslag. Uit de hiervoor onder 15 weergegeven overwegingen van de rechtbank volgt immers dat de rechtbank wel degelijk met redenen omkleed heeft beslist op het in het middel bedoelde verweer en heeft geoordeeld dat de stukken genoegzaam zijn.

18. In die overwegingen ligt als het oordeel van de rechtbank besloten dat het Zweedse verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging een gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot confiscatie afkomstig van de Zweedse rechter omvat en dat aldus is voldaan aan het voorschrift van art. 27, derde lid onder a sub i, Witwasverdrag. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op het navolgende niet onbegrijpelijk. De rechtbank heeft vastgesteld dat het dossier een beëdigde vertaling bevat van (de relevante passages van) de beslissing van de arrondissementsrechtbank in Göteborg, de beslissing van het gerechtshof voor West Zweden en de beslissing van de Zweedse Hoge Raad betreffende de veroordeelde. Bovendien bevinden zich bij de stukken van het geding diverse afschriften in de Nederlandse taal en in de Zweedse taal van voornoemde beslissingen. Daarnaast volgt uit de inhoud van het hiervoor onder 5 sub v weergegeven schrijven van het Zweedse ministerie van justitie van 3 januari 2006 en de daarin genoemde schriftelijke verklaring van de Zweedse officier van justitie van 11 januari 2006 dat de aan de Nederlandse autoriteiten toegezonden Zweedse gerechtelijke beslissingen als "kopie conform originele exemplaren" kunnen worden aangemerkt. Ten slotte blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 28 oktober 2011 en uit de op die zitting overgelegde pleitnota niet dat door de verdediging het verweer is gevoerd dat een gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot verbeurdverklaring van het Zweedse gerechtshof zich niet bij de stukken zou bevinden.(4)

19. Aldus heeft de rechtbank door te overwegen dat het dossier een beëdigde vertaling bevat van (de relevante passages van) de Zweedse beslissingen en dat de rechtshulpverzoeken, de aanvullingen daarop en de vertaling van de relevante Zweedse wetsartikelen voldoende informatie bieden om tot een oordeel te kunnen komen, terecht en op begrijpelijke wijze geoordeeld dat de stukken genoegzaam zijn. Gelet op hetgeen door de raadsvrouw van de veroordeelde is aangevoerd, was de rechtbank niet gehouden tot een nadere motivering. De raadsvrouw heeft in haar pleitnota ten aanzien van de onduidelijkheid van de stukken immers enkel aangevoerd dat de stukken vaag zijn, nu er in het dossier verschillende versies van delen van de uitspraak van het Zweedse gerechtshof zitten en er van de door de beëdigde vertaalster vertaalde beslissing maar een paar pagina's in het dossier zitten.

20. Het middel faalt.

21. Het derde middel behelst de klacht dat de rechtbank het verzoek om aanhouding van de zaak heeft afgewezen zonder te vermelden welke maatstaf bij deze beslissing is aangelegd en de afwijzing van het verzoek ontoereikend heeft gemotiveerd.

22. Het op de zitting van de rechtbank van 28 oktober 2011 subsidiair gedane verzoek van de raadsvrouw van de veroordeelde tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde nader onderzoek te laten doen naar de vraag of en in hoeverre medeveroordeelde [betrokkene 1] heeft voldaan aan de aan hem door het Zweedse gerechtshof hoofdelijk opgelegde verplichting tot betaling van het bedrag van 4.000.000 Zweedse kronen, is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 28, vierde lid, WOTS. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 315, eerste lid, Sv in verbinding met art. 28, vierde lid, WOTS of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.(5)

De rechtbank heeft ter motivering van de afwijzing van het verzoek tot nader onderzoek overwogen, zulks na de verwerping van het verweer dat de rechtbank niet over informatie beschikt betreffende de vraag of wellicht al een deel van het bedrag door medeveroordeelde [betrokkene 1] is betaald, dat zij "evenmin aanleiding [ziet] om ingevolge het subsidiaire verzoek de zaak aan te houden". Aldus heeft de rechtbank een andere dan de hier toepasselijke en dus een onjuiste maatstaf toegepast, aangezien het ontbreken van de noodzaak tot aanhouding volgens jurisprudentie van de Hoge Raad niet besloten ligt in de door de rechtbank toegepaste maatstaf van het ontbreken van enige aanleiding (voor aanhouding).(6)

23. Ik heb me nog afgevraagd of deze zaak aanknopingspunten biedt voor een reddingspoging zoals door de Hoge Raad is ondernomen in enkele eerdere arresten, waarin een verzoek werd afgewezen met hantering van de verkeerde maatstaf.(7) De raadsvrouw van de veroordeelde heeft op de zitting van 28 oktober 2011 immers pas nadat zij door de oudste rechter was gevraagd naar de strekking van het door haar gevoerde verweer, expliciet aangegeven dat zij subsidiair om aanhouding verzoekt, terwijl zij blijkens de door haar overgelegde pleitnota enkel leek te betogen dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen. Voorts was de achtergrond van het aanhoudingsverzoek de enkele stelling dat de rechtbank niet beschikt over informatie over de vraag of wellicht al een deel van het bedrag door de hoofdelijk aansprakelijke medeveroordeelde [betrokkene 1] is betaald. De rechtbank heeft naar aanleiding van het dienaangaande gevoerde verweer geoordeeld dat deze omstandigheid niet tot afwijzing van de vordering leidt, nu het op de lijn van de veroordeelde lag om dit verweer te onderbouwen, aangezien hij al in vrijheid is gesteld en in Zweden woont, zodat hij gemakkelijk toegang tot de door hem gewenste informatie had kunnen krijgen. Het probleem is echter dat de veroordeelde ondanks de gemotiveerde verwerping van voornoemd verweer door de rechtbank en de aarzelende onderbouwing van het verzoek door de raadsvrouw wel degelijk nog een rechtens te respecteren belang heeft bij de uitkomst van het namens hem gedane verzoek, nu inwilliging daarvan had kunnen leiden tot het daarmee beoogde doel. Art. 31a, eerste lid, WOTS bepaalt immers dat het verlof tot tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde sanctie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden beperkt tot de tenuitvoerlegging van de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat, dat in omvang slechts een gedeelte van dat voordeel vertegenwoordigt. Volgens de memorie van toelichting(8) bij de totstandkoming van art. 31a WOTS kan de rechter gebruik maken van deze bevoegdheid tot beperking, wanneer een gedeelte van het bedrag dat met de sanctie is gemoeid reeds in de verzoekende staat of in een derde staat is geïncasseerd of verhaald. In dat geval blijft er in Nederland niet meer dan het restant over om te executeren. Bovendien is bij de oplegging van een ontnemingsmaatregel de omstandigheid dat de betrokkene in de hoofdzaak ter zake van medeplegen is veroordeeld van belang bij de vaststelling van de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting.(9) Daarnaast gaat het naar mijn mening te ver om in het summiere oordeel van de rechtbank in te lezen dat zij geen noodzaak heeft gezien voor toewijzing van het verzoek. Derhalve zie ik geen andere mogelijkheid dan te concluderen tot vernietiging, omdat het middel doel treft.

24. Voor zover het middel erover klaagt dat de rechtbank een verkeerde maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het verzoek, slaagt het.

25. Het derde middel slaagt. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank te Amsterdam teneinde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie Kamerstukken II 1983-1984, 18 129, nr. 1-3, p. 43 (Stb. 1986, 464).

2 Deze termijn is met vijf jaren en bijna zes maanden overschreden, nu de twee-weken-termijn eindigt op 2 augustus 2004 en de vordering pas op 29 januari 2010 is ingediend door de officier van justitie. Hierbij dient te worden aangetekend dat na de ontvangst van de stukken door de officier van justitie op 19 juli 2004 in 2006 en in 2007 nog stukken zijn nagezonden door de Zweedse autoriteiten.

3 Vgl. HR 7 juli 2009, LJN BI0548, NJ 2009/406, rov. 2.

4 Vgl. ten aanzien van de uitleg van het begrip "gewaarmerkt afschrift van het vonnis" als bedoeld in art. 6, tweede lid aanhef en onder a, Verdrag overbrenging gevonniste personen HR 21 januari 2003, LJN AF1576, NJ 2003/185.

5 Zie HR 19 juni 2012, LJN BW8671, rov. 2.3. Vgl. voor de toepasselijke maatstaf in strafzaken bij soortgelijke verzoeken HR 24 januari 2012, LJN BT6467, rov. 3.2 (verzoek tot het houden van een Oslo-confrontatie), HR 19 juni 2007, LJN BA5856, rov. 3.3 (verzoek tot het door een psychiater en/of psycholoog laten opmaken van een rapport omtrent de persoon van de verdachte) en HR 24 mei 2005, LJN AT2971, rov. 4.2 en 4.3 (vordering van de advocaat-generaal strekkende tot aanhouding van de zaak tot het doen van nader onderzoek).

6 Vgl. HR 19 juni 2012, LJN BW8671, rov.2.4, HR 3 april 2007, LJN AZ8395, NJ 2007/212, rov. 3 en HR 12 januari 1999, nr. 108.571 (niet gepubliceerd), rov. 6.

7 Vgl. HR 19 juni 2012, LJN BW8671, rov.2.5 (de gegrondheid van het middel leidt niet tot cassatie, nu inwilliging van het verzoek niet had kunnen leiden tot het daarmee beoogde doel) en HR 24 januari 2012, LJN BT6467, rov. 3.4 (in het oordeel van het hof dat het alsnog laten verrichten van een Oslo-confrontatie niet meer aan de orde is nadat al een foto-confrontatie heeft plaatsgevonden, ligt besloten dat het geen noodzaak heeft gezien voor toewijzing van het verzoek).

8 Zie Kamerstukken II 1990-1991, 22 083, nr. 3, p. 22 (Stb. 1993, 12).

9 De rechtbank heeft de feiten waarvoor de veroordeelde in Zweden is veroordeeld naar Nederlands recht gekwalificeerd als "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod".