Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX9799

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
11/04819
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2456
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX9799
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Betaling van alimentatieverplichtingen; toerekening van betalingen (art. 6:43 BW); passeren aanbod van tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/57
RFR 2013/27
JWB 2012/588

Conclusie

Zaaknr. 11/04819

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 5 oktober 2012

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

In deze partneralimentatiezaak wordt opgekomen tegen het passeren van tegenbewijsaanbiedingen en tegen het oordeel van het hof dat de partneralimentatievordering als meest bezwarende verbintenis dient te worden aangemerkt.

1. Feiten(1) en procesverloop(2)

1.1 Partijen zijn op 30 augustus 1996 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 29 oktober 2004 van de rechtbank te Rotterdam is tussen partijen de scheiding van tafel en bed uitgesproken. Deze is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister op 11 maart 2005.

1.2 Bij laatstgenoemde beschikking is tevens een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw vastgesteld van € 1.000,- per maand. Nadat de man hiertegen hoger beroep had ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage hebben partijen alsnog overeenstemming bereikt over de partneralimentatie. Die overeenstemming hield onder meer het volgende in:

- de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van de datum waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven, te weten 11 maart 2005, werd bepaald op € 500,- netto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

- de verplichting van de man om aan de vrouw alimentatie te verstrekken zou eindigen op 1 april 2008, onder voorwaarde, dat de man alsdan volledig aan zijn alimentatieverplichtingen jegens de vrouw zou hebben voldaan;

- de man zou de netto alimentatie over de eerste twee jaar ad € 12.000,- in april 2005 in twee gelijke termijnen voldoen.

Het hof heeft de tussen partijen bereikte overeenstemming over de eerste twee punten in zijn beschikking van 29 juni 2005 opgenomen.

1.3 De vrouw heeft uit een eerder huwelijk een zoon (geboren in 1984) en een dochter (geboren in 1993). De man heeft uit een eerdere relatie eveneens een zoon.

1.4 In september 2003 heeft de man schriftelijk aan de advocaat van de vrouw onder meer het volgende medegedeeld:

"Ondergetekende heeft duidelijk met uw cliënte afgesproken dat er geen sprake zou zijn van alimentatie omdat,

(...)

c. De afspraak tussen uw cliënte en ondergetekende inhield dat ondergetekende op papier in de echtelijke woning zou blijven wonen, en zodoende zou meehelpen d.m.v. inkomensgegevens en 'borgstelling', zodat de illegaal in Nederland verblijvende zoon, van uw cliënte, de status van 'legaal' zou verkrijgen."

1.5Bij brief van 20 september 2007 heeft de advocaat van de vrouw aan de (toenmalige) advocaat van de man het volgende medegedeeld:

"Wel kan ik reeds thans opmerken, dat tussen cliënte en [de man] problemen zijn gerezen met betrekking tot de door hem betaalde alimentatie na de scheiding van tafel en bed."

1.6 Bij brief van 5 februari 2008 heeft de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man medegedeeld dat de vrouw het bedrag van € 12.000,- (alimentatie eerste twee jaren) niet heeft ontvangen.

1.7 Bij dit geding inleidende dagvaarding van 3 november 2008 heeft de man de vrouw gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart:

- dat hij aan de vrouw een bedrag van € 33.827,95, althans in ieder geval € 18.000,- netto aan partneralimentatie heeft voldaan;

- dat hij aan de vrouw uit diverse hoofde een bedrag van € 33.827, 95, derhalve voor een bedrag van € 15.827,95, althans enig ander lager bedrag, onverschuldigd heeft betaald dan wel dat de vrouw ten laste van de man te haren gunste ongerechtvaardigd is verrijkt.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.8 De rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis van 2 september 2009 afgewezen.

1.9 De man is, onder aanvoering van een grief, van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, en heeft daarbij gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, primair voor recht verklaart dat de man aan de vrouw reeds een bedrag van € 18.000,- aan partneralimentatie heeft voldaan en subsidiair vaststelt welk bedrag de man aan de vrouw ter zake van de partneralimentatie heeft voldaan(3).

De vrouw heeft de grief bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.

1.10 Het hof heeft het vonnis waarvan beroep bij arrest van 12 juli 2011(4) vernietigd en voor recht verklaard dat de man aan de vrouw reeds een bedrag van € 18.000,- aan partneralimentatie heeft voldaan en het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.11 De vrouw heeft tegen dit arrest tijdig(5) beroep in cassatie ingesteld.

De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Beide partijen hebben hun standpunt vervolgens schriftelijk toegelicht.

De vrouw heeft gerepliceerd, waarna de man heeft gedupliceerd.

2. Bespreking van het cassatieberoep

2.1 Het cassatieberoep bevat vijf middelen.

Middel I en II zijn gericht tegen (delen van) rechtsoverweging 23.

Daarin heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat voorshands, behoudens tegenbewijs, vaststaat dat de man het verschuldigde bedrag van € 12.000,- aan alimentatie over de periode van 1 maart 2005 tot 1 maart 2007 heeft voldaan nu de vrouw niet heeft betwist dat haar advocaat schriftelijk aan de advocaat van de man heeft medegedeeld dat de man dit bedrag heeft voldaan, waarmee ervan moet worden uitgegaan dat de vrouw aan de man een kwitantie heeft verleend voor de voldoening van dit bedrag. Dit uitgangspunt wordt in cassatie niet bestreden.

2.2 Vervolgens heeft het hof in de bestreden rechtsoverweging het standpunt van de vrouw weergegeven dat er op neerkomt dat de kwitantie in strijd met de waarheid is verleend, alsmede haar onderbouwing, te weten dat de man druk op haar uitoefende in verband met het verblijf van haar zoon in Nederland.

Naar het gemotiveerde oordeel van het hof is weliswaar aannemelijk dat deze druk op enig moment heeft bestaan, maar is echter ook aannemelijk dat aan deze druk een einde is gekomen, en is ook overigens het standpunt van de vrouw niet overtuigend. Dit brengt het hof tot zijn conclusie dat de vrouw haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, zodat zij, nog los van de vraag of haar bewijsaanbod voldoende gespecificeerd is, niet zal worden toegelaten tot het eerder genoemde tegenbewijs. Het hof stelt op grond hiervan vast dat de man het bedrag van € 12.000,- heeft voldaan.

2.3 Middel I klaagt dat het hof aldus heeft miskend dat geen hoge eisen mogen worden gesteld aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs en dat een dergelijk aanbod niet hoeft te worden onderbouwd en/of gespecificeerd. Middel II klaagt dat het hof met zijn oordeel dat aannemelijk is dat aan genoemde druk een einde is gekomen heeft miskend dat het niet is geoorloofd om te anticiperen op het mogelijke resultaat van het door de vrouw te leveren tegenbewijs. De middelen verwijzen hiervoor naar de in de toelichting opgenomen stellingen van de vrouw in de memorie van antwoord.

2.4 Beide middelen falen omdat ze eraan voorbij zien dat het hof heeft geoordeeld dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan. De rechter kan van een partij - die een aanbod tot tegenbewijs doet - verlangen dat zij tegenover het bewijsmateriaal van de wederpartij voldoende feiten en omstandigheden stelt die tot een ander oordeel kunnen leiden en behoeft een partij die te weinig heeft gesteld in het kader van haar verweer niet toe te laten tot tegenbewijs(6). De stelplicht hangt in het concrete geval ook af van het verweer van de wederpartij, zowel het verweer dat voorafgaand als het verweer dat tijdens de procedure is gevoerd(7).

Het oordeel of een partij aan haar stelplicht heeft voldaan is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. De middelen bevatten m.i. geen motiveringsklacht, althans geen klacht die aan de eisen van art. 407 lid 2 voldoet.

2.5 Hetzelfde geldt voor de, inhoudelijk aan de twee voorgaande identieke, middelen III en IV, die zijn gericht tegen rechtsoverweging 24. Daarin heeft het hof beoordeeld of de man aan zijn alimentatieverplichtingen over de periode van 1 maart 2007 tot 1 maart 2008 heeft voldaan (het betreft totaal een bedrag van € 6.000,-). Na te hebben geconstateerd dat de vrouw niet betwist dat zij de door de man gestelde creditcardbetalingen en -opnames tot een bedrag van € 6.200,- heeft gedaan en dat de door de man genoemde overschrijvingen aan haar hebben plaatsgevonden, heeft het hof de stelling van de vrouw beoordeeld dat de op cashopnames betrekking hebbende creditcardbetalingen niet als betalingen van alimentatie kunnen worden beschouwd omdat ze aan de man zelf ten goede zijn gekomen. Volgens het hof heeft de vrouw op geen enkele wijze onderbouwd om welke bedragen het gaat en passeert het haar stellingen dan ook op dit punt.

2.6 Middel III klaagt dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat geen hoge eisen mogen worden gesteld aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs en dat een dergelijk aanbod niet hoeft te worden onderbouwd en/of gespecificeerd. Gelet op de in de cassatiedagvaarding(8) genoemde stellingen van de vrouw had het hof, aldus het middel, de vrouw moeten toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Middel IV klaagt dat het hof met zijn oordeel - dat het aan de stellingen van de vrouw op dit punt voorbij gaat en als uitgangspunt neemt dat de cashopnamen niet aan de man ten goede zijn gekomen - heeft miskend dat het niet is geoorloofd te anticiperen op het mogelijke resultaat van het door de vrouw te leveren tegenbewijs.

2.7 Ook hier geldt dat het oordeel van het hof niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting nu het hof - feitelijk - heeft geoordeeld dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan en heb ik in de middelen geen (voldoende) motiveringsklacht aangetroffen.

2.8 Middel V is gericht tegen de laatste alinea van rechtsoverweging 25. Ik citeer voor een goed begrip de gehele rechtsoverweging:

"Gelet op de overgelegde stukken en uitgaande van de standpunten van partijen dienen de cashopnames naar het oordeel van het hof te worden beschouwd als betalingen die kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen, zoals bedoeld in artikel 6:43 BW. De man rekent de cashopnames toe aan zijn alimentatieverplichting, terwijl deze volgens de vrouw voortvloeien uit (onder meer) een natuurlijke verbintenis. De man heeft bij de betalingen niet de verbintenis aangewezen op welke hij de betalingen toerekende. Bij gebreke van zodanige aanwijzing geschiedt de toerekening ingevolge het tweede lid van genoemd artikel in de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen. Het geschilpunt betreft de alimentatie vanaf 11 maart 2007 en de betalingen hebben plaatsgevonden in de periode september 2005 tot en met juli 2006. Weliswaar moest de alimentatie vooraf worden betaald, maar de redelijkheid en billijkheid brengen mee dat de alimentatie vanaf 11 maart 2007 niet reeds in 2005 en 2006 opeisbaar kan worden geacht.

Nu de betalingen niet geacht kunnen worden betrekking te hebben op een opeisbare verbintenis, dient de betaling, eveneens op grond van het tweede lid van genoemd artikel, op de meest bezwarende verbintenis te worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof moet de alimentatieverplichting als zodanig worden beschouwd, nu deze in een rechterlijke uitspraak vastligt."

2.9 Het middel klaagt dat het hof met zijn oordeel dat de alimentatieverplichting als de meest bezwarende verbintenis dient te worden beschouwd nu deze vastligt in een rechterlijke uitspraak, een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het begrip "de meest bezwarende verbintenis" door te oordelen dat deze alimentatieverplichting meer bezwarend is voor een schuldeiser dan een dwingende morele verplichting van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt in de zin van art. 6:3 lid 2 sub b BW.

Indien het hof niet is uitgegaan van een te beperkte uitleg van het begrip "meest bezwarende verbintenis" heeft het zijn oordeel volgens het middel niet naar behoren gemotiveerd(9).

2.10 In cassatie wordt niet bestreden dat de cashopnames moeten worden beschouwd als betalingen die kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen als bedoeld in het eerste lid van art. 6:43 BW en dat de man bij de betalingen niet de verbintenis heeft aangewezen op welke hij de betalingen toerekende, zodat het tweede lid van art. 6:43 BW van toepassing is. Volgens de vrouw vloeien de cashopnames voort uit (onder meer) een natuurlijke verbintenis, hetgeen geen opeisbare verbintenis is. Nu evenmin wordt bestreden dat de onderwerpelijke alimentatieverplichting niet opeisbaar is, heeft het hof terecht op de voet van de tweede volzin van het tweede lid van art. 6:43 BW de betalingen toegerekend op de meest bezwarende verbintenis. Het oordeel van het hof geeft mitsdien niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.11 Het oordeel is ook niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Bij de beoordeling in een concrete zaak van de vraag welke de meest bezwarende verbintenis is, zal de rechter moeten onderzoeken bij betaling van welke schuld de schuldenaar het meeste belang heeft. Hierbij zal vaak de hoogte van de rente een beslissende rol spelen, doch ook het feit dat de schuldenaar er belang bij heeft een voor een van de schulden verbonden zaak vrij te krijgen(10). Daarnaast kunnen er ook andere gronden zijn, waarom de ene vordering meer bezwarend is dan de andere, zoals bijvoorbeeld dat vertraging in de betaling tot zwaardere sancties leidt(11).

Met zijn oordeel dat de alimentatieverplichting ten opzichte van de rechtens niet afdwingbare natuurlijke verbintenis, de meest bezwarende verbintenis is nu deze vastligt in een rechterlijke uitspraak heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de man het meeste belang heeft bij voldoening van deze schuld.

2.12 De middelen falen mitsdien.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de door de rb. Rotterdam bij vonnis van 2 september 2009 vermelde feiten, waarvan ook het hof uitgaat (rov. 1 van het bestreden arrest van het hof Den Haag van 12 juli 2011) alsmede de door het hof in de rov. 2-7 van dat arrest vastgestelde feiten.

2 Voor zover thans van belang.

3 Zie rov. 11 van het bestreden arrest.

4 LJN BR2456.

5 De cassatiedagvaarding is op 11 oktober 2011 uitgebracht.

6 HR 14 november 2003, LJN AK4841 (NJ 2005, 269). Zie voor een invulling o.m. HR 24 februari 2006, LJN AU9727 (RvdW 2006, 238); HR 28 januari 2011, LJN BO6016 (RvdW 2011, 172), waarover ook R.H. de Bock, "Kroniek bewijsrecht", TCR 2012/2, p. 67 en HR 17 februari 2012, LJN BU6508 (RvdW 2012, 323). Zie voorts V. van den Brink, "Stellen, betwisten, bewijzen - een handleiding", PP 2008/4, p.92.

7 M.J.A.M. Ahsmann, "Informeren, stellen en bewijzen: hoe is het ermee gesteld?", JBPr 2010/4, p. 368; R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, diss. 2011, p. 20-21.

8 Toelichting onder 1 (a-d) op cassatiemiddel III.

9 Het middel verwijst hiertoe naar de stellingen van de vrouw in de toelichting op het middel onder 1 a en b.

10 Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2011, nr. 261 onder verwijzing naar H.C.F. Schoordijk, Het algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht naar het Nieuw Burgerlijk Wetboek 1979, p. 133 en Parl. Gesch. Inv. Boek 6, Reehuis/Slob, p. 1226.

11 Parl. Gesch. Inv. Boek 6, Reehuis/Slob, p. 1225. Zie over art. 6:43 lid 2 BW ook Parl. Gesch. Boek 6, Van Zeben/Du Pon, p. 179-180; Verbintenissenrecht, Koot, art. 6:43 BW, aant. 3; F.H.J. Mijnssen, Geld in het vermogensrecht, Mon. NBW A 17, nr. 34; M.W. Scheltema, Nakoming, Mon. BW B32a, nr. 24; Schoordijk, a.w., p. 133-134.