Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX9753

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
11/02773
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX9753
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Ruilverkaveling; vergoeding heersend erf wegens opheffing erfdienstbaarheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/50
JWB 2012/601

Conclusie

11/02773

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 5 oktober 2012

CONCLUSIE inzake:

[Eiser],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

tegen:

de Landinrichtingscommissie in de ruilverkaveling "Doniawerstal",

verweerster in cassatie,

advocaten: mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink.

Het gaat in deze ruilverkavelingszaak om de vraag of op de lijst der geldelijke regelingen een vergoeding moet worden opgenomen voor de eigenaar van een heersend erf wegens de opheffing van een aantal ten gunste van dat erf gevestigde erfdienstbaarheden.

1. Procesverloop

1.1 Eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) heeft bij bezwaarschrift van 24 november 2008 bezwaren ingediend tegen de lijst der geldelijke regelingen (hierna ook: "LGR") in de ruilverkaveling "Doniawerstal".

1.2 Na behandeling door verweerster in cassatie (hierna: de Landinrichtingscommissie) hebben op 29 juni 2010 en 11 oktober 2010 mondelinge behandelingen plaatsgevonden ten overstaan van de rechter-commissaris. De resterende bezwaren zijn toen behandeld. Blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal zijn deze bezwaren toen niet opgelost.

1.3 De mondelinge behandeling van de bezwaren door de rechtbank Leeuwarden heeft op 28 januari 2011 plaatsgevonden.

1.4 In haar vonnis van 30 maart 2011 heeft de rechtbank vooropgesteld dat de Landinrichtingswet ("Liw"(1)) is ingetrokken per 1 januari 2007 en vervangen door de Wet inrichting landelijk gebied, doch dat op grond van de overgangsbepaling van art. 95 lid 2 Wet inrichting landelijk gebied de bepalingen van de Liw voor deze ruilverkaveling van toepassing zijn gebleven, nu het gaat om een landinrichtingsproject dat reeds vóór 1 januari 2007 in uitvoering was (rov. 4.1).

1.5 De rechtbank heeft in voornoemd vonnis een vijftal bezwaren van [eiser] geduid. In cassatie is slechts relevant het bezwaar inzake de post 'erfdienstbaarheden'. Dit bezwaar wordt door de rechtbank als volgt weergegeven:

"post erfdienstbaarheden

1.3. [Eiser] had in de inbreng een tweetal erfdienstbaarheden over particuliere kavels en één over land, alles betrof meer dan 5 hectare.

In geval van opheffing van erfdienstbaarheden vindt tussen eigenaren een verrekening plaats. Aangezien [eiser] drie ontsluitingen mist, twee stuks van klasse 6 en één van klasse 2, maakt [eiser] wegens deze opheffing aanspraak op een vergoeding volgens de in het Informatieblad opgenomen tabel van € 22.500,-."

Het standpunt van de Landinrichtingscommissie luidt volgens weergave van de rechtbank als volgt:

"2.5. Voor het opheffen van erfdienstbaarheden wordt nooit een vergoeding gegeven voor zover het het heersend erf betreft. Door de opheffing ondervindt [eiser] geen nadeel. Alleen de eigenaar van het dienende erf moet conform het bepaalde in de brochure een vergoeding betalen."

1.6 Nu de rechtbank wat betreft één van de andere bezwaren, dat zag op de post 'droogteschade en waterbeheersing', nader onderzoek geïndiceerd achtte, heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen opdat partijen zich ter zake konden uitlaten.

1.7 In haar vonnis van 18 mei 2011 heeft de rechtbank op verzoek van de Landinrichtingscommissie uitspraak gedaan in de vier bezwaren van [eiser] die niet van doen hadden met de droogteschadekwestie. Wat betreft de post 'erfdienstbaarheden' heeft de rechtbank het volgende geoordeeld:

"2.1. [Eiser] had in de inbreng een tweetal erfdienstbaarheden over particuliere kavels en één over land, alles betrof meer dan 5 hectare. Aangezien [eiser] drie ontsluitingen mist, twee stuks van klasse 6 en één van klasse 2, maakt [eiser] wegens deze opheffing aanspraak op een vergoeding volgens de in het Informatieblad opgenomen tabel van € 22.500,--. De rechtbank stelt evenwel met de Landinrichtingscommissie vast dat voor het opheffen van erfdienstbaarheden nooit een vergoeding wordt gegeven voor zover het het heersend erf betreft. Deze erfdienstbaarheden konden immers worden opgeheven omdat in het plan van toedeling in een toereikende ontsluiting van [eiser]'s toedeling kon worden voorzien. Er is dan geen sprake van nadeel zodat er ook geen reden is voor een compensatie van dit gemis op de lijst der geldelijke regelingen. Dit bezwaar dient daarom ongegrond te worden verklaard."

1.8 De rechtbank heeft het bezwaar wat betreft de post 'erfdienstbaarheden' en de overige drie besproken bezwaren ongegrond verklaard en voor het overige iedere verdere beslissing aangehouden.

1.9 [Eiser] heeft tegen het vonnis van 18 mei 2011 tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld.(2) De Landinrichtingscommissie heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [Eiser] heeft nog gerepliceerd.

2. Beoordeling van het cassatieberoep

Ontvankelijkheid

2.1 Het cassatieberoep tegen uitspraken van de rechtbank omtrent geschillen betreffende de lijst der geldelijke regelingen (art. 216, aanhef en onder c, jo 185 lid 3 Liw) is gestoeld op art. 217 lid 2 jo 182 Liw.(3)

2.2 In de thans in cassatie bestreden uitspraak heeft de rechtbank vier van de vijf bezwaren (waaronder het bezwaar betreffende de post 'erfdienstbaarheden') ongegrond verklaard en voor het overige (ter zake de post 'droogteschade') iedere beslissing aangehouden. De rechtbank heeft dus nog niet omtrent alle bezwaren beslist.

2.3 Eerder is door A-G Moltmaker(4) betoogd dat geen cassatieberoep mogelijk is tegen tussenvonnissen waarbij slechts op bepaalde bezwaren wordt beslist. Naar zijn opvatting zal zolang de procedure over andere bezwaren van dezelfde belanghebbende nog loopt, beroep in cassatie moeten wachten tot het eindvonnis is gewezen. Hij baseert dit standpunt op art. 217 lid 1 Liw, krachtens welke bepaling de rechtbank, nadat zij omtrent alle geschillen betreffende de LGR heeft beslist, die lijst sluit. Hieruit zou volgen dat beroep in cassatie slechts mogelijk is van vonnissen waarin de lijst ten aanzien van reclamant definitief - dat wil zeggen: ten aanzien van al diens bezwaren - wordt vastgesteld.

2.4 Ik vermag evenbedoeld verband tussen de beschikking tot sluiting van de LGR (art. 217 lid 1 Liw) en het cassatieberoep tegen deelvonnissen op de voet van art. 217 lid 2 Liw echter niet in te zien. De sluitingsbeschikking veronderstelt dat door de rechtbank op alle geschillen - van alle reclamanten - is beslist(5); niet terzake doet of dit (per reclamant) in één vonnis dan wel in meerdere achtereenvolgende vonnissen is geschied. De sluitingsbeschikking kan worden gegeven hangende het eventuele cassatieberoep van een of meer onderliggende vonnissen(6); de geldelijke gevolgen van cassatie blijven buiten bezwaar van de LGR (art. 217 lid 3 Liw).(7)

2.5 Mij komt het voor dat hier veeleer een parallel kan worden getrokken met de jurisprudentie van Uw Raad betreffende het cassatieberoep in het - aan het ruilverkavelingsrecht op vele punten verwante(8) - onteigeningsrecht. Volgens vaste jurisprudentie staat het in art. 52 Onteigeningswet bedoelde cassatieberoep van een rechtbankvonnis betreffende de schadeloosstelling alleen open tegen een eindvonnis.(9) Uw Raad heeft in een reeks van arresten cassatieberoepen ontvankelijk geacht tegen vonnissen waarin de schadeloosstelling nog slechts gedeeltelijk werd vastgesteld(10), zulks op grond van de overweging dat het gaat om een deelvonnis dat is aan te merken als een eindvonnis voor zover de rechtbank door een uitdrukkelijk dictum een einde heeft gemaakt aan het geding omtrent enig deel van de toe te kennen schadeloosstelling.(11)

Ook in het onderhavige geval is sprake van een eindvonnis voor zover de rechtbank vier van de vijf bezwaren tegen de LGR in een uitdrukkelijk dictum ongegrond heeft verklaard. Ik meen dat [eiser] ontvankelijk is in zijn daartegen gerichte cassatieberoep. Steun daarvoor lijkt te kunnen worden ontleend aan het arrest van Uw Raad van 18 september 2009(12), waarin het cassatieberoep tegen een gedeeltelijk eindvonnis inzake de LGR met toepassing van art. 81 RO werd verworpen.(13)

De cassatieklachten

2.6 Het middel richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 2.1 voor zover de rechtbank daarin oordeelt:

"2.1 (...) De rechtbank stelt evenwel met de Landinrichtingscommissie vast dat voor het opheffen van erfdienstbaarheden nooit een vergoeding wordt gegeven voor zover het het heersend erf betreft. Deze erfdienstbaarheden konden immers worden opgeheven omdat in het plan van toedeling in een toereikende ontsluiting van [eiser]'s toedeling kon worden voorzien. Er is dan geen sprake van nadeel zodat er ook geen reden is voor een compensatie van dit gemis op de lijst der geldelijke regelingen. Dit bezwaar dient daarom ongegrond te worden verklaard."

Het middel valt uiteen in vier klachten, door mij hierna aangeduid als de onderdelen 1 tot en met 4.

2.7 Volgens onderdeel 1 getuigt het uitgangspunt van de rechtbank dat "voor het opheffen van erfdienstbaarheden nooit een vergoeding wordt gegeven voor zover het het heersend erf betreft" van een onjuiste rechtsopvatting. Onder verwijzing naar het arrest van Uw Raad van 20 september 2002 (LJN: AE7843, NJ 2002, 554) betoogt het middel dat (ook) voor het vervallen van een erfdienstbaarheid ten gunste van een heersend erf een vergoeding moet worden betaald, waarbij overigens geldt dat die vergoeding in geld of in natura kan geschieden.

2.8 Onderdeel 2 klaagt dat, indien de rechtbank wel is uitgegaan van de evenbedoelde (juiste) rechtsopvatting en in rov. 2.1. van oordeel is dat een geldelijke vergoeding voor [eiser] niet aan de orde is omdat compensatie in natura heeft plaatsgevonden, dat oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is. De enkele door de rechtbank genoemde "toereikende ontsluiting" maakt dit volgens de klacht niet anders. Onduidelijk, althans onbeoordeeld is bijvoorbeeld of [eiser] voor die ontsluiting heeft betaald, wat de aard van die ontsluiting is en in hoeverre die ontsluiting het nadeel van het vervallen van de drie erfdienstbaarheden (geheel) compenseert. Er staat niet vast - en uit het vonnis blijkt niet - dat een (volledige) compensatie in natura heeft plaatsgevonden. Een partijdebat over die compensatie is overigens niet gevoerd, aldus het onderdeel.

2.9 Met onderdeel 3 wordt geklaagd dat ook indien rov. 2.1 op een andere wijze moet worden gelezen, die overweging onbegrijpelijk is. Daartoe stelt de klacht dat het enkele feit dat een erfdienstbaarheid pas kan worden opgeheven als in een andere "toereikende ontsluiting" is voorzien, niet zonder meer maakt dat "dan" geen sprake is van nadeel. Om die conclusie te kunnen trekken had de rechtbank ten minste nader moeten onderzoeken, althans motiveren in hoeverre in dit geval die "toereikende ontsluiting" het nadeel van het vervallen van drie met een erfdienstbaarheid gewaarborgde ontsluitingen (geheel) compenseert. Dat heeft de rechtbank nagelaten. Een partijdebat is hierover niet gevoerd, aldus het onderdeel.

2.10 Onderdeel 4 berust op de lezing dat de rechtbank (impliciet) aansluiting heeft willen zoeken bij het standpunt van de Landinrichtingscommissie(14) dat uit p. 17 van de overgelegde brochure blijkt dat enkel de eigenaar van het dienende erf moet verrekenen. De klacht strekt tot betoog dat uit p. 17 van de brochure in het geheel niet blijkt dat de eigenaar van een heersend erf geen aanspraak zou hebben op een vergoeding bij verval van erfdienstbaarheden ten gunste van dat erf, zodat het oordeel van de rechtbank ook in dat opzicht onjuist, althans onbegrijpelijk is.

2.11 Het lijkt mij dienstig om, alvorens de klachten te bespreken, voor een goed begrip van de zaak en het partijdebat eerst enkele opmerkingen te maken over de te dezen toepasselijke regelingen.

Inleiding; toepasselijke regelingen

2.12 Art. 210 lid 3 Liw bepaalt dat bij regeling van de Minister nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de tweede schatting als bedoeld in Titel 9 Liw wordt verricht.(15) In de ter uitvoering van die bepaling bij besluit van 22 juni 2004 (Stct. 2004, nr. 118, p. 24) vastgestelde Regeling herverkaveling is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 23

1. Bij de lijst der geldelijke regelingen kunnen verrekenposten worden opgenomen tussen hetzij de bij het plan van toedeling betrokken eigenaren onderling hetzij de gezamenlijkheid van eigenaren en de individuele eigenaar, die betrokken is bij het plan van toedeling.

2. De verrekenposten, bedoeld in het eerste lid, kunnen betreffen:

(...)

b. de regeling en opheffing van beperkte rechten, huren, lasten en renten, bedoeld in artikel 160, eerste lid, van de wet;

c. de vestiging van beperkte rechten, bedoeld in artikel 160, tweede lid, van de wet;

(...)"

2.13 In art. 25 van de Regeling herverkaveling is voorts bepaald dat de Minister per blok nadere regels vaststelt voor de tweede schatting overeenkomstig het bij de Regeling opgenomen model. Ter uitvoering van die bepaling heeft de Minister bij besluit van 2 april 2008 (Stct. 2008, nr. 70 p. 11) vastgesteld de Nadere regels per blok betreffende de tweede schatting voor de ruilverkaveling 'Doniawerstal' (opgenomen als Bijlage 2yy bij de Regeling Herverkaveling). In die Nadere regels is onder meer bepaald:

"D. (Verrekenposten)

De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de regeling, worden als volgt geschat:

(...)

c. het opheffen van erfdienstbaarheden op € 1.250,-, € 2.500,-, € 3.750,-, € 5.000,-, € 7.500,-, € 10.000,-, € 12.500 of € 15.000,- per geval.

Het bedrag voor vestigen van erfdienstbaarheden wordt verkregen door de hierboven genoemde bedragen te vermenigvuldigen met een factor 2;

(...)"

In deze nadere regeling zoals zij is gepubliceerd wordt niet aangegeven bij welke gevallen de respectieve bedragen horen.

2.14 Onder 2.11 van haar schriftelijke toelichting verwijst de Landinrichtingscommissie naar 'Aanwijzingen en gegevens behorende bij de vaststelling van nadere regels per blok betreffende de tweede schatting, als bedoeld in artikel 210 Liw' ("de Aanwijzingen"). Daarbij merkt de Landinrichtingscommissie op dat de Aanwijzingen tot de gedingstukken behoren, doch zij licht dit niet toe. In het door de Landinrichtingscommissie overgelegde procesdossier zijn de Aanwijzingen met een paperclip gehecht aan het (tot de processtukken behorende(16)) proces-verbaal van behandeling van de bezwaren tegen de LGR, gehouden op 29 juni 2010 ten overstaan van de rechter-commissaris. Uit het proces-verbaal blijkt echter niet dat de Aanwijzingen daar een onderdeel van uitmaken.

De Aanwijzingen zijn, als ik het goed zie, niet gepubliceerd, noch als bijlage bij de Nadere regels, noch anderszins.(17) In de feitelijke instanties heeft geen van partijen er met zoveel woorden een beroep op gedaan. Mijn inziens brengt dit met zich dat in cassatie niet ambtshalve kan worden getoetst aan de Aanwijzingen.(18) Omdat de Aanwijzingen licht kunnen werpen op het geschil tussen partijen, lijkt me het toch goed daar kort aandacht aan te besteden.

2.15 Op p. 8-9 van de Aanwijzingen is het volgende vermeld:

"D. Verrekenposten

(...)

De verrekenposten worden als volgt toegepast:

(...)

f. Erfdienstbaarheden

Opheffen van erfdienstbaarheden en vestigen van erfdienstbaarheden

Indien een erfdienstbaarheid over een erf, behorende bij een bedrijfsgebouw of woning, of over land is opgeheven, vindt een verrekening plaats met de gezamenlijk rechthebbenden.

Bij vestiging van erfdienstbaarheden of bij handhaving van een bestaande, waarbij de eigenaar van het dienende erf nieuw is, vindt eveneens verrekening plaats.

De indeling is in 8 klasssen (1 t/m 8) oplopend van kavels met een relatief gering bezwaar van overpad tot kavels met een groot bezwaar van overpad. Bij de bepaling van het schattingsbedrag is de zwaarte van de erfdienstbaarheid bepalend. Die zwaarte wordt op haar beurt weer bepaald door de intensiteit van het gebruik en de ligging van de erfdienstbaarheid (over grond of over het erf langs de woning). In het overzicht (blz. 10) met de bijbehorende klassenindeling is per klasse aangegeven welke situatie van toepassing is. In de kolom (links) onder het genoemde overzicht zijn de bedragen vermeld.

Het verrekenbedrag (bij opheffing) wordt in rekening gebracht bij het dienende erf. Onder een dienend erf dient te worden verstaan de kavel waarop de erfdienstbaarheid was gevestigd.

De bedragen die gelden voor opheffing worden in geval van vestiging vermenigvuldigd met de factor 2. In het laatste geval is de eigenaar van het dienende erf ontvanger van het verrekenbedrag. (...)"

Op p. 10 van de Aanwijzingen is een figuur met een schematische weergave van de acht verschillende situaties opgenomen. Tevens is daar een tabel met de bij die acht situaties behorende bedragen vermeld, ter zake van opheffing oplopend van € 1.250 tot € 15.000.

Uit de Aanwijzingen kan aldus worden afgeleid dat de regeling geheel is geformuleerd vanuit het perspectief van het bezwarend effect van erfdienstbaarheden op het dienend erf, in dier voege dat in geval van vestiging van een erfdienstbaarheid de eigenaar van het (nieuwe) dienend erf het verrekenbedrag ontvangt, terwijl in geval van opheffing de eigenaar van het (voormalig) dienend erf met het verrekenbedrag wordt belast, zulks steeds ten laste en ten voordele van de gezamenlijke eigenaren.(19)

2.16 Onderdeel van de processtukken is de brochure "Informatieblad Lijst der Geldelijke Regelingen Doniawerstal".(20) Deze brochure is verstrekt teneinde beter inzicht te geven in de LGR en de achtergronden daarvan.(21)

Hoofdstuk 3 bevat een toelichting op de verrekenposten. Deze luidt voor zover hier van belang (p. 17):

"3.1 Verrekenpost erfdienstbaarheden.

Als een recht van overpad/erfdienstbaarheid over een erf, behorende bij een gebouw is opgeheven of gevestigd, vindt afhankelijk van de situatie een verrekening plaats tussen de betrokken eigenaren, dan wel met de gezamenlijke rechthebbenden.

(...) Voor het vaststellen van de hoogte van de bedragen is de in onderstaande tabel en bijbehorende figuur 1 (...) gehanteerde systematiek gevolgd:

Schema

Deze tabel en de bijbehorende figuur op p. 16-17 van de informatiebrochure komen overeen met de tabel en bijbehorende figuur als vermeld op p. 10 van de Aanwijzingen. Aan te nemen valt dat zij aan de hand van de Aanwijzingen zijn opgemaakt.

De brochure bevat voorts als Bijlage 1 de Nadere regels betreffende de tweede schatting als gepubliceerd op 10 april 2008, Stct. nr. 70.

2.17 [Eiser] heeft zich met een expliciet beroep op de tabel in het Informatieblad op het standpunt gesteld dat hem ter zake de opheffing van twee erfdienstbaarheden klasse 6 en één erfdienstbaarheid klasse 2 een vergoeding van € 22.500,- toekomt.(22)

Het verweer van de Landinrichtingscommissie: "Voor het opheffen van erfdienstbaarheden wordt echter nooit een vergoeding gegeven wanneer het het heersende erf betreft. Het door de commissie in het gehele gebied van de ruilverkaveling toegepaste systeem is daarin duidelijk. Er is geen sprake van een nadeel. Alleen de eigenaar van het dienende erf moet verrekenen zoals ook uit pag. 17 van de brochure blijkt."(23) lijkt echter met name te zijn geënt op de (in feitelijke aanleg niet genoemde) Aanwijzingen.

Beoordeling van de klachten

2.18 Onderdeel 1 verwijst naar het arrest van 20 september 2002(24), waarin Uw Raad, na te hebben vastgesteld dat de rechtbank had miskend dat bij de ruilverkaveling naast erfdienstbaarheden ten laste van het erf van reclamante [A] tevens een ten gunste van haar erf bestaande erfdienstbaarheid was vervallen, overwoog:

"3.3 (...) Niet valt in te zien waarom [A] voor het vervallen van laatstgenoemd recht geen vergoeding zou behoren te ontvangen. Daarbij verdient opmerking dat [A] weliswaar in plaats van die erfdienstbaarheid een haar in eigendom toebehorende uitweg (...) heeft verkregen, maar dat zij daarvoor ter zake van overbedeling een bedrag van f 2789 en ter zake van basiskosten een bedrag van f 15.000 heeft moeten betalen, zodat niet kan worden gezegd dat zij voor het verlies van de erfdienstbaarheid een vergoeding in natura heeft ontvangen."

Het middel leest hierin de regel dat voor het vervallen van een erfdienstbaarheid aan de eigenaar van het heersend erf een vergoeding moet worden betaald, waarbij die vergoeding in geld of in natura kan geschieden. De rechtbank zou deze regel hebben miskend door tot uitgangspunt te nemen dat "voor het opheffen van erfdienstbaarheden nooit een vergoeding wordt gegeven" aan de eigenaar van het heersend erf.

2.19 Evenbedoelde regel strookt niet met de in literatuur en jurisprudentie aangetroffen gedachte dat uitsluitend plaats is voor een vergoeding indien door het opheffen van de erfdienstbaarheid schade c.q. nadeel - anders dan het verlies van het recht als zodanig - is ontstaan.(25) In het midden kan blijven of in dat licht de in het onderdeel bedoelde regel als geldend recht moet worden aangemerkt. De aangevallen zinsnede in rov. 2.1 van het bestreden vonnis moet namelijk kennelijk - gelet op het woord "immers" - worden gelezen in samenhang met de daarop volgende overwegingen in rov. 2.1. Daaruit blijkt dat de rechtbank, anders dan het onderdeel veronderstelt, niet in zijn algemeenheid heeft geoordeeld dat de eigenaar van het heersende erf in geval van opheffing van een erfdienstbaarheid nooit een vergoeding toekomt in het kader van de Liw. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat de erfdienstbaarheden konden worden opgeheven omdat in het plan van toedeling in een toereikende ontsluiting van [eiser]'s toedeling kon worden voorzien. Er is, aldus de rechtbank, geen sprake van nadeel zodat er ook geen reden is voor compensatie van dit gemis op de LGR. De rechtbank heeft hiermee tot uitdrukking gebracht dat er alleen aanleiding is voor een vergoeding, wanneer door het opheffen van de erfdienstbaarheden nadeel is ontstaan. Het onderdeel ontbeert derhalve feitelijke grondslag.

2.20 In het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van via de LGR te compenseren nadeel omdat in het plan van toedeling in een toereikende ontsluiting van [eiser]'s toedeling kon worden voorzien, ligt besloten dat naar het oordeel van de rechtbank de wijze van ontsluiting van de toegedeelde kavels kwalitatief gelijkwaardig is aan de ontsluiting in de situatie voorafgaand aan de ruilverkaveling. Tegen dat oordeel richten zich de motiveringsklachten in het tweede en derde onderdeel. Die klachten houden in dat het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd, nu de rechtbank niet in haar oordeel heeft betrokken - bijvoorbeeld - of [eiser] voor de ontsluiting als voorzien in het plan van toedeling heeft betaald, wat de aard is van die ontsluiting (of zij versterkt is met een zakelijk recht) en in hoeverre die ontsluiting het nadeel van het vervallen van drie ontsluitingen (geheel) compenseert.

2.21 Deze klachten treffen geen doel. Het middel - dat niet opkomt tegen de vaststelling dat sprake is van een toereikende ontsluiting - geeft geen vindplaatsen van stellingen van [eiser] met de strekking dat de nieuwe wijze van ontsluiting niet gelijkwaardig is aan de oude. Integendeel, het middel benadrukt tot twee maal toe dat op dit punt geen partijdebat is gevoerd. Blijkens de processtukken heeft [eiser] met name niet in zijn stellingen betrokken of hij voor de voorziene ontsluiting heeft moeten betalen.(26)

2.22 Eerst in de repliek in cassatie (p. 1) wordt - tardief - verwezen naar de stelling van [eiser] (pleitnotitie mr. Oostra d.d. 28 januari 2011, p. 2) dat hij door de ontneming van de erfdienstbaarheden nadeel lijdt. Aldaar wordt betoogd dat [eiser] in een nadeliger situatie is komen te verkeren omdat de kavel zeer smal en zeer diep is, en de ontneming van de erfdienstbaarheden hem in de toekomst de mogelijkheid ontneemt om percelen los te verkopen of om in natte tijden het land op andere manieren te ontsluiten.(27) De Landinrichtingscommissie heeft als verweer aangevoerd dat [eiser] via een eigen pad op het land kan komen(28) en dat er geen sprake is van een nadeel.(29) De rechtbank is kennelijk van oordeel dat het gestelde nadeel aldus niet is komen vast te staan. Dit feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.

2.23 Onderdeel 4 faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank heeft niet geoordeeld dat uit p. 17 van de overgelegde brochure blijkt dat enkel de eigenaar van het dienende erf moet verrekenen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Wet van 9 mei 1985, Stb. 299, in werking getreden per 15 oktober 1985.

2 Op grond van art. 182 lid 1 Liw is de cassatietermijn dertig dagen. De in art. 182 lid 2 Liw bedoelde verklaring ter griffie is binnen die termijn afgelegd op 27 mei 2011, waarna deze verklaring en de cassatiedagvaarding binnen de hiervoor in art. 182 lid 3 Liw gestelde termijn van 14 dagen op 9 juni 2011 betekend zijn aan de Landinrichtingscommissie.

3 Art. 217 Liw luidt: "1. Nadat zij omtrent alle geschillen betreffende de lijst der geldelijke regelingen heeft beslist, sluit de rechtbank de lijst der geldelijke regelingen. Zij geeft hiervan kennis aan Onze Minister en aan de landinrichtingscommissie. 2. Tegen de uitspraak van de rechtbank bestaat behalve cassatie geen rechtsmiddel open. Artikel 182 is van overeenkomstige toepassing. 3. Indien de cassatie, als bedoeld in het tweede lid leidt tot een vermindering van de schuldplichtigheid, worden de geldelijke gevolgen daarvan door het Rijk gedragen." Ofschoon de bepaling tekstueel wellicht anders doet vermoeden, slaat lid 2 terug op de uitspraak van de rechtbank als bedoeld in art. 185 lid 3 Liw. Aldus ook A-G Moltmaker in zijn conclusie (onder 2.1.5) voor HR 18 november 1992, LJN: AD1781, NJ 1993, 174. Aldus ook impliciet HR 30 oktober 1996, LJN: AA1744, NJ 1999, 425 m.nt. PCEvW, rov. 3.5, eerste volzin. Vgl. ook art. 186 (betreffende geschillen omtrent de uitkomsten van de eerste schatting), dat ziet op de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet tegen de uitspraak van de rechtbank in een dergelijk geschil als bedoeld in art. 185 lid 3 (HR 18 november 1992, LJN: AD1781, NJ 1993, 174, rov. 3.1).

4 A-G Moltmaker, conclusie (onder 4.1) vóór HR 25 maart 1992, LJN: AD1639, NJ 1992, 394. Zie naar aanleiding van deze passage ook A-G Ilsink, conclusie (onder 2.3) vóór HR 22 november 2002, LJN: AF1097, NJ 2004, 654.

5 Of dat het bezwaar anderszins geen invloed meer kan hebben op de LGR, zoals ingeval van een overeenkomst tussen bij de ruilverkaveling betrokken instanties krachtens welke de geldelijke gevolgen van de beslissing van de rechter op het bezwaar niet ten laste van de gezamenlijke eigenaren zullen komen. Zie HR 30 oktober 1996, LJN: AA1744, NJ 1999, 425 m.nt. PCEvW.

6 Vgl. hof Leeuwarden 12 augustus 1994, rov. 5.3, kenbaar uit HR 30 oktober 1996, LJN: AA1744, NJ 1999, 425 m.nt. PCEvW.

7 Dit is dus een ander systeem dan geldt ten aanzien van beslissingen van de rechtbank betreffende de lijst van rechthebbenden: tegen deze beslissingen staat cassatie open (art. 181 lid 2 Liw), en eerst zodra omtrent alle bezwaren onherroepelijk is beslist, sluit de rechtbank deze lijst, na haar zo nodig overeenkomstig de arresten van de Hoge Raad te hebben gewijzigd (art. 183 lid 1 Liw).

8 Zie over de verwantschap tussen het onteigenings- en het ruilverkavelingsrecht A-G Langemeijer, conclusie (onder 2.9.) vóór HR 5 november 2010, LJN: BN7950, NJ 2010, 597.

9 Zie de conclusie van A-G Moltmaker (onder 2.1.1) vóór HR 22 november 1989, LJN: AD0953, NJ 1990, 674 m.nt. MB met verdere verwijzingen aldaar.

10 Een andere vraag is of daarmee sprake is van schending van de regel dat de onteigeningsrechter ingevolge art. 54t jo 37 lid 2 Ow gehouden is bij een en hetzelfde vonnis uitspraak te doen over de totale aan de onteigende toekomende schadeloosstelling, zie HR 22 juli 1992, LJN: AD1723, NJ 1993, 556 m.nt. MB.

11 Zie HR 14 juli 2000, LJN: AA7497, NJ 2000, 628 m.nt. PCEvW (rov. 1.3); HR 18 december 1991, LJN: AD1561, NJ 1992, 300 m.nt. MB (rov. 1.3); HR 22 november 1989, LJN: AD0953, NJ 1990, 674 m.nt. MB; HR 19 april 1989, LJN: AD0715, NJ 1989, 799 m.nt. MB. Vgl. HR 23 december 1992, LJN: AD1807, NJ 1993, 756 m.nt. MB; HR 22 juli 1992, LJN: AD1723, NJ 1993, 556 m.nt. MB.

12 HR 18 september 2009, LJN: BI8513, RvdW 2009, 1052.

13 Voorts kan nog worden gewezen op HR 22 november 2002, LJN: AF1097, NJ 2004, 654, waarin zelfs een cassatieberoep op de voet van het met art. 217 Liw vergelijkbare art. 121 Herinrichtingswet Oost-Groningen enz. tegen een zuiver tussenvonnis (niet tevens gedeeltelijk eindvonnis) ontvankelijk werd geacht.

14 S.t. zijdens [eiser] onder 12 verwijst naar de pleitnotities van mr. Haring d.d. 28 januari 2011, p. 2.

15 Tot 28 mei 2004 vond de schatting plaats aan de hand van het door de Centrale commissie verstrekte Proces-verbaal van Aanwijzingen. Zie losbl. Agrarisch grondverkeer, Deel A, Landinrichting-Commentaar (Rodrigues Lopes), par. 10.2.1.

16 Zie vonnis van de rechtbank van 30 maart 2011, onder 'Het procesverloop'.

17 Rb Haarlem 3 december 2008, LJN: BI2057 (rov. 2.2) maakt gewag van Aanwijzingen die als bijlage zouden zijn gevoegd bij de Nadere regels betreffende de tweede schatting in de herinrichting Westzaan (Bijlage 2oo bij de Regeling herverkaveling). Kennisneming van de officiële publicatie van de Nadere regels in kwestie leert dat daarbij niet tevens (een verwijzing naar) een bijlage houdende Aanwijzingen is gepubliceerd. Hetzelfde geldt voor de in Rb Zwolle-Lelystad 16 januari 2008, LJN: BC6360, AR 2008, 5460 (rov. 3.1) genoemde Aanwijzingen behorende bij de vaststelling van Nadere regels betreffende de tweede schatting in de ruilverkaveling Raarhoek-Veldhoek (Bijlage 2w bij de Regeling herverkaveling). De status van de Aanwijzingen was in die zaken geen onderwerp van debat.

18 Vgl. HR 28 maart 1990, LJN: ZC4258, NJ 1991, 118 m.nt. MS (rov. 4.6-4.8). Een van de vereisten om beleidsregels als recht in de zin van art. 79 RO te kunnen aanmerken, is dat ze op voldoende wijze zijn bekendgemaakt.

19 Zie voor op deze systematiek gebaseerde geschillen o.m. Rb Zwolle-Lelystad 16 januari 2008, LJN: BC6360, AR 2008, 5460; HR 20 september 2002, LJN: AE7843, NJ 2002, 554; Rb Dordrecht 17 mei 1989, AR 1990, 4386. Zie over deze uit art. 212 lid 1 onder c, 3e jo 160 Liw voortvloeiende systematiek ook P. de Haan, Onroerend-goedrecht, Landinrichting, 1988, p. 237.

20 Zie het vonnis van de rechtbank van 30 maart 2011, onder 'Het procesverloop'. De brochure bevindt zich uitsluitend in het door de Landinrichtingscommissie overgelegde procesdossier.

21 Zie p. 7 van de brochure.

22 Pleitnotitie mr. Oostra t.b.v. rechtbankzitting op 28 januari 2011, p. 1-2.

23 Pleitnotities mr. Haring t.b.v. rechtbankzitting op 28 januari 2011, p. 2.

24 HR 20 september 2002, LJN: AE7843, NJ 2002, 554.

25 Zie P. de Haan, Onroerend-goedrecht, Landinrichting, 1988, p. 251; Rb. Leeuwarden 8 mei 1980, Rvkb. 68, 114; Rb Leeuwarden 8 oktober 1970, Agr.R. 1970, 3015. Zie voorts de in losbl. Agrarisch Grondverkeer, Deel A, Landinrichting-Commentaar (Rodrigues Lopes), par. 10.3 onder 'Schadevergoedingen' vermelde uitspraak van Rb Assen 14 november 1995.

26 In dit kader merk ik nog op dat uit de overgelegde LGR blijkt dat [eiser] in het kader van de basiskosten wat betreft de post "ontsluiting gronden" per saldo een bedrag heeft ontvangen van € 228,60 (7,4 x de factor basiskosten ad € 39).

27 Uit de kadastrale kaarten van Inbreng en Toedeling (door [eiser] overgelegd als bijlage bij het proces-verbaal van de Lic van 26 mei 2010) blijkt dat de toedeling nagenoeg identiek is aan de inbreng en bestaat in een L-vormig grondstuk. Uit de rode lijnen op de tekening op p. 1 van de pleitnotitie van mr. Oostra d.d. 28 januari 2011 lijkt te moeten worden afgeleid dat in de oude situatie het 'liggende' deel van de L (mede) ontsloten werd via een erfdienstbaarheid van weg parallel aan het 'staande' deel van de L.

28 Proces-verbaal d.d. 29 juni 2010, p. 20, onder 'Bezwaar 1, mr. Haring'.

29 Pleitnotities mr. Haring d.d. 28 januari 2011, p. 2.