Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX7959

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
CPG 10/04815
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afpersing, art. 317 Sr. De opvatting dat aan een bij afpersing verkregen ‘gegeven’ onmiddellijk of middellijk enige economische waarde moeten kunnen worden toegerekend vindt, gezien de tekst van art. 317 Sr en de wetsgeschiedenis, geen steun in het recht. Blijkens de wetsgeschiedenis blijft de door het schrappen van de zinsnede ‘met geldswaarde in het handelsverkeer’ bewerkstelligde verruiming van de strafbaarstelling van afpersing in art. 317 Sr echter beperkt door het vereiste oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling. Mede in dat licht bezien geeft de overweging van het Hof ‘dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zich wederrechtelijk te bevoordelen, welk voordeel economische waarde had’ niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel klaagt echter terecht erover dat de bewezenverklaring in dit opzicht ontoereikend is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VA 2014/10
JIN 2013/120 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/04815

Mr. Vegter

Zitting 4 september 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 26 oktober 2010 wegens 1. "Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen", 2. "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd" en 3. "Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond, heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte hebben mr. D. Moszkowicz en mr. H.M.W. Daamen, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel klaagt over schending van de redelijke termijn bij het inzenden van de stukken door het Hof.

3.2. Namens de verdachte is op 1 november 2010 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 9 december 2011 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de op acht maanden gestelde inzendingstermijn(1) is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het Hof aan de in de tenlastelegging en bewezenverklaring van feit 1 voorkomende term 'gegevens' een onjuiste en met de wet strijdige betekenis heeft toegekend en als gevolg hiervan niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging, althans dat het bewezenverklaarde - in het bijzonder dat dwang tot het ter beschikking stellen van gegevens heeft plaatsgevonden met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen - niet (zonder meer) uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

4.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 3 november 2008, in de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten informatie over een poging tot diefstal van een hoeveelheid hennep (weed) ten nadele van hem, verdachte, welk geweld heeft bestaan uit het tezamen en in vereniging met zijn mededader meermalen slaan van [slachtoffer] met een ploertendoder op of tegen een schouder en zijn benen en zijn borst en schoppen van [slachtoffer], toen deze op de grond lag, in of tegen diens gezicht en schoppen of slaan van [slachtoffer] en welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het tezamen en in vereniging met zijn mededader dreigend tonen of richten van een pistool op [slachtoffer] en (daarbij) dreigend tegen [slachtoffer] zeggen: "Voor de laatste keer, anders schiet ik je door je knieën, heb je het gedaan?" en "Je kunt het beste eerlijk zijn, anders schiet ik je kapot" en "Zie dit als een waarschuwing, als je me probeert te bestelen ga je eraan", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking;"

4.3. De bestreden uitspraak houdt hieromtrent onder andere in:

"II.

Op grond van de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met een ander, te weten [betrokkene 1], [slachtoffer] heeft meegenomen naar een buitengebied van Weert en aldaar tezamen met die [betrokkene 1] geweld jegens [slachtoffer] heeft gepleegd en [slachtoffer] heeft bedreigd met geweld, waarbij verdachte een pistool op [slachtoffer] heeft gericht. Het doel van het toepassen van het geweld en het bedreigen van [slachtoffer] was het loskrijgen van informatie van [slachtoffer] met betrekking tot een door verdachte en zijn mededader veronderstelde poging tot diefstal van hennep.

Van afpersing in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien het slachtoffer door geweld en/of bedreiging met geweld is gedwongen tot het ter beschikking stellen van gegevens, met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen wederrechtelijk te bevoordelen. Hieronder moet worden begrepen elke verbetering van positie, mits het voordeel economische waarde heeft.

Het hof is van oordeel dat verdachte en zijn mededader de informatie met betrekking tot diefstal van hennep uit een hennepkwekerij van [slachtoffer] hebben willen verkrijgen met de kennelijke bedoeling om [slachtoffer] er van te weerhouden hem (opnieuw proberen) te bestelen. Anders dan de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zich wederrechtelijk te bevoordelen, welk voordeel voor verdachte economische waarde had."

4.4. Het middel behelst in de eerste plaats de klacht dat het Hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel 'gegevens'. De stellers van het middel betogen met een beroep op de wetsgeschiedenis dat de term 'gegevens' in art. 317 Sr aldus moet worden begrepen dat het in elk geval een gegeven moet betreffen dat de verkrijger er van - onmiddellijk of middellijk, maar in elk geval betrekkelijk eenvoudig - enige vermogensaanwas, een verbetering van zijn economische positie kan opleveren. Indien dat aspect afwezig is, kan reeds daarom niet van een vermogensdelict worden gesproken, aldus de steller van het middel.

4.5. Onder gegevens wordt verstaan iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken, aldus art. 80quinquies Sr. Dat gegevens een economische waarden moeten hebben, eist de wet niet. Het argument dat afpersing een vermogensdelict is en dat daarom sprake moet zijn van een verbetering van de economische positie van de verkrijger, gaat niet op. De Hoge Raad heeft al in 1908 beslist dat voor diefstal - het vermogensdelict(2) bij uitstek - niet noodzakelijk is dat het weggenomen goed economische waarde heeft.(3) Waarom dat anders zou zijn bij afpersing van gegevens, vermag ik niet in te zien, ook niet op grond van de door de stellers van het middel aangehaalde wetsgeschiedenis. Voor het overige laat ik dit punt rusten, nu de verdediging in feitelijke aanleg dit punt niet aan de orde heeft gesteld en de beoordeling van de vraag of de in de onderhavige afgeperste gegevens 'gegevens' in de zin van art. 317 Sr zijn, mede afhangt van waarderingen van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is.

4.6. Het middel klaagt in de tweede plaats dat het oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachte hebben gehandeld 'met de kennelijke bedoeling om [slachtoffer] er van te weerhouden hem (opnieuw) te bestelen' niet zonder meer verenigbaar is met de eerder in het arrest opgenomen overweging dat het doel van het toepassen van het geweld en het bedreigen van [slachtoffer] het verkrijgen van informatie van [slachtoffer] met betrekking tot een door verdachte en zijn medeverdachte veronderstelde poging tot diefstal van hennep was.

4.7. Het Hof heeft inderdaad geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachte de informatie met betrekking tot diefstal van hennep uit een hennepkwekerij van [slachtoffer] hebben willen verkrijgen met de kennelijke bedoeling om [slachtoffer] er van te weerhouden hem (opnieuw proberen) te bestelen. Het Hof heeft daarmee kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de het doel van de verdachte en zijn medeverdachte in eerste instantie was om van [slachtoffer] informatie te verkrijgen omtrent de eerdere poging tot diefstal van hennep, wat onder meer afgeleid kan worden uit de eerste twee bewezenverklaarde bedreigingen ("Voor de laatste keer, anders schiet ik je door je knieën, heb je het gedaan?" en "Je kunt het beste eerlijk zijn, anders schiet ik je kapot"). Wat betreft het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte na de bekentenis van [slachtoffer] over de eerdere diefstal heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat dit geschiedde met het doel [slachtoffer] er van te weerhouden hem (opnieuw) te bestelen. Dit kan onder meer worden afgeleid uit de laatste bewezenverklaarde bedreiging ("Zie dit als een waarschuwing, als je me probeert te bestelen ga je eraan"). Van een onverenigbaarheid is zo bezien geen sprake.

4.8. Het middel klaagt in de derde en laatste plaats dat geen sprake is van een (causaal) verband tussen het oogmerk van de wederrechtelijke bevoordeling en de prestatie waartoe het slachtoffer werd gedwongen.

4.9. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachte er na de bekentenis van [slachtoffer] van overtuigd waren dat zij te doen hadden met degene die hen eerder bestolen had en dat zij hem er door middel van het bewezenverklaarde geweld en de bedreigingen met geweld van hebben weerhouden dat nog eens te doen. Zo te bezien was de afgeperste informatie in de ogen van de verdachte en zijn medeverdachte noodzakelijk voor het gewenste eindresultaat, te weten het weerhouden van [slachtoffer] van een volgende diefstal.

4.10. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5.1. Het derde middel klaagt dat het Hof wat betreft feit 3 ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen omdat de verdachte dit feit niet geheel bekend heeft. Het gaat er daarbij vooral om dat uit het feit dat de verdachte heeft bekend dat hij XTC-pillen voorhanden heeft gehad niet zonder meer kan volgen dat hij opzettelijk pillen of tabletten 'bevattende MDMA' aanwezig heeft gehad.

5.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op 1 mei 2009 in de gemeente Weert opzettelijk aanwezig heeft gehad 34 pillen bevattende MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine), zijnde MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I."

5.3. Het Hof heeft gelet op de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 12 oktober 2010 overeenkomstig art. 359, derde lid, Sv volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Voornoemde verklaring van de verdachte houdt in:

"Het klopt dat ik op 1 mei in Weert 34 opzettelijk XTC-pillen aanwezig heb gehad. Wij gaan vaak met een groep vrienden naar buitenfeesten toe. Wij zijn dan met ongeveer tien personen. Wij gaan dan feesten en gebruiken dan met z'n allen XTC. Iedereen legde geld in om de XTC-pillen te kunnen kopen. Ik bewaarde de XTC-pillen. Ik heb eerder ook verklaard dat ik de XTC-pillen samen met vrienden gebruikte en dat ik daarom een voorraadje had. Ik had de XTC-pillen eigenlijk niet in huis moeten hebben."

5.4. Dat onder de benaming XTC ook middelen worden verkocht met andere werkzame bestanddelen dan MDMA(4), staat er hier niet aan in de weg dat de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.(5) Nu verdachte bekent op tijd en plaats als tenlastegelegd 34 XTC- pillen aanwezig te hebben gehad, ligt daarin besloten dat hij met die 34 XTC- pillen doelt op de toen en aldaar onder hem inbeslaggenomen pillen waarvan blijkens het rapport van het NFI met als kenmerk het dossiernummer van de onderhavige zaak (2008007287) is vastgesteld dat ze MDMA bevatten. Zo bezien heeft verdachte duidelijk en ondubbelzinnig bekend.

5.5. Het middel faalt.

6. Het eerste middel moet leiden tot strafvermindering. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.3.

2 Overigens wijs ik er op dat in de wet geen titel misdrijven tegen het vermogen (of iets dergelijks) voorkomt.

3 HR 6 januari 1908, W8648.

4 Vgl. bijv. HR 6 mei 2003, LJN AF5370, NJ 2003/458, HR 25 november 2003, LJN AM2764 en HR 17 april 2012, LJN BW2467.

5 HR 26 september 2006, LJN AX5776, NJ 2006, 542.