Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX7496

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2012
Datum publicatie
26-10-2012
Zaaknummer
12/02260
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX7496
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Afwijzing vordering tot toepassing schuldsaneringsregeling; art. 288 lid 2 en 3 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1345
JWB 2012/508
Verrijkte uitspraak

Conclusie

12/02260

Mr. L. Timmerman

Parket 7 september 2012

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

verzoekster tot cassatie,

Verkorte conclusie

1 Met tijdig(1) ter griffie van de Hoge Raad ingekomen cassatieverzoekschrift heeft [verzoekster] cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 april 2012, waarbij is bekrachtigd het vonnis van de Rechtbank Breda van 16 maart 2012, waarin de vordering tot van toepassingverklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] is afgewezen op de voet van art. 288 lid 1 onder b Fw.

2 Tegen het arrest wordt één middel in stelling gebracht. In het middel lees ik vier (hoofd)klachten.(2) De klachten hebben betrekking op 's hofs oordeel dat [verzoekster] niet te goeder trouw moet worden geacht ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend en tegen het niet toepassen van de hardheidsclausule.

3 Het hof heeft aan de hand van de in rov. 3.4.1. omschreven maatstaf onderzocht of [verzoekster] al dan niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schuld aan het UWV en de Belastingdienst (rov. 3.4.2). Het hof oordeelt dat [verzoekster] voor wat betreft het ontstaan van beide schulden niet te goeder trouw is geweest (resp. rov. 3.4.3.1 en 3.4.4.1). Een aanwijzing daarvoor vindt het hof in de omstandigheid dat [verzoekster], kennelijk in verband met de niet opgegeven inkomsten aan het UWV, strafrechtelijk is veroordeeld (rov. 3.4.5). De tegen deze oordelen gerichte klachten (onder "Schuld UWV", "Schuld belastingdienst" en "Strafrechtelijke veroordeling") komen er in het kort op neer dat het hof bij zijn beoordeling ten onrechte niet heeft betrokken het beroep op dwaling en psychische onmacht aan de zijde van [verzoekster] en - doordat het dossier niet compleet is - heeft geoordeeld op grond van vermoedens in plaats van feiten.

4 Het hof heeft in rov. 3.4.1 de juiste maatstaf omschreven aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van haar schulden aan het UWV en de Belastingdienst te goeder trouw is geweest. Tot de door de rechter bij zijn beoordeling te betrekken omstandigheden hoort o.m. de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald zijn gelaten. De beoordeling van het gedrag van de verzoeker draagt een sterk feitelijk karakter en kan in beginsel niet verder worden getoetst dan op afdoende motivering.(3) Het is aan de verzoeker om voldoende aannemelijk te maken dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is.(4)

5 Het hof heeft over de schuld aan het UWV geoordeeld dat de beslissing op bezwaar van het UWV, waartegen [verzoekster] niet is opgekomen en die heeft geleid tot een terugvordering van een toegekende WAO-uitkering en boeteoplegging, als uitgangspunt dient (rov. 3.4.3.1). Tegen dat oordeel zijn in cassatie geen klachten gericht. Uit die beslissing volgt dat [verzoekster] ten onrechte een WAO-uitkering heeft ontvangen. Op grond daarvan heeft het hof kunnen oordelen dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan van haar schuld aan het UWV niet te goeder trouw is geweest. Het hof heeft hierbij kennelijk de psychische gesteldheid van [verzoekster] niet relevant geacht. M.i. is dat juist.

6 's Hofs oordeel over de schuld aan de Belastingdienst is m.i. ook juist. Het lag op de weg van [verzoekster] die schuld te beschrijven en de door haar gestelde kwijtschelding met stukken te staven. Naar 's hofs oordeel heeft zij dit niet gedaan (rov. 3.4.4 en 3.4.4.1). Dat een tweede advocaat namens [verzoekster] beroep zou hebben ingediend, maar dit inmiddels zou hebben ingetrokken doet niet ter zake. Voor zover wordt betoogd dat het hof de psychische problemen van [verzoekster] ten onrechte niet heeft betrokken bij zijn beoordeling van de schuld aan de Belastingdienst, geldt dat uit het hoger beroepschrift volgt dat de in punt 2 opgenomen stelling, dat [verzoekster] vanwege haar psychische gesteldheid niet in staat zou zijn geweest opgaaf te doen van de hoogte van haar inkomsten, betrekking heeft op de schuld aan het UWV. Punt 3 van het beroepschrift betreft de schuld aan de Belastingdienst en daarin is een dergelijke stelling niet opgenomen, noch wordt er verwezen naar de in punt 2 opgenomen stelling.

7 Het in het vorige punt beschrevene geldt gedeeltelijk ook voor 's hofs oordeel over de strafrechtelijke veroordeling in rov. 3.4.5. [Verzoekster] dient haar stellingen over het ingestelde hoger beroep tegen de strafrechtelijke veroordeling te onderbouwen. Bij gebreke daarvan kon het hof niet anders oordelen dan dat van die strafrechtelijke veroordeling moet worden uitgegaan. Bovendien stelt het hof vast dat [verzoekster] de strafrechtelijke veroordeling niet ontkent, tegen welk oordeel in cassatie geen klachten zijn gericht. Het hof heeft dan ook kunnen oordelen dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat er geen sprake is van een situatie bedoeld in art. 288 lid 1 onder b Fw. Anders dan in de klachten wordt betoogd was er dan ook geen reden om de zaak ambtshalve aan te houden in afwachting van stukken.

8 Ten slotte worden onder "Hardheidsclausule" nog klachten gericht tegen 's hofs oordeel dat [verzoekster] niet voldoet aan de voorwaarden van art. 288 lid 3 Fw (rov. 3.5.2). Geklaagd wordt dat het hof bij zijn beoordeling de verkeerde maatstaf heeft gehanteerd en dat van [verzoekster], vanwege haar psychische problemen, niet kan worden verwacht dat zij inkomen voor de boedel verwerft.

9 Ook deze klachten zijn tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft de juiste maatstaf omschreven aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, ondanks dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest, kan worden uitgesproken. Voldoende aannemelijk moet zijn dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen. Het is aan de schuldenaar om dit voldoende aannemelijk te maken, door aan te geven welke maatregelen hij in dat kader heeft getroffen.(5) Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat [verzoekster] dit in onvoldoende mate heeft gedaan. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Immers, in het beroepschrift wordt weliswaar gesteld dat [verzoekster] psychische problemen heeft en er sprake is van een hulpverleningstraject dat gedurende de procedure zal worden onderbouwd, maar dit laatste is niet gebeurd. 's Hofs oordeel dat niet is gesteld of gebleken dat [verzoekster] haar problemen onder controle heeft gekregen, is dan ook goed te begrijpen.

10 Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift is op 2 mei 2012 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen, overeenkomstig de in art. 292 lid 5 Fw genoemde termijn van acht dagen.

2 Ik doel hiermee op de onderwerpen die in het cassatieverzoekschrift onderstreept zijn opgenomen, te weten "Schuld UWV", "Schuld belastingdienst", "Hardheidsclausule" en "Strafrechtelijke veroordeling".

3 Vgl. Wessels Insolventierecht IX, 2009, par. 9066u.

4 Bijv. Wessels Insolventierecht IX, 2009, par. 9066t.

5 Wessels Insolventierecht IX, 2009, par. 9067n-o.