Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX6903

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
11/02598
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6330
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX6903
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/24
NJB 2013/71

Conclusie

Nr. 11/02598

Mr. Knigge

Zitting: 28 augustus 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 26 mei 2011 verdachte wegens "medeplegen van moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 jaren. Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.(1)

3. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel

4.1. Het middel klaagt over de verwerping van een verweer inhoudende dat de door verdachte ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat de verdachte bijstand van een raadsman tijdens die verhoren is ontnomen.

4.2. In de toelichting op het middel wordt onder verwijzing naar de "Salduz"-jurisprudentie van het EHRM, in het bijzonder naar de uitspraken van 14 oktober 2010 (Brusco)(2) en 28 juni 2011 (Šebalj)(3), gesteld dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat een verdachte geen recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor.

4.3. Met betrekking tot de vraag of een verdachte in het kader van een politieverhoor aanspraak kan maken op aanwezigheid van een advocaat heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349 het volgende overwogen:

"2.5. De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor.

Het vorenoverwogene brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken."

4.4. De uitspraak inzake Brusco heeft de Hoge Raad niet tot andere gedachten gebracht. In HR 20 december 2011, LJN BT7086 werd in cassatie een beroep gedaan op de zaak Brusco. Na een uitvoerige conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee deed de Hoge Raad de zaak af op voet van art. 81 RO. Ook in HR 6 maart 2012, LJN BQ8596, waarin mijn ambtgenoot Aben de zaak Brusco uit eigen beweging in zijn uitgebreide beschouwing betrok, deed de Hoge Raad het middel af met art. 81 RO. Bij deze opstelling zal naar ik aanneem een rol hebben gespeeld dat de Hoge Raad zich terughoudend wenst op te stellen. De toelating van de raadsman bij het politieverhoor zou een ingrijpende verandering van het Nederlandse procesrecht betekenen en daarom zal de Hoge Raad daaraan alleen willen geloven als de rechtspraak van het EHRM daartoe dwingt. Zo dwingend is, naar mijn ambtgenoten in de genoemde conclusies hebben laten zien, de uitspraak van het EHRM in de zaak Brusco niet. Een belangrijk gegeven daarbij is dat Brusco geen gelegenheid had gehad om voorafgaand aan het politieverhoor met een raadsman te overleggen. Met andere woorden, deze zaak betrof niet de situatie waarin de raadsman voorafgaand aan het verhoor is geconsulteerd, maar vervolgens niet aanwezig mocht zijn bij het verhoor. Over die situatie werd in de zaak Brusco geen uitspraak gedaan.

4.5. Dwingt de zaak Šebalj nu wel tot de conclusie dat de raadman toegelaten moet worden tot het politieverhoor? Spronken is in haar bevestigende antwoord nogal stelling. Zij stelt dat het pleit met deze uitspraak lijkt te zijn beslecht. Het EHRM zou een schending van art. 6 EVRM hebben aangenomen "uitsluitend vanwege de omstandigheid dat de advocaat niet bij alle politieverhoren aanwezig was". (4) Kraniotis, Reijntjes en De Roos daarentegen menen dat het EHRM de stap naar toelating van de raadsman tot het politieverhoor (nog) niet heeft gezet. Het arrest kan huns inziens zo gelezen worden dat het "slechts beperkte betekenis" heeft voor de huidige Nederlandse praktijk. (5) Ik denk dat zij het bij het rechte eind hebben.

4.6. Wat de precieze gang van zaken is geweest, wordt uit de weergave van de feiten niet geheel duidelijk. Dat komt doordat verschillende strafvervolgingen door elkaar lopen en doordat sterk de vraag is of het desbetreffende proces-verbaal van verhoor niet is "fabricated by the police". De daarin genoemde datum het daarin genoemde tijdstip van verhoor kunnen in elk geval niet kloppen.(6) Volgens de omschrijving van de feiten ving de strafvervolging waarop de klacht betrekking had aan met het overbrengen van de verdachte naar het politiebureau voor verhoor. Daaruit lijkt te volgen dat de verdachte op dat moment uit andere hoofde was gedetineerd. In elk geval wordt nergens vastgesteld dat de verdachte in de strafvervolging waarom het gaat al op een eerder tijdstip met een advocaat had kunnen overleggen. Weliswaar overweegt het EHRM (§ 263) dat de verdachte bijstand had van een raadsman "after being remanded in custody", maar het bevel voorlopige hechtenis werd volgens de weergave van de feiten pas een jaar later gegeven.(7) Daarbij sluit aan dat het EHRM alleen de rechtsbijstand die "subsequently" was verleend, betrekt bij zijn beoordeling van de vraag of de bekentenis voor het bewijs gebruikt had mogen worden. Als er ook voorafgaande rechtsbijstand was geweest, had het Hof dat, zou men denken, zeker hebben meegewogen.

4.7. In de zaak Šebalj lijkt het dus evenmin te gaan om een zaak waarin de verdachte wel voorafgaand, maar niet tijdens het verhoor rechtsbijstand heeft genoten. Een reden om op zijn eerdere terughoudende standpunt terug te komen, zal de Hoge Raad in de uitspraak van het EHRM dan ook niet vinden. Dat het EHRM in § 257 een schending van art. 6 EVRM aanneemt "on account of the applicant's questioning by the police (...) without the presence of a defence lawyer", zal dat niet anders maken. Centraal bij de klacht stond de vraag of er nu wel of niet een advocaat aanwezig was geweest bij het verhoor (zie noot 6). De gebezigde terminologie sluit dan ook niet uit dat het EHRM géén schending van art. 6 EHRM "on account of the applicant's questioning by the police without the presence of a defence lawyer" had aangenomen als er voorafgaande rechtsbijstand was geweest.(8) Ik merk nog op dat in § 263 wordt gesproken van "the restrictions on his [klagers] access to a lawyer".

4.8. Het middel faalt.

5. Het tweede middel

5.1. Het middel klaagt dat de strafmotivering onvoldoende met redenen is omkleed.

5.2. Het bestreden arrest houdt in:

"Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een vriend, haar dochter en dier vriend schuldig gemaakt aan de moord op haar echtgenoot, door hem, na een zorgvuldige planning en voorbereiding, in zijn eigen huis, in zijn eigen bed, met een hakbijltje de hals door te slaan.

Met het plegen van dit feit heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwet kent. De gevolgen zijn op geen enkele wijze meer ongedaan te maken. Het slachtoffer is door de verdachte en haar mededaders het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. De verdachte heeft de nabestaanden ernstig leed toegebracht. Dit geldt niet alleen voor de moeder, broer en zuster van het slachtoffer, maar in het bijzonder ook voor [betrokkene 1] en [betrokkene 2], de twee nog minderjarige kinderen van het slachtoffer uit diens eerste huwelijk. Datzelfde kan gezegd worden van verdachtes zoon [betrokkene 3], die mede door toedoen van zijn moeder moet opgroeien zonder vader. Niets kan deze daad rechtvaardig-en, ook niet als wordt aangenomen dat de verdachte binnen haar huwelijk slachtoffer is geweest van seksueel misbruik danwel huiselijk geweld of bang was het gezag over haar jongste zoon door de echtscheidingsprocedure te verliezen. Het dossier bevat voor genoemd misbruik noch voor de door de verdachte naar voren gebrachte angst om door haar echtgenoot te worden gedood of om het gezag over [betrokkene 3] te verliezen overigens objectieve aanknopingspunten.

Bij de bepaling van de op te leggen straf houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte als initiatiefnemer van deze moord moet worden gezien. Immers, zij heeft besloten dat haar echtgenoot dood moest en heeft hierbij anderen, onder wie haar eigen dochter, betrokken. Tevens heeft zij een coördinerende rol gespeeld bij de uitvoering van het plan. Zo heeft zij de voor de moord benodigde messen gekocht en haar mededaders specifieke aanwijzingen gegeven. Op het moment dat haar mededader [betrokkene 4] het plan niet meer wilde doorzetten, heeft de verdachte er bij [betrokkene 5] op aangedrongen het toch te doen. Het hof acht de invloed van de verdachte en haar rol in de groep essentieel voor de moord en is van oordeel dat zonder de aanwezigheid van de verdachte in de groep de moord waarschijnlijk niet gepleegd zou zijn. De verdachte heeft in de kleine week, gelegen tussen de beslissing dat haar echtgenoot dood moest en de daadwerkelijke moord voldoende tijd gehad om het verwerpelijke van het plan in te zien, maar het plan niettemin uitgevoerd.

Gelet op de aard en ernst van dit misdrijf en mede gelet op de persoon van de verdachte is een straf van aanzienlijke duur naar het oordeel van het hof zonder meer gerechtvaardigd. De omstandigheid dat de verdachte blijkens een uittreksel Justitiële Documentatie van 20 januari 2010 niet eerder voor levensdelicten is veroordeeld doet hieraan niet af.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf in aanmerking genomen de inhoud van het eerdergenoemde rapport van J.M. Oudejans, psycholoog, en A.E. Ederveen-Grochowska, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, d.d. 28 maart 2008, waarin - kort samengevat - het volgende wordt geconcludeerd.

Bij de verdachte kan worden gesproken van een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. De persoonlijkheidsproblematiek is echter niet zo ernstig dat een pathologisch niveau van een persoonlijkheidsstoornis bereikt wordt. De bij verdachte waargenomen opportunistische (antisociale) gedragskenmerken worden gezien als een uiting van haar pragmatisme, passend bij haar sociale en culturele achtergrond en zijn te beschouwen als een

mix van overlevingsstijl en egocentrisme. De verdachte komt naar voren als een op zichzelf gerichte vrouw die bewust is van haar verantwoordelijkheden tegenover anderen, zoals haar eigen kinderen, maar die onder omstandigheden geneigd is om opportunistische en antisociale gedragskeuzes te maken. Hoewel de verdachte onder relationele stress agressief gedrag kan vertonen, is er geen sprake van een structurele (organische) kwetsbaarheid op het gebied van de agressieregulatie.

Bij de verdachte zijn geen aanwijzingen gevonden voor een (acute noch doorgemaakte) psychiatrische stoornis in engere zin zoals een psychotische stoornis, depressie of angststoornis. Evenmin werden bij de verdachte klachten passend bij een posttraumatische stressstoornis geconstateerd. In het bijzonder werden geen (rest)symptomen gevonden die zouden wijzen op een chronische psychische traumatisering binnen haar relatie met het slachtoffer. Ondanks de geconstateerde gebrekkige ontwikkeling kan niet worden geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde werd ingeperkt door haar antisociale persoonlijkheidsproblematiek in haar wilsvrijheid om zelfstandige keuzes te maken. Omdat er geen aanwijzingen zijn voor een doorwerking van een eventuele pathologie in het tenlastegelegde wordt de verdachte voor het tenlastegelegde volledig toerekeningsvatbaar geacht.

Het hof kan zich verenigen met voormelde bevindingen en komt op grond daarvan tot het oordeel dat het bewezenverklaarde de verdachte kan worden toegerekend.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeventien jaren in beginsel een passende en geboden reactie vormt.

Redelijke termijn van berechting

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 april 2011 aangevoerd dat er in de appelfase sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), hetgeen zou moeten leiden tot strafvermindering.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt vast dat er in de appelfase sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid , van het EVRM, nu de zaak niet binnen zestien maanden na het instellen van het hoger beroep op 11 juli 2008 is afgedaan, maar eerst op 26 mei 2011, en er derhalve sprake is van een overschrijding van meer dan twaalf maanden.

Het hof is van oordeel dat bedoelde overschrijding mede is veroorzaakt door de tijd die met het ten verzoeke van de verdachte en/of haar medeverdachten horen van een aantal deskundigen, alsmede het doen van nader en aanvullend onderzoek, gemoeid is geweest. Niettemin zal het hof aan de overschrijding van de redelijke termijn consequenties verbinden, in die zin dat het hof de overschrijding van de bedoelde termijn zal verdisconteren in de strafmaat, zodat de door het hof overwogen gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren met één jaar zal worden verminderd.

In plaats van een gevangenisstraf van zeventien jaren, zal het hof dan ook een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren opleggen."

5.3. Het middel richt zich met name tegen de overweging van het Hof dat niets het feit kan rechtvaardigen, ook niet als wordt aangenomen dat de verdachte binnen haar huwelijk slachtoffer is geweest van seksueel misbruik danwel huiselijk geweld of bang was het gezag over haar jongste zoon door de echtscheidingsprocedure te verliezen, waarbij het Hof opmerkt dat het dossier voor genoemd misbruik noch voor de door de verdachte naar voren gebrachte angst om door haar echtgenoot te worden gedood of om het gezag over [betrokkene 3] te verliezen objectieve aanknopingspunten bevat. Deze overweging zou onbegrijpelijk zijn tegen de achtergrond van hetgeen door de raadsman is gesteld en omdat het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen ook heeft vastgesteld dat verdachte angst heeft gehad door het slachtoffer te worden gedood.

5.4. De in het middel bedoelde overweging van het Hof moet gelezen worden in het licht van hetgeen het Hof bij de verwerping van het gedane beroep op psychische overmacht heeft vooropgesteld. Het Hof overwoog:

"Vooropgesteld moet worden dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen enig al dan niet acuut, van de zijde van [betrokkene 6] afkomstig, gevaar voor het leven van de verdachte op geen enkele wijze is komen vast te staan of aannemelijk geworden."

Het Hof stelt hier niet dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte bang was, maar dat haar angst niet correspondeerde met een werkelijk bestaand gevaar. In dezelfde zin zal de gewraakte overweging begrepen moeten worden. Het Hof bedoelt daarin kennelijk tot uitdrukking te brengen dat objectieve aanknopingspunten, niet voor die angst, maar voor de gegrondheid van die angst ontbreken. Aan de begrijpelijkheid van die overweging kan dan ook niet afdoen dat, zoals in het middel met juistheid wordt aangevoerd, de verklaringen van verdachte en haar medeverdachte die als bewijsmiddelen zijn gebezigd, inhouden dat verdachte uit angst handelde.

5.5. In de feitelijke vaststelling dat de verdachte uit angst handelde, heeft het Hof kennelijk geen aanleiding gevonden om een lagere straf op te leggen dan het heeft gedaan. Onbegrijpelijk is dat in het licht van de vrijheid die het Hof op het punt van de straftoemeting toekomt en van al hetgeen door het Hof in de strafmotivering in aanmerking is genomen, niet. Het Hof kon de verdachte zwaar aanrekenen dat zij zich door haar nergens op gebaseerde angst heeft laten leiden.

5.6. Het middel faalt.

6. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (11/05477), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

2 Appl. no. 1466/07, LJN BO3656, NJ 2011/386, Brusco tegen Frankrijk

3 Appl. no. 4429/09, Šebalj tegen Kroatië

4 Zie Tekst en Commentaar Strafvordering, Artikel 28 (Bijstand van raadsman).

5 Zie T. Kraniotis, J.M. Reijntjes en Th.A. de Roos,, Sebalj v. Kroatië: toch de raadsman bij het verhoor?, Strafblad november 2011, blz. 79 e.v. Zie voorts Theo de Roos, Kroniek van het straf(proces)recht, NJB 2011/1751.

6 Het proces-verbaal van verhoor vermeldde dat de advocaat op 2 november 2005 om 12.30 uur was gewaarschuwd en dat hij het gehele verhoor, dat om 13.30 uur die dag eindigde, had bijgewoond. Volgens de Kroatische regering was de datum een vergissing: bedoeld was 9 november 2005. Maar ook dan klopte het niet. Volgens de opgave van de gevangenisautoriteiten was de verdachte tussen 9.25 uur en 11.25 uur voor verhoor "gelicht" geweest. Op grond daarvan stelde het EHRM eigenhandig vast dat de pas om 12.30 uur opgeroepen advocaat niet bij het verhoor aanwezig was geweest (§ 254). De conclusie dat ook de verdachte niet bij het "verhoor" aanwezig kon zijn geweest, trok het EHRM niet. Wat het Hof tot zijn feitelijk oordeel zal hebben bewogen, blijkt uit § 262. Het EHRM wenste de officiële versie (raadsman aanwezig) niet te accepteren omdat "the national courts", hoewel de verdachte van meet af aan had aangevoerd dat zijn bekentenis door de politie was "gefabriceerd". "failed to examine the obvious discrepancy between the alleged time of the presence of lawyer E.C. and the time of the applicant's actual questioning".

7 Het politieverhoor zou op 2 of 9 november 2005 hebben plaatsgevonden, het bevel voorlopige hechtenis werd eerst op 20 november 2006 gegeven. Toen werd ook een raadsman toegevoegd (§ 72).

8 Kraniotis, Reijntjes en De Roos opperen de mogelijkheid dat mee heeft gespeeld dat in elk geval de praktijk in Kroatië lijkt te zijn dat steeds een raadsman bij het politieverhoor aanwezig is. Het verhoor beantwoordde dan dus niet aan de nationale standaard.