Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX5801

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2012
Datum publicatie
12-10-2012
Zaaknummer
12/00888
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2012:BV1963
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5801
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Geval waarin bij één arrest in meerdere zaken tegelijk uitspraak is gedaan. Instellen van beroep bij één dagvaarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/2193
RvdW 2012/1278
NJ 2012/587
JWB 2012/481
JBPR 2013/25 met annotatie van mw. mr. K. Teuben
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 12/00888

Mr. Huydecoper

Zitting van 10 augustus 2012

Conclusie inzake

[Eiseres]

principaal eiseres tot cassatie

tegen

1. [Verweerster 1]

2. Centrafarm Services B.V., thans genaamd Tjoapack Netherlands B.V.

3. de vennootschap naar vreemd recht Ratiopharm GmbH

principaal verweersters in cassatie

1. De partijen procederen in deze zaak over de al-dan-niet nietigheid van het voor Nederland verleende deel van een Europees octrooi, EP 03.347.066, en een daarmee verbonden aanvullend beschermingscertificaat als bedoeld in art. 90 e.v. ROW 1995.

In de eerste aanleg werden het octrooi en het beschermingscertificaat op vordering van de huidige verweersters in cassatie - die daartoe drie afzonderlijke, en niet geheel gelijkluidende vorderingen hadden ingesteld - inderdaad nietig verklaard; en wel bij één eensluidend vonnis, gewezen in de drie desbetreffende zaken.

Op het namens de principaal eiseres tot cassatie, [eiseres], ingestelde hoger beroep heeft het hof het vonnis van de eerste aanleg vernietigd en een beperkte nietigverklaring van het octrooi en het beschermingscertificaat uitgesproken.

2. Namens [eiseres] is tegen het eensluidende arrest dat het hof in de drie nietigheidszaken onder de zaaknummers 200.044.322/01, 200.081.980/01 en 200.081.996/01 heeft gewezen, tijdig(1) cassatieberoep ingesteld. Dat is gebeurd bij één eensluidend dagvaardingsexploot.

De verweersters in cassatie onder 1 en 2 hebben, voor zover thans van belang, afzonderlijk primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] op de grond dat bij één dagvaarding cassatieberoep was ingesteld in verschillende, als zelfstandig aan te merken zaken(2).

3. De verweerster in cassatie sub 3, Ratiopharm, heeft laten weten dat zij met [eiseres] een minnelijke regeling heeft getroffen en dat zij in verband daarmee geen formeel of inhoudelijk verweer (meer) voert in het principaal cassatieberoep; en dat zij een aanvankelijk ingesteld incidenteel cassatieberoep intrekt.

4. De nog met elkaar in conflict zijnde partijen hebben kenbaar gemaakt, dat zij voorafgaandelijk aan het verdere debat in cassatie een beslissing wensten op het ontvankelijkheidsargument dat ik in alinea 2 hiervóór heb vermeld. Die partijen hebben hun standpunten ten aanzien van het ontvankelijkheidsverweer schriftelijk laten toelichten. Van de kant van [eiseres] is schriftelijk gerepliceerd.

Bespreking van het op niet-ontvankelijkheid gerichte argument van de verweersters onder 1 en 2.

5. Zoals al even ter sprake kwam, grijpt het op niet-ontvankelijkheid gerichte betoog van de verweersters onder 1 en 2 aan op de rechtsleer die ertoe strekt, dat het niet geoorloofd is om bij één processtuk - dagvaarding dan wel rekest - een rechtsmiddel aan te wenden tegen verschillende rechterlijke uitspraken tegelijk.

Het debat tussen de partijen heeft zich geconcentreerd op de vraag of in deze zaak toepassing moet worden gegeven aan de aldus omschreven regel, dan wel of hier de in de rechtspraak aanvaarde uitzonderingen op die regel van toepassing zijn.

6. Om met de deur in huis te vallen: ik denk dat het laatste het geval is, en dat in deze zaak dus geen grond bestaat om [eiseres] in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.

Ter toelichting van deze bevinding, het volgende:

7. Zoals de fgd. A - G Martens in alinea 6 van zijn conclusie voor HR 7 maart 1980, NJ 1980, 611 m.nt. WHH heeft opgemerkt, bestaat er geen wettelijk voorschrift (en, voeg ik toe, ook overigens geen regel van geschreven recht) die op straffe van niet-ontvankelijkheid verbiedt dat tegen in twee verschillende zaken gewezen uitspraken bij één inleidend processtuk een rechtsmiddel wordt ingeleid. Mijn toenmalige ambtgenoot vervolgt het betoog in deze conclusie met beschouwingen die ertoe strekken, dat er ook in de nodige gevallen geen belangen vallen aan te wijzen die rechtvaardigen dat het "in beroep gaan" op de aangeduide wijze, met niet-ontvankelijkheid wordt "afgestraft".

8. In het op deze conclusie volgende arrest, overwoog de Hoge Raad dat weliswaar in het algemeen geldt dat cassatieberoep in verschillende zaken niet bij een en hetzelfde exploot van dagvaarding mag worden ingesteld, maar dat dat niet in alle gevallen geldt. Het in die zaak aanwezige geval, waarin het ging om beroep tegen op dezelfde dag gewezen uitspraken van dezelfde rechter en tussen dezelfde partijen, in geschillen die gewoonlijk verenigd aan de rechter worden voorgelegd maar in dit geval afzonderlijk aanhangig waren gemaakt, werd aangemerkt als een geval waarin de regel niet geldt(3).

9. De sindsdien verschenen rechtspraak vertoont dit beeld, dat aan de regel die de verweersters onder 1 en 2 in deze zaak inroepen wordt vastgehouden wanneer bij één inleidend processtuk wordt opgekomen tegen uitspraken waartussen geen relevante mate van samenhang bestaat, maar dat de uitzondering van toepassing wordt geacht wanneer er wél zo'n voldoende mate van samenhang is. In vogelvlucht:

- HR 27 februari 2004, NJ 2004, 239, rov. 3. Het ging om geschillen tussen de belastingontvanger en (groepen van) tuinders, aanvankelijk bij verschillende rechterlijke instanties ingeleid maar op verzoek van de Ontvanger en met instemming van de betrokken tuinders wegens verknochtheid naar dezelfde rechter verwezen, en vervolgens in de feitelijke instanties samen berecht. Het beroep op niet-ontvankelijkheid moest hier worden verworpen.

- HR 23 december 2005, NJ 2007, 162 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3. Deze zaak betrof tien geschillen tussen een Landinrichtingscommissie in de zin van de toenmalige Landinrichtingswet, en verschillende belanghebbenden bij het desbetreffende landinrichtingsproject. De uitspraken in die zaken waren niet gewezen tussen dezelfde partijen en er was geen voeging wegens verknochtheid geweest. In dat geval gold de regel die tot niet-ontvankelijkheid leidt, (dus) wel. Ik merk op dat het enkele feit dat de zaken op met elkaar (nauw) verwante problemen betrekking hebben (zoals, naar in de rede ligt, bij de meningsverschillen tussen een Landinrichtingscommissie en de betrokkenen bij het landinrichtingsproject vaak het geval zal zijn), dus gewoonlijk onvoldoende zal zijn om een beroep op de uitzondering te rechtvaardigen.

- HR 19 februari 2010, NJ 2010, 116, rov. 4.3. Hier ging het om vier zelfstandige onteigeningszaken, spelend tussen de onteigenende partij en dezelfde belanghebbenden. Uit de gepubliceerde vindplaats blijkt niet dat voeging van de zaken, formeel dan wel informeel, had plaatsgehad, maar de zaken waren wel gelijktijdig door dezelfde rechter beoordeeld en beslist. Blijkens de conclusie van

A - G Wattel werd in alle vier zaken een gelijkluidend cassatiemiddel aangevoerd, wat mij doet vermoeden dat de zaken, althans voor zover in cassatie van belang, dezelfde vraag, of nauw samenhangende vragen betroffen. De Hoge Raad oordeelde dat er een zodanige materiële en processuele samenhang bestond dat er geen reden was om de regel betreffende niet-ontvankelijkheid toe te passen.

- HR 9 juli 2010, NJ 2010, 401, JBPr 2010, 56 m.nt. Hovens, rov. 3. Hier ging het om door dezelfde belanghebbende - de faillissementscurator - tegen drie verschillende partijen, namelijk: de (gewezen) bestuurders van de gefailleerde, ingeleide verzoeken tot faillietverklaring. Daarover was in appel bij drie afzonderlijke arresten (telkens: in dezelfde zin) beslist. Er was geen voeging wegens verknochtheid bevolen. Hier volgde niet-ontvankelijkverklaring. De bij het arrest gepubliceerde uitspraken van het hof vertonen een aanzienlijke mate van gelijkenis, zodat men kan vermoeden dat de zaken inhoudelijk wel dezelfde of nauw verwante problemen betroffen. Dit geval bevestigt daarom de indruk die ook door het geval uit NJ 2007, 162 wordt opgeroepen: het feit dat de zaken dezelfde of nauw verwante vragen betreffen, is wanneer de partijen geheel verschillend zijn en géén gevoegde behandeling heeft plaatsgehad, op zichzelf niet voldoende om een beroep op de uitzondering te rechtvaardigen.

- HR 24 juni 2011, RvdW 2011, 797, rechtspraak.nl LJN BQ3010, rov. 3. Hier ging het om tien arresten van een hof in zaken betreffende schade als gevolg van gebreken in aan de eisende partijen (wederom: tuinders) geleverd teeltmateriaal. Alle zaken betroffen dezelfde leveranciers. Zes beslissingen werden in gezamenlijke arresten behandeld en afgedaan, de vier andere in afzonderlijke arresten. Het betrof verschillende eisende partijen, en er was geen voeging wegens verknochtheid bevolen. Er volgde dus niet-ontvankelijkverklaring. Ook hier ligt in de rede dat er inhoudelijk overeenkomst bestond tussen de in de verschillende zaken beoordeelde geschillen. Ook hier kan men dus (onrechtstreeks) bevestiging vinden voor de gedachte dat dát gegeven op zich, als de zaken verschillende partijen betreffen en er geen vorm van voeging heeft plaatsgehad, onvoldoende is om een uitzondering op de regel te rechtvaardigen.

10. Ik maak uit de hiervóór besproken bronnen op dat in gevallen waarin zaken wel op grond van verknochtheid zijn gevoegd - waarbij het, zoals ik in voetnoot 3 al even liet blijken, volgens mij niet relevant is of dat langs de formele weg van de art. 222 e.v. Rv. is gebeurd, of via het informele instituut van de zogenaamde "rolvoeging"(4), of op de voet van verwijzing wegens verknochtheid naar een andere rechter - en de zaken vervolgens dienovereenkomstig zijn behandeld en beslist, in elk geval beroep op de uitzondering mag worden gedaan. Ik denk dat hetzelfde geldt als de rechter zonder dat voeging plaatsvindt, verschillende zaken in één gelijkluidende beslissing heeft beslist. Dat pleegt, behalve in zaken waarin een van de hiervóór genoemde varianten van voeging of verwijzing heeft plaatsgehad, te gebeuren in zaken waarin zogenaamde subjectieve cumulatie aan de orde is (er is in één zaak, en dus bij één eensluidend inleidend processtuk, door verschillende eisers een vordering tegen dezelfde gedaagde, of door een of meer eisers tegen verschillende gedaagden aanhangig gemaakt).

11. In de doctrine wordt door de meeste schrijvers een - aanmerkelijk - ruimere opstelling aanbevolen ten aanzien van uitzonderingen op de ontvankelijkheidsregel die de verweersters onder 1 en 2 inroepen, dan de tot dusverre in de rechtspraak aanvaarde opstelling. Daarbij wordt, soms: zonder die expliciet te vermelden, verwezen naar de beschouwingen van fgd.

A - G Martens in zijn hiervóór aangehaalde conclusie(5). Die beschouwingen lijken ook mij vandaag de dag nog onverminderd doeltreffend. Ik zou het dan ook niet betreuren wanneer de Hoge Raad de in de doctrine aanbevolen ruimere opstelling zou omarmen. Ik teken echter aan dat, zoals aanstonds te bespreken, een bevredigende oplossing voor het onderhavige geval mogelijk is zonder dat over de eventuele verruiming van de rechtsleer op dit punt hoeft te worden beslist.

12. In de zaak die thans ter beoordeling voorligt, zijn de verschillende procedures in de eerste aanleg door rolvoeging "bijeengebracht"(6) en daarna dienovereenkomstig behandeld en beslist. In hoger beroep was rolvoeging niet aan de orde, omdat [eiseres] in één dagvaarding hoger beroep in alle drie de desbetreffende zaken heeft ingesteld, de zaken op de voet daarvan tegelijk en onder (aanvankelijk) één rolnummer op de rol zijn gebracht en er vervolgens één eensluidende memorie van grieven werd genomen. De zaak is dan ook ook in hoger beroep behandeld en beslist, als had er rolvoeging plaatsgehad; behoudens dat bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is besproken, en vervolgens met instemming van de partijen is beslist dat het in werkelijkheid drie zaken betrof en dat daarom naar die maatstaf griffierecht zou worden geheven. In het éne arrest dat het hof vervolgens wees, worden de drie zaken in één eensluidende reeks van overwegingen beoordeeld. Gezien de inzet van de procedures - nietigverklaring van een en hetzelfde Europese octrooi en beschermingscertificaat - lag dat ook voor de hand.

13. In die omstandigheden lijkt mij dat de samenhang die zich in dit geval zowel materieel als processueel voordoet, met inachtneming van de maatstaven die uit de in alinea 9 hiervóór aangehaalde rechtspraak blijken, van dien aard is dat het instellen van cassatieberoep bij één ongedifferentieerde dagvaarding geen beletsel voor de ontvankelijkheid van dat beroep mag opleveren.

Daarmee heb ik de uitkomst waarmee ik dit betoog begon, naar ik hoop voldoende toegelicht.

Kosten

14. De partijen hebben enige beschouwingen over dit onderwerp ten beste gegeven. Bij de uitkomst in dit geschil-vooraf die ik hiervóór heb aanbevolen, en die ertoe zou leiden dat de procedure hierna langs de gebruikelijke weg wordt voortgezet en voldongen, lijkt het mij aangewezen dat bij het eindarrest over alle kosten wordt beslist, en dat dat niet in dit tussenarrest apart gebeurt voor de tot nu toe gemaakte kosten.

Conclusie

Ik concludeer dat het beroep van de verweersters onder 1 en 2 op niet-ontvankelijkheid van de principaal eiseres moet worden verworpen, en dat een beslissing over de kosten in dit stadium achterwege kan blijven.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het arrest van het hof is van 24 januari 2012. De cassatiedagvaarding is op 13 februari 2012 uitgebracht.

2 Er hebben ook de nodige andere verrichtingen plaatsgehad c.q. zijn ook de nodige andere standpunten betrokken. Deze spelen echter voor de thans in cassatie voorgelegde vraag geen rol, wat mij aanleiding geeft die verrichtingen en standpunten niet nader te beschrijven.

3 Voor de oudere rechtspraak, waarin de hier bedoelde regel veelal met méér "gestrengheid" werd toegepast, en voor de verdere "oudere" rechtsleer, verwijs ik weer graag naar de aangehaalde vindplaats uit de conclusie van fgd. A - G Martens.

Ik vraag daarbij aandacht voor HR 9 mei 1958, NJ 1958, 321 "O. wat betreft het middel van niet-ontvankelijkheid". Daar oordeelde de Hoge Raad dat het bij één cassatiedagvaarding instellen van beroep in twee verschillende zaken waarin in hoger beroep rolvoeging was toegepast en vervolgens bij één appel-arrest gelijktijdig, maar wel in iedere zaak afzonderlijk, uitspraak werd gedaan, niet tot niet-ontvankelijkheid mocht leiden. Namens de verweersters onder 1 en 2 wordt aangevoerd dat dit arrest door de latere rechtspraak van de Hoge Raad zou zijn "achterhaald". Ik wil al op deze plaats opmerken dat ik geen aanwijzingen in die rechtspraak zie die deze gevolgtrekking voldoende rechtvaardigen. In die rechtspraak constateert de Hoge Raad soms dat geen "voeging" heeft plaatsgehad - maar ik beschouw dat niet als een (stilzwijgend) terugkomen op het oordeel uit het arrest van 1958, waarin aan (loutere) rolvoeging betekenis werd toegekend. Ik acht veeleer aannemelijk dat de Hoge Raad ook thans, net als in de uitspraak uit 1958, formele voeging en rolvoeging in dit verband als (min of meer) gelijkwaardig beoordeelt.

4 Zoals in de doctrine vrij algemeen wordt verdedigd, hebben voeging via het formele voegingsincident en zogenaamde "rolvoeging" inhoudelijk hetzelfde effect, namelijk: dat de "gevoegde" zaken gelijktijdig en door dezelfde rechters worden behandeld en beoordeeld, terwijl de verschillende zaken wel hun zelfstandigheid behouden; zie Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), G. Snijders, commentaar op Boek 1, Titel 2, Afd. 10, par. 4 Rv., aant. 7 en art. 222, aant. 4; T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Van Maanen - Van Dam-Lely, 2012, art. 222, aant. 2 onder d en de daarin vermelde rechtspraak. Zie ook HR 22 juli 1948, NJ 1948, 618.

Bij een zo grote mate van overeenstemming wat betreft het materiële effect, lijkt het mij niet te verantwoorden om wél een scherp onderscheid te maken als het gaat om de toepassing van de in deze zaak aan de orde zijnde ontvankelijkheidsregel.

5 Zie voor de ruimere opvatting Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Ynzonides - Van Geuns, art. 343, aant. 6; Snijders - Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 139; Lindijer, de goede procesorde, diss. 2006, nr. 6.7.3. Zonder af te dingen op de in de rechtspraak aanvaarde maatstaven: Hovens, Civiel appèl, 2007, p. 53; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 139 (p. 297).

6 De zaken zijn in eerste aanleg uitgeprocedeerd naar de regeling voor de versnelde bodemprocedure in octrooizaken die de rechtbank Den Haag heeft ontwikkeld, en die via rechtspraak.nl kan worden geraadpleegd. Blijkens rov. 1.1, vierde "gedachtestreepje", rov. 2.1, derde "gedachtestreepje" en rov. 3.1, derde "gedachtestreepje" van het in eerste aanleg gewezen vonnis (van 8 april 2009) heeft de voorzieningenrechter in het kader van die procedure rolvoeging van de drie zaken bevolen.