Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX5792

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
12/03273
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5792
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a RO; niet-ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1165
NJ 2012/548
JWB 2012/426
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 12/03273

mr. Wuisman

Rolzitting: 10 augustus 2012 (WSNP)

CONCLUSIE tot niet- ontvankelijkheid ex artikel 80a Ro inzake:

[Verzoekster],

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos

1. Voorgeschiedenis

1.1 Bij vonnis d.d. 8 maart 2012 wijst de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek van verzoekster tot cassatie om tot de wettelijke schuldsanering te worden toegelaten af. Het hof 's-Gravenhage bekrachtigt dit vonnis bij arrest d.d. 26 juni 2012. Een aanzienlijk deel van de aanwezige schulden heeft verzoekster tot cassatie, aldus het hof, niet te goeder trouw laten ontstaan: er zijn niet strikt nodige uitgaven gedaan op een moment dat er al een forse schuldenlast bestond en verzoekster wist of kon begrijpen dat zij de financieringslasten niet binnen redelijke termijn zou kunnen voldoen; zij had slechts een Wwb-uitkering en geen betaald werk.

1.2 Bij een op 4 juli 2012 per fax bij de griffie van de Hoge Raad en daarmee tijdig binnengekomen verzoekschrift is verzoekster in cassatie van het arrest van het hof in cassatie gekomen.

2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep ex artikel 80a RO

2.1 Er wordt een cassatiemiddel voorgedragen met daarin de klacht dat het hof geen aandacht heeft geschonken aan twee elementen. De klacht kan, zo blijkt klaar, niet tot cassatie leiden. Immers:

a. Het eerste element, zoals in het middel omschreven, vindt geen steun in het recht. Of een natuurlijke persoon de kans dient te krijgen om weer met een schone lei verder te kunnen gaan, hangt hiervan af of hij voldoet aan de in de wet neergelegde voorwaarden voor toelating de wettelijke schuldsaneringsregeling.

b. Wat het tweede element betreft, of het hoge bestedingspatroon van verzoekster tot cassatie te maken heeft met de zorg voor haar gehandicapte kind is een vraag van feitelijke aard, die niet voor het eerst in cassatie aan de orde kan worden gesteld. Verder wordt niet duidelijk gemaakt waarom het hof, gelet op het verloop van de procedure, onvoldoende aandacht aan dit aspect heeft geschonken.

c. De bewering dat artikel 6 EVRM en artikel 47 EU-Handvest van de Grondrechten zijn geschonden, stoelt op het niet meewegen door het hof van de hiervoor besproken elementen. Reeds omdat ten onrechte over dit niet meewegen wordt geklaagd, mist de bewering een deugdelijke grondslag. Die grondslag ontbreekt ook overigens.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a Ro.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden