Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX5640

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
11/04055
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5640
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Verbintenissenrecht. Dienstverlening door verzekeringstussenpersoon. Uitleg rechtsverhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1175
JWB 2012/442
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 11/04055

Mr. Huydecoper

Zitting van 13 juli 2012

Conclusie inzake

Assurantiekantoor Invertra B.V.

eiseres tot cassatie

tegen

Maesstad B.V.

verweerster in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. Het gaat in deze zaak vooral om de uitleg van de rechtsverhouding van de partijen, die is ontstaan doordat de verweerster in cassatie, Maesstad, in 2002 een andere vennootschap, De Hakenberg, is opgevolgd in een relatie waarin De Hakenberg bepaalde diensten in verband met het verzekerings(-intermediair-)bedrijf van de eiseres tot cassatie Invertra, voor deze was gaan verrichten.

2. Volgens mij moeten de klachten die het middel tegen de door het hof aan deze rechtsverhouding gegeven uitleg inbrengt, worden afgewezen(2). Die klachten stellen geen vragen aan de orde die met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling om een antwoord vragen. Zij zijn ook overigens van dien aard dat ik meen dat met een verkorte conclusie kan worden volstaan.

3. Bij de bespreking van de klachten stel ik voorop dat de te onderzoeken rechtsverhouding gold tussen twee vennootschappen die zich beide bezig hielden met verschillende activiteiten als tussenpersoon in verzekeringen; en dat de beoogde rechtsverhouding, waarin Maesstad dus een eerdere partij is opgevolgd, inhoudelijk vrij summier was geregeld, in dier voege dat er slechts een telefax uit september 2001 bestaat, die de partijen als neerslag van de getroffen regeling aanmerken.

3. De rechtsverhouding strekte er, zoals ik al even aangaf, toe dat Maesstad bepaalde diensten in verband met het door Invertra uitgeoefende bedrijf van verzekeringstussenpersoon, voor Invertra zou verrichten. De precieze omvang van de beoogde diensten, en met name: de mate waarin was beoogd dat Maesstad ook rechtstreeks contact zou hebben met de cliënten uit de verzekeringsportefeuille van Invertra, vormt een van de twistpunten tussen partijen.

4. Wanneer de ene onderneming die zich met het bedrijf van verzekeringstussenpersoon bezig houdt, diensten in verband met het overeenkomstige bedrijf van een andere onderneming voor haar rekening gaat nemen, vergt de rechtsverhouding die dan tot stand komt een zekere regulering van de onderlinge concurrentie(3). De onderneming die diensten zal gaan verlenen krijgt daardoor immers toegang tot cliënten en cliëntgegevens van de andere onderneming, en het ligt in de rede dat de rechtsverhouding ertoe strekt dat van die gegevens geen gebruik "te eigen bate" mag worden gemaakt.

5. Aan de andere kant strekt de rechtsverhouding er allicht niet toe dat de onderneming die de diensten zal gaan verlenen, iedere concurrentie met de andere onderneming achterwege moet laten - beide zijn immers verzekeringstussenpersoon, en in die hoedanigheid aangewezen op het aantrekken van gegadigden voor hun diensten. Een vergaande beperking van de concurrentiemogelijkheid van de dienstverlenende onderneming zou deze het functioneren op haar eigen markt onmogelijk kunnen maken, of in elk geval zeer vergaand kunnen belemmeren. Dat de rechtsverhouding die wij hier voor ogen hebben dát zou beogen, is (erg) onaannemelijk.

De door de onderhavige rechtsverhouding (goeddeels: stilzwijgend) beoogde regeling van de onderlinge mededinging, hield dus vermoedelijk het midden, ergens tussen de twee hiervóór in grote trekken aangeduide "polen".

6. Het geschil betreft de vraag of Maesstad zich heeft gedragen naar de mededingingsbeperking die in de rechtsverhouding van partijen besloten lag. Dat noodzaakte de rechter, de strekking/inhoud van die beperking te onderzoeken, uiteraard: op de voet van wat door de partijen was aangevoerd.

7. Daarbij is van belang dat, als men de van de kant van Invertra in feitelijke aanleg ingebrachte stellingen onderzoekt, daarin weliswaar wordt gesproken van "aftroggelen van klanten" door Maesstad en van een verplichting van Maesstad om van de klanten van Invertra "af te blijven", maar dat de concrete "invulling" van deze nogal abstracte stellingen, telkens bestond in verwijten die ertoe strekten dat Maesstad, in de persoon van de voormalige directeur van Invertra [betrokkene 1] of met diens ondersteuning, klanten van Invertra zou hebben benaderd dan wel bewerkt, met het doel deze over te halen om klant van Maesstad te worden.

Concreet uitgewerkte verwijten op het thema dat Maesstad uit hoofde van de rechtsverhouding van partijen gehouden zou zijn om klanten die uit eigen beweging van Invertra naar Maesstad wilden "overstappen" dat te beletten, of om anderszins maatregelen te nemen die Invertra tegen deze ontwikkeling zouden beschermen, treft men niet, of hoogstens in zeer summiere vorm, aan.

8. Het hof heeft niettemin onderzocht of de rechtsverhouding meebracht dat Maesstad en [betrokkene 1] verplicht waren om verzekerden die wensten over te stappen, daarvan te weerhouden; maar komt in rov. 10 tot het oordeel dat dat niet het geval was.

9. De klachten in cassatie strekken er telkens toe dat in de namens Invertra betrokken stellingen wél besloten zou liggen dat op Maesstad een verplichting rustte om klanten die wilden overstappen daarvan te weerhouden, althans om Invertra behulpzaam te zijn bij het beletten dat dat gebeurde, of bij het "terugdraaien" daarvan als het toch gebeurde.

Deze klachten miskennen dat namens Invertra weinig of niets was aangevoerd dat de thans in cassatie verdedigde verplichtingen zou ondersteunen. Het hof heeft niettemin onderzocht of verplichtingen van een min of meer overeenkomstige strekking aannemelijk waren, en heeft geoordeeld dat dat niet zo was. Dat oordeel berust in sterk overwegende mate op een aan het hof voorbehouden waardering van de - bepaald niet eenduidige - omstandigheden die de partijen aan het hof hadden voorgelegd. Ik vind dat oordeel in het licht van de summiere onderbouwing die zijdens Invertra op dit thema was gepresenteerd, geenszins onbegrijpelijk.

10. Voor zover de cassatiemiddelen ook beogen te klagen over het oordeel van het hof dat (ertoe strekt dat) niet bewezen is dat Maesstad, al-dan-niet in de persoon van [betrokkene 1], klanten van Invertra heeft benaderd om dezen tot het "overgaan" te bewegen, richten deze klachten zich tegen oordelen die als uitsluitend feitelijk, en daarmee aan het hof voorbehouden, moeten worden aangemerkt(4).

Zoals wel vaker het geval is, kan de door het hof gevonden uitkomst in het licht van de gegevens die namens Invertra worden benadrukt (ik denk dan in het bijzonder aan stellingen van de kant van Maesstad die men zou kunnen uitleggen in de zin dat zij, Maesstad, de portefeuille waartoe de klanten van Invertra behoorden had "overgenomen", en dat zij daarom niet gehouden was ten opzichte van die klanten bijzondere égards in acht te nemen(5)) ook anders worden gewaardeerd. Ik merk de door het hof gekozen waardering echter bepaald niet aan als onbegrijpelijk.

11. Ik vermeld nog dat de klachten in cassatie op heel wat plaatsen blijk geven van een uitleg van partijstellingen, van in de eerste aanleg gegeven oordelen en van oordelen van het hof die geen steun vindt in de stukken, en dus "feitelijke grondslag mist". Ook geldt dat er op een aantal plaatsen bevindingen van het hof als onjuist of onvoldoende begrijpelijk worden bestreden zonder dat wordt aangegeven bij welke vindplaatsen in de stukken deze verwijten steun zoeken (terwijl dat voor onderzoek van deze klachten wel noodzakelijk is).

Ik meen dat het in dit geval niet nodig is dat ik de klachten stuk voor stuk bespreek en de plaatsen aanwijs waar deze verschijnselen zich voordoen(6).

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

de Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ontleend aan rov. 1.1 - 1.4 van het in cassatie bestreden arrest en aan rov. 2 van dat arrest (waarin het hof kort heeft geschetst waar het in de onderhavige zaak om gaat).

2 Ik vermeld dat er tijdig en regelmatig cassatieberoep werd ingesteld (arrest gewezen op 29 maart 2011, cassatiedagvaarding van 29 juni 2011).

3 Dat betekent dat deze rechtsverhouding wezenlijke aspecten van mededingingsrecht in het spel kan brengen. Hierover is echter in deze zaak niets aangevoerd, en dus ook niets door het hof geoordeeld. In het licht van HR 16 januari 2009, NJ 2009, 54, rov. 3.3 en 3.4, behoeft deze mogelijkheid ook in cassatie geen aandacht.

4 Bij wege van illustratie verwijs ik naar HR 24 december 2010, RvdW 2011, 58, rov. 3.7; HR 16 april 2010, NJ 2010, 229, rov. 3.7; HR 9 april 2010, RvdW 2010, 511, rechtspraak.nl LJN BK1610, rov. 5.8; HR 12 maart 2010, RvdW 2010, 416, rechtspraak.nl LJN BK9158, rov. 3.4; HR 19 februari 2010, NJ 2011, 121 m.nt. Van Wijmen, rov. 7.2.4 en 7.2.7.

5 Namens Maesstad wordt overigens terecht in cassatie aangevoerd dat de uitleg die Invertra in cassatie aan de desbetreffende stellingen geeft, vermoedelijk een andere is dan de door het hof aan die stellingen gegeven uitleg. De uitleg van partijstandpunten is aan de "feitenrechter" voorbehouden (Asser, Civiele cassatie, 2011, nr. 4.7.3.4; Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2011, nr. 40). Relevante motiveringsklachten, hierop gericht, heb ik niet aangetroffen.

6 Voor voorbeelden verwijs ik naar de cassatiedagvaarding op p. 5, 1e en 2e "bulletpoint", middelonderdeel 1c, middelonderdeel 2a, tweede en derde alinea's en middelonderdeel 3a, tweede en derde alinea's.