Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX5639

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
11/02660
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5639
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Beroepsaansprakelijkheid verzekeringstussenpersoon. Schade door misgelopen verzekeringsuitkeringen. Omvang schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1176
JWB 2012/441
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 11/02660

Mr. Huydecoper

Zitting van 13 juli 2012

Conclusie inzake

[Eiser](1)

eiser tot cassatie

tegen

Rabobank Oosterschelde U.A.

verweerster in cassatie

1. Het geschil in cassatie is beperkt tot de vraag, of het hof op deugdelijke gronden heeft geoordeeld dat de verweerster in cassatie, Rabo, jegens de eiser tot cassatie, [eiser], aansprakelijk is voor gederfde verzekeringsuitkeringen tot en met het jaar 2014 (en niet, zoals namens [eiser] was gevorderd, 2024).

Ik denk dat de in cassatie aangevoerde klachten ongegrond zijn. Die klachten stellen geen vragen aan de orde die met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoording behoeven. Ik vind ze ook overigens van dien aard, dat ik meen dat met een verkorte conclusie kan worden volstaan.

2. Zoals al terloops ter sprake kwam, heeft het hof geoordeeld dat Rabo wegens (toerekenbaar) tekortschieten in haar hoedanigheid van door [eiser] ingeschakelde verzekeringstussenpersoon, jegens [eiser] aansprakelijk is voor schade naar rato van door [eiser] misgelopen verzekeringsuitkeringen. Het gaat dan om uitkeringen uit hoofde van een verzekering terzake van arbeidsongeschiktheid, over een periode die zich uitstrekt tot en met het jaar 2014.

3. De partijen hadden in de eerste aanleg gedebatteerd over de vraag of de in aanmerking te nemen periode na 2014 eindigde dan wel tot 2024 voortduurde; en de eerste rechter had, na aanvankelijk een "eindbeslissing" in de door Rabo verdedigde zin te hebben gegeven, in dit debat tenslotte voor het namens [eiser] verdedigde standpunt gekozen.

Tegen dit oordeel kwam Rabo in hoger beroep op met twee specifiek daartegen gerichte Grieven, genummerd IV en V. Het hof oordeelde de daarin aangevoerde argumenten gegrond, waarbij het hof mede in aanmerking nam dat de desbetreffende argumenten van de kant van [eiser] in appel niet waren weersproken.

4. Tegen deze laatste vaststelling - dus dat de argumenten waarmee Rabo het onderhavige standpunt, naar 's hofs oordeel dus: met recht, in appel ondersteunde, niet waren weersproken -, wordt in cassatie niet opgekomen. Er worden ook geen klachten ingebracht die overigens aan deze vaststelling van het hof zouden kunnen afdoen(2).

Daarom moet in cassatie tot uitgangspunt worden genomen, dat namens Rabo in appel een aantal van de kant van [eiser] niet weersproken argumenten waren aangevoerd, die het hof in de thans in cassatie bestreden overweging aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.

Ik denk dat de cassatieklachten al op deze bevinding (moeten) afstuiten.

5. Ik denk daarbij, dat die klachten ook afgezien van de zojuist aangewezen bedenking, goede grond missen.

Het gaat dan om de alinea's 3 - 6 van de cassatiedagvaarding - op andere plaatsen in die dagvaarding heb ik geen klachten aangetroffen.

6. In alinea 3 wordt geklaagd op het stramien dat het niet de vraag zou zijn of Aegon(3) bereid was een verzekering voor een langere duur (dan tot 2014) te bieden, maar of er ("überhaupt") verzekeraars zijn, die daartoe destijds bereid zouden zijn geweest.

Daarmee snijdt deze klacht een kwestie aan die in feitelijke aanleg niet is opgeworpen (de klacht verwijst dan ook niet naar vindplaatsen in de eerdere stukken). Dit is niet een punt dat in cassatie voor het eerst aan de orde kan komen.

7. Alinea 4 klaagt dat de bevinding dat [eiser] destijds gezondheidsklachten aan de schouder had, geen deugdelijke grond kan opleveren voor het oordeel dat er geen arbeidsongeschiktheidsverzekering met effect na 2014 beschikbaar was.

Hier geldt, dat Rabo in het kader van appelgrief IV had aangevoerd dat de toen van [eiser] bekende ziekteverschijnselen eraan in de weg stonden dat er een ruimere verzekeringdekking dan tot en met 2014 (voor welke periode al een bepaalde vorm van dekking "liep") bereikbaar was(4); en dat de in alinea 4 hiervóór bedoelde vaststelling van het hof over het niet-weersproken zijn van Rabo's posita, met name (ook) op deze stelling ziet.

8. Met het gegeven voor ogen dat het hier een onweersproken stelling van Rabo betrof, valt niet staande te houden dat deze stelling de door Rabo op grond daarvan verdedigde slotsom niet kan dragen.

Ik kan dan daarlaten dat ook afgezien daarvan, het feit dat [eiser] destijds ziekteverschijnselen vertoonde er stellig toe kan bijdragen dat men als juist aanneemt dat verzekeraars bepaalde risico's te zijnen opzichte niet zouden willen aanvaarden. Welk gewicht er aan dat gegeven toekomt, kan in cassatie niet worden beoordeeld.

9. De alinea's 5 en 6 klagen dat de daar aangewezen gegevens, namelijk dat een in de relevante periode opgestelde offerte en aanvraag verwijzingen inhouden naar verzekeringen die tot en met 2014 zouden "lopen", geen begrijpelijke grond voor het hier bestreden oordeel zouden opleveren.

Deze klachten miskennen, behalve het in alinea 4 hiervóór al gesignaleerde gegeven, dat de hier bedoelde feiten, ook als men meent dat die voor het van het hof gevraagde oordeel niet als "dragend" kunnen gelden, wel enige bijdrage aan de aannemelijkheid van de namens Rabo verdedigde uitkomst kunnen leveren. Zo werden die feiten ook namens Rabo gepresenteerd, en zo heeft het hof ze klaarblijkelijk ook gewaardeerd.

10. De processtukken kunnen de indruk oproepen dat [eiser] met een - ernstig - nadeel wordt geconfronteerd, dat men ongaarne voor zijn rekening zou laten komen; maar dat rechtvaardigt op zichzelf niet, dat Rabo dat nadeel voor haar rekening zou moeten nemen. Het doet er ook niet aan af dat in cassatie geen klachten worden aangevoerd, die aan het bestreden oordeel van het hof kunnen afdoen.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping, met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 In de cassatiedagvaarding wordt als eerste voornaam "[voornaam]" vermeld. Ik heb mij geconformeerd aan de door het hof gebruikte namen.

2 Men zou hier bijvoorbeeld kunnen denken aan het leerstuk dat onder de aanduiding "devolutieve werking van het hoger beroep" bekend staat.

3 Aegon was de verzekeraar met wie destijds voor de door [eiser] gewenste arbeidsongeschiktheidsverzekering contacten liepen. Het is in die contacten, dat [eiser] aan Rabo onvoldoende bewaking van [eiser]s belangen verwijt.

4 Memorie van Grieven, alinea 68.