Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX5638

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2012
Datum publicatie
12-10-2012
Zaaknummer
11/02851
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8234
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5638
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige overheidsdaad. Vordering tot schadevergoeding in verband met toepassing strafvorderlijke dwangmiddelen en strafvervolging. Beroep op verjaring; art. 3:310 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1287
O&A 2012/110
JWB 2012/475
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/02851

Mr. F.F. Langemeijer

13 juli 2012

Conclusie inzake:

1. [Eiser 1]

2. [Eiseres 2]

3. Rampart Capital Corp.

tegen

Staat der Nederlanden

In deze zaak is schadevergoeding gevorderd na toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen en een strafvervolging die niet met een veroordeling is geëindigd. Is de hiermee verband houdende vordering tot schadevergoeding verjaard?

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten(1):

1.1.1. Eiser tot cassatie onder 1 (hierna kortweg: eiser) is gehuwd met eiseres tot cassatie onder 2; zij wordt hierna aangeduid als: de echtgenote.

1.1.2. Eiser was directeur-grootaandeelhouder van de op 11 januari 1995 gefailleerde vennootschap Rampart Capital Nederland BV (hierna: Rampart Nederland) en van de vennootschap naar buitenlands recht die thans optreedt als eiseres tot cassatie onder 3 (hierna: Rampart Canada). In deze hoedanigheid heeft eiser vanaf omstreeks 1988 zich bezig gehouden met bemiddeling bij transacties die verband hielden met beleggingen in onroerend goed, met name in Canada en in de Verenigde Staten.

1.1.3. Naar aanleiding van aangiften van oplichting en valsheid in geschrift is het openbaar ministerie in oktober 1996 in Nederland een strafrechtelijk vooronderzoek tegen eiser begonnen. De officier van justitie heeft op 2 oktober 1997 een bevel tot aanhouding doen uitgaan en per 22 januari 1998 is eiser internationaal gesignaleerd.

1.1.4. Op 18 maart 1998 is eiser in de Verenigde Staten door de Amerikaanse autoriteiten aangehouden en gedetineerd. Op 29 maart 1998 is hij overgedragen aan de Nederlandse politie. Eiser is in verzekering en vervolgens in bewaring gesteld op verdenking van:

1) feitelijk leiding geven aan oplichting door Rampart Nederland, dan wel verduistering;

2) feitelijk leiding geven aan oplichting van de ABN AMRO-bank;

3) bedrieglijke bankbreuk in het faillissement van Rampart Nederland;

4) feitelijk leiding geven aan de onttrekking van goederen aan rechthebbenden.

1.1.5. Nadien is de gevangenhouding van eiser bevolen. De voorlopige hechtenis van eiser is beëindigd op 15 oktober 1998.

1.1.6. De telastelegging in de dagvaarding van april 1998 kwam overeen met de verdenking zoals die was neergelegd in de vordering tot inbewaringstelling. De officier van justitie heeft op 12 april 2001 de telastelegging gewijzigd in die zin dat de daarin onder 1 en 4 opgenomen beschuldigingen zijn vervallen.

1.1.7. Bij onherroepelijk geworden vonnis van 7 februari 2002 heeft de rechtbank te Amsterdam eiser vrijgesproken van het hem onder 2 ten laste gelegde feit en is de tenlastelegging nietig verklaard ten aanzien van het hem onder 3 ten laste gelegde feit.

1.1.8. Op 23 april 2002 heeft eiser op grond van art. 89 Wetboek van Strafvordering (Sv) bij de rechtbank te Amsterdam een verzoek tot schadevergoeding wegens ondergane hechtenis ingediend en op grond van art. 591 en 591a Sv een verzoek tot vergoeding van gemaakte kosten. Met de behandeling van deze verzoeken is gewacht op de uitkomst van een beklagprocedure als bedoeld in art. 12 Sv. Op 16 september 2004 heeft de rechtbank aan eiser een vergoeding toegekend van € 96.265,20 op grond van art. 89 Sv en een vergoeding van € 131.676,18 op grond van art. 591/591a Sv. Het toegewezen bedrag was minder dan verzocht.

1.1.9. Bij brief van 1 augustus 2005 heeft eiser de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de strafrechtelijke procedure.

1.2. Bij inleidende dagvaarding, betekend op 11 januari 2006, hebben eiser en zijn echtgenote en Rampart Canada gevorderd dat de Staat zal worden veroordeeld:

- tot betaling aan eiser van € 14.778.683,93 wegens materiële schade, waaronder inkomstenderving, en € 400.000,- wegens immateriële schade;

- subsidiair, voor het geval hiervoor niet reeds aan eiser een vergoeding wordt toegekend, tot betaling aan Rampart Canada van € 11.447.608,- wegens bedrijfsschade en omzetderving;

- tot betaling aan eisers echtgenote van € 549.205,- wegens materiële schade, waaronder inkomstenderving, als haar directe schade indien hiervoor niet reeds aan eiser een vergoeding wordt toegekend, en daarnaast € 50.000,- wegens eigen immateriële schade van de echtgenote; alle genoemde bedragen te vermeerderen met wettelijke rente.

1.3. Aan deze vorderingen hebben eisers ten grondslag gelegd dat (een orgaan van) de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Het gaat om 48 concrete verwijten, die door het hof zijn samengevat als(2):

(a) het gebruik en de toepassing van de dwangmiddelen en daarmee verband houdende feiten en omstandigheden, waaronder: de aanhouding van eiser in de Verenigde Staten, het uitleveringsverzoek, de detentie en het uitblijven van schorsing van de voorlopige hechtenis;

(b) gedragingen die geen deel uitmaken van het strafvorderlijk onderzoek, maar daarmede wel verband houden, waaronder: het aanschrijven van zakenrelaties(3), het doen van uitlatingen tegenover de pers, het verstrekken van onjuiste vertalingen, het aansporen van derden tot het indienen van klaagschriften ex art. 12 Sv en het vervolgens traag behandelen van die klaagschriften;

(c) het voortduren van de strafvervolging en de wijze waarop daaraan inhoud is gegeven, waaronder: de omgang met aangiften en verhoorde personen, de inhoud van de verhoren en het nalaten van onderzoek naar ontlastend materiaal.

1.4. De Staat heeft tot verweer primair aangevoerd dat de vorderingen tot schadevergoeding zijn verjaard omdat de termijn van vijf jaar, bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW, is verstreken. In haar vonnis van 6 februari 2008 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (nevenvestiging Rotterdam) dit verweer gehonoreerd en de vorderingen op deze grond afgewezen(4).

1.5. Op het hoger beroep van eisers tegen deze beslissing heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 22 februari 2011 (LJN: BP8234) het beroepen vonnis vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de weigering van schadevergoeding wegens overschrijding van de (in art. 6 EVRM bedoelde) redelijke termijn bij de afdoening van de strafzaak. Te dien aanzien heeft het hof aan eiser alsnog een vergoeding van € 2.500,- toegekend met wettelijke rente(5). Voor het overige heeft het hof de afwijzende beslissing van de rechtbank bekrachtigd. Het hof onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen zijn verjaard wegens het verstreken zijn van de termijn van vijf jaar in art. 3:310 lid 1 BW. Het hof besprak de desbetreffende grieven in rov. 5.1 - 5.5. In rov. 6.1 - 6.7 ging het hof nader in op de stelling van eisers dat de verjaringstermijn niet in 1998 is gaan lopen omdat zij hun schade toen nog niet kenden. In rov. 7.1 - 7.2 (m.b.t. het gestelde fysieke en psychisch letsel), 8.1 - 8.2 (m.b.t. de brief van de OvJ aan zakenrelaties van eiser), 9 (m.b.t. mededelingen aan de pers) en 10.1 - 10.3 (m.b.t. de duur van het onderzoek, inclusief nader onderzoek op latere tijdstippen) ging het hof op enkele aangevoerde stellingen in het bijzonder in.

1.6. De tegenwerping van eisers dat een lopende verjaring tijdig door hen is gestuit, werd door het hof ongegrond bevonden in rov. 11 - 13. In rov. 14 kwam het hof tot de slotsom dat onvoldoende feiten of omstandigheden zijn aangevoerd voor de gevolgtrekking dat eisers niet daadwerkelijk in staat zijn geweest tijdig een vordering tot vergoeding van de geclaimde schade in te stellen, althans de lopende verjaringstermijn te stuiten. Van een belemmering om zich binnen de verjaringstermijn tot de rechter te wenden was volgens het hof geen sprake. Een verjaringstermijn van vijf jaar is volgens het hof geen schending van het recht op toegang tot de rechter, mede gelet op de eenvoudige wijze waarop een verjaring kan worden gestuit. In rov. 16 besloot het hof dat de grieven m.b.t. de verjaring van de vordering falen.

1.7. Eiser en zijn echtgenote en Rampart Canada hebben - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Eisers hebben afgezien van toelichting. De Staat heeft zijn standpunt schriftelijk laten toelichten, waarop eisers hebben gerepliceerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. De middelen 1 - 4 hebben betrekking op de vraag of sprake is van bevrijdende verjaring. De middelen 5 en 6 gaan over de vraag of de verjaring is gestuit en of de desbetreffende stelling in hoger beroep tijdig naar voren is gebracht. Middel 7 stelt aan de orde of de aanvaarding door het hof van het beroep op bevrijdende verjaring moet worden aangemerkt als een ongeoorloofde beperking van het grondrecht van toegang tot de rechter.

Is sprake van bevrijdende verjaring?

2.2. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (art. 3:310 lid 1 BW). In de rechtspraak worden de woorden "bekend is geworden" in deze bepaling uitgelegd als een daadwerkelijke bekendheid bij de benadeelde. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade volstaat niet(6). Voor het gaan lopen van deze verjaringstermijn is samengevat vereist:

(i) dat de schadevordering opeisbaar is(7);

(ii) dat bij de benadeelde sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon(8);

(iii) dat de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon; dit betekent niet dat de benadeelde óók bekend moet zijn met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden, noch dat de benadeelde steeds bekend moet zijn met de exacte (eventueel door technische of medische deskundigen nog vast te stellen) oorzaak van de schade(9).

Daarnaast geldt de regel dat indien de benadeelde zijn vordering niet kan instellen door omstandigheden die aan de schuldenaar moeten worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht dat de schuldenaar zich op het verstreken zijn van de verjaringstermijn zou vermogen te beroepen. In die situatie gaat deze verjaringstermijn pas in wanneer deze omstandigheden niet langer verhinderen dat de vordering kan worden ingesteld(10).

2.3. Voor de opeisbaarheid van een vordering tot schadevergoeding is niet vereist dat de hoogte van het schadebedrag vaststaat(11). Een verjaringstermijn van vijf jaar als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW, die is gaan lopen, geldt mede voor de vordering tot vergoeding van schade waarvan de benadeelde redelijkerwijs kon verwachten dat hij die als gevolg van dezelfde schadeveroorzakende gebeurtenis zou kunnen gaan leiden; in zoverre is sprake van afzonderlijke elementen van de reeds ingetreden schade(12).

2.4. Voor een gewezen verdachte bestaan, kort samengevat, twee mogelijkheden tot schadevergoeding in verband met strafrechtelijk optreden van politie en justitie op de voet van onrechtmatige overheidsdaad(13):

I. In de eerste plaats kan zich het geval voordoen dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv heeft ontbroken. De onrechtmatigheid moet worden beoordeeld naar het tijdstip waarop het optreden plaats heeft.

II. In de tweede plaats kan zich, ongeacht of in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm is gehandeld, het geval voordoen dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte(14).

2.5. Ten aanzien van een vordering tot schadevergoeding op grond van een onrechtmatige overheidsdaad als bedoeld in de vorige alinea onder I, gelden de gewone maatstaven voor de toepassing van art. 3:310 lid 1 BW.

2.6. Ten aanzien van een vordering tot schadevergoeding van een gewezen verdachte op de grondslag als bedoeld in de vorige alinea onder II, gelden eveneens de gewone maatstaven voor de toepassing van art. 3:310 lid 1 BW, maar doet zich een bijzonderheid voor bij het bepalen van het tijdstip waarop de eisende partij daadwerkelijk bekend was met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon. Enerzijds kan het standpunt worden verdedigd dat van een daadwerkelijke bekendheid als vorenbedoeld pas sprake kan zijn nadat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak is gebleken van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte. Daartegenover kan het standpunt worden verdedigd dat het bij deze maatstaf slechts gaat om een (juridische) beoordeling achteraf van de rechtmatigheid van strafvorderlijke dwangmiddelen of andere overheidshandelingen, die op een eerder gelegen tijdstip hebben plaatsgevonden. Niet die beoordeling, maar het feitelijk optreden van politie of justitie markeert de aanvang van de verjaringstermijn: vanaf dat moment is de schade bekend en ook de aansprakelijke persoon. In deze laatste benaderingswijze kan van een daadwerkelijke bekendheid van de benadeelde/verdachte met de schade en de daarvoor verantwoordelijke (rechts)persoon sprake zijn vóór het tijdstip waarop de strafrechter de verdachte vrijspreekt of anderszins uit het strafrechtelijk onderzoek de onschuld van de verdachte blijkt. De problematiek is eerder aan de Hoge Raad voorgelegd, onder aantekening dat in die zaak niet werd bestreden - en in cassatie als uitgangspunt had te gelden - dat de betrokken personen (gewezen verdachten) al vanaf het begin, d.w.z. tijdens of kort na het strafrechtelijk optreden van politie en justitie, konden weten dat de verdenking waarop dat optreden berustte niet terecht was. Zij werden vanaf het begin daadwerkelijk in staat geacht hun vordering tot schadevergoeding jegens de Staat geldend te maken(15). Ter zijde merk ik op dat soortgelijke vragen kunnen worden gesteld ten aanzien van de verjaringstermijn bij een vordering tot schadevergoeding wegens (a) beslaglegging, waarna in rechte wordt vastgesteld dat daartoe geen recht bestond(16), (b) executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de burgerlijke rechter, dat na aanwending van een rechtsmiddel daartegen wordt vernietigd of (c) executie van een kortgedingvonnis, waarna in een bodemprocedure anders wordt geoordeeld(17).

2.7. In de huidige zaak heeft het hof aan deze problematiek een afzonderlijke overweging gewijd:

"5.2. Op grond van de wet en vaste jurisprudentie is het onder het huidige recht niet zo dat een benadeelde tot het einde van de strafzaak moet wachten wanneer hij aan een vordering uit onrechtmatige daad tegen de Staat ten grondslag legt dat er dwangmiddelen in strijd met de wet, dan wel met omissies, dan wel met veronachtzaming van fundamentele rechten zijn toegepast. De onrechtmatigheid van het gebruik van dwangmiddelen, daaruit voortvloeiende schade en de aansprakelijke persoon blijken immers niet door de afloop van de strafzaak. Wel is juist dat de rechter slechts mag aannemen dat een verdenking ten onrechte heeft bestaan, indien zulks blijkt uit het strafvorderlijk onderzoek. De benadeelde kan de vordering op grond van een onterechte daad van strafvervolging echter direct bij het bekend worden van de daad en de schade instellen of ter stuiting meedelen, dus al tijdens het strafvorderlijk onderzoek. Hierbij geldt dat de verdachte zelf kan beoordelen of hij het feit waarvan hij wordt verdacht heeft begaan of niet en op basis van die wetenschap besluiten een vordering in te stellen of tot behoud van het recht daartoe de verjaring te stuiten. In de onderhavige strafzaak kon [lees: eiser] vóór 21 februari 2002, en ook vóór 1 augustus 2000, bepalen of hij onschuldig was. Zijn onschuld is niet pas door het strafvonnis van 7 februari 2002 bepaald."

Deze overweging is in cassatie niet bestreden.

2.8. Na deze korte inleiding kom ik toe aan de cassatiemiddelen. Middel 1 klaagt dat het hof in rov 6.5 ten onrechte heeft overwogen dat de geleden schade al aan eisers bekend zou zijn geweest in 1998, althans tijdens of kort na de detentie van eiser. In rov. 6.6 hanteert het hof volgens het middel een onjuiste maatstaf, door te overwegen dat bij voortdurende schade de datum waarop bekend wordt dat dergelijke schade uit de onrechtmatige daad wordt geleden, de datum zou zijn waarop de verjaringstermijn gaat lopen. Wat de eerstgenoemde klacht betreft, doet de toelichting in de cassatiedagvaarding een beroep op HR 24 maart 2006 (LJN: AU7492)(18); uit dat arrest, aldus eisers, volgt dat de verjaringstermijn pas begint te lopen zodra de benadeelde voldoende zekerheid heeft gekregen - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - dat het schade veroorzakend element zich inderdaad heeft voorgedaan. Volgens de verdere toelichting kan aan "de stukken van het geding"(19) worden ontleend dat eisers in dit geval niet met voldoende zekerheid op de hoogte waren van het schade-element. In geval van een strafrechtelijk onderzoek waarin de verdachte/benadeelde niet met voldoende zekerheid bekend is met de schade, kan volgens het middel van deze niet worden gevergd tijdig actie tegen een verjaring te ondernemen op grond van art. 3:316 en 3:317 BW.

2.9. Voor zover de eerstgenoemde klacht bedoeld is als rechtsklacht ("ten onrechte"), gaat zij niet op, omdat het hof de daadwerkelijke bekendheid van eisers met de schade en met de daarvoor aansprakelijke (rechts)persoon heeft onderzocht. Het hof heeft zich in rov. 6.1 - 6.6 in het bijzonder gericht op het twistpunt of eisers hun schade kenden. In deze overwegingen bespreekt het hof "de vorderingen ter zake van het verlies aan inkomen, omzet, orders, bedrijfskapitaal, zakelijke contacten en (ander) inkomen en pensioen", die het leeuwendeel uitmaken van de gestelde schade. Van een beslissing in strijd met de hierbij aan te leggen maatstaven, in het bijzonder die in het aangehaalde arrest van 24 maart 2006, is geen sprake. Volgens eisers werden de bedrijfsschade en omzetderving veroorzaakt door de arrestatie van eiser en de lange duur van zijn voorlopige hechtenis; als gevolg van zijn afwezigheid en beschadiging konden commerciële projecten geen doorgang vinden. Het hof heeft hieruit opgemaakt dat het feiten betreft uit 1998 (rov. 6.3). In rov. 6.4, in cassatie onbestreden, vat het hof een en ander aldus samen dat eiser op het tijdstip van zijn aanhouding en voorlopige hechtenis zijn inkomen en de tot dan toe voor hem bestaande mogelijkheden om inkomen te verwerven heeft verloren. In rov. 6.5 voegt het hof hieraan toe dat in 1998 bij eiser bekend was dat hij (ook) deze schade had geleden. Dit geldt volgens het hof ook voor de echtgenote en voor Rampart Canada. Het oordeel dat deze schade al in 1998 aan eisers bekend was, in elk geval ruim vóór 1 augustus 2000(20) respectievelijk vóór 11 januari 2001(21), en dat daarbij sprake was van méér dan alleen een 'vermoeden van het bestaan van schade', berust op een vaststelling van feitelijke aard waarvan de juistheid niet in cassatie kan worden beoordeeld. Onbegrijpelijk is deze vaststelling niet. In rov. 6.3 en 6.4, in cassatie onbestreden, heeft het hof immers gewezen op stellingen van eisers waaruit het een en ander kan worden afgeleid. In rov. 6.5 en 6.6 is het hof nader ingegaan op de argumenten die eisers in hoger beroep hadden aangevoerd.

2.10. Tijdens en als gevolg van de voorlopige hechtenis van eiser waren zijn zakelijke contacten afgesneden en lagen zijn werkzaamheden stil. Van de zijde van eisers is betoogd dat met die constatering de omvang van de schade en de afzonderlijke schadecomponenten nog niet bekend waren. Dat moge waar zijn - zo valt bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat reputatieschade en verbroken commerciële contacten worden hersteld of dat vervangende commerciële contacten worden gevonden, terwijl bij schaden van deze aard niet altijd onmiddellijk te overzien is wat het wegvallen van een (potentiële) opdrachtgever concreet betekent voor de omzet en de winst -, maar dat is niet het punt waar het om gaat. In de redenering van het hof was de schade door het verlies aan inkomen, omzet, orders, bedrijfskapitaal, zakelijke contacten en (ander) inkomen en pensioen bij eisers bekend toen eiser was aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen, in ieder geval kort na het beëindigen van de voorlopige hechtenis in oktober 1998, en waren eisers op dat tijdstip daadwerkelijk in staat de Staat - als verantwoordelijke instantie voor het optreden van politie en justitie in deze - tot schadevergoeding aan te spreken of ten minste de lopende verjaringstermijn te stuiten. Gelet op de aangehaalde rechtspraak, geeft het bestreden oordeel van het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.11. De ter illustratie opgenomen verwijzing naar psychisch letsel dat eerst later bekend zou zijn geworden(22), lijkt mij in het verband van dit middel niet adequaat. Het hof heeft afzonderlijke overwegingen gewijd aan schade die voortvloeit uit de fysieke gevolgen voor eiser van zijn detentie of daardoor is verergerd (rov. 7.1) en aan de vorderingen terzake van het gestelde psychisch letsel van eiser en zijn echtgenote (rov. 7.2). Die overwegingen zijn in middel 1 niet bestreden.

2.12. De rechtsklacht over de slotzin van rov. 6.6 m.b.t. de aanvang van de verjaringstermijn bij voortdurende schade slaagt niet. Ten aanzien van voortdurende (doorlopende) schade, bijvoorbeeld derving van inkomsten uit arbeid na een ongeval, wordt de verjaringstermijn gerekend vanaf het moment waarop de benadeelde bekend is met deze derving van inkomsten uit arbeid en met de daarvoor aansprakelijke persoon; in dit voorbeeld dus niet telkens vanaf de week of de maand waarin de benadeelde de inkomsten uit arbeid derft(23). In voorkomend geval kan de benadeelde jegens de aansprakelijke persoon aanspraak maken op vergoeding van in de toekomst nog te lijden schade uit hoofde van het ongeval. De slotsom is dat middel 1 faalt.

2.13. Middel 2 bestrijdt de eerste volzin van rov. 14. Volgens het middel gaat het hof eraan voorbij dat van een belemmering voor de benadeelde om zich met een schadeclaim tot de rechter te wenden ook sprake kan zijn wanneer bepaalde gegevens ontbreken, "zoals bijvoorbeeld onbekendheid met bepaalde feiten, die maken dat de onrechtmatigheid nog niet inzichtelijk is" (toelichting onder 2). Daarnaast klaagt het middel (toelichting onder 3) dat het hof van onjuiste feiten is uitgegaan met betrekking tot het tijdstip waarop eisers van de Staat een schadevergoeding hebben gevorderd.

2.14. Op zichzelf lijkt mij juist, dat in een voorkomend geval sprake kan zijn van onbekendheid met bepaalde feiten die maken dat de onrechtmatigheid van de desbetreffende gedraging voor de benadeelde (nog) niet inzichtelijk is(24). Het middel noemt echter geen concrete feiten die in dit verband door eisers aan het hof zouden zijn voorgelegd en waaraan het hof voorbij zou zijn gegaan. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Indien met deze klacht mocht zijn bedoeld dat de onrechtmatigheid van de aan de Staat verweten handelingen voor eisers eerst kenbaar kon zijn vanaf het tijdstip waarop de officier van justitie besloot eiser voor bepaalde feiten niet langer te vervolgen, respectievelijk vanaf (het onherroepelijk worden van) de beslissing in de strafzaak d.d. 7 februari 2002, treft de klacht evenmin doel. De hier bestreden overweging moet worden gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande vaststelling van het hof dat eiser vóór 21 februari 2002 c.q. vóór 1 augustus 2000 zelf heeft kunnen bepalen of hij onschuldig was (rov. 5.2 aan het slot, in cassatie onbestreden).

2.15. De tweede klacht van dit middel houdt in dat de vaststelling in rov. 14, dat eiser na de gedeeltelijke afwijzing "op 16 september 1994" van zijn verzoek om schadeloosstelling twaalf jaar heeft gewacht met het instellen van zijn eis, feitelijk onjuist is omdat de beslissing op dat verzoek dateert van 16 september 2004 (zie rubriek 1.1.8 hiervoor). De beslissing zou hierdoor onbegrijpelijk zijn. Over deze klacht kan ik kort zijn. Het gaat om een kennelijke verschrijving van het hof in rov. 14, die eenvoudig verbeterd kan worden gelezen(25). Bovendien missen eisers belang bij deze klacht: de desbetreffende volzin ("Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld" enz.) heeft het karakter van een overweging ten overvloede die uit de redenering van het hof kan worden weggelaten. Het middel faalt.

2.16. Middel 3 is gericht tegen rov. 5.3 en heeft betrekking op de vraag, op welke datum de echtgenote van eiser daadwerkelijk bekend kon worden geacht met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon. De klacht houdt in dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die erop wijzen dat de echtgenote met het standpunt van eiser over de strafzaak ("ik ben onschuldig") geen rekening behoefde te houden tot het moment waarop het strafvonnis onherroepelijk werd. De toelichting op deze klacht wijst op diverse, in hoger beroep door eisers ingenomen stellingen en betoogt:

"Zelfs indien de redenering van het hof zou worden geregeld [lees: gevolgd] dat een verdachte zélf kan beoordelen of er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om hem te veroordelen voor het feit waarvan hij wordt verdacht en een verdachte op basis van deze veronderstelde (en onmogelijke) wetenschap zou kunnen besluiten een vordering in te stellen of tot behoud van het recht daartoe (...) de verjaring te stuiten, kan dit in ieder geval niet gezegd worden voor een ander dan de verdachte die zelf geen onderwerp is van het strafvorderlijk onderzoek. Immers, het strafrechtelijk onderzoek is in zijn geheel niet gericht op het handelen/nalaten van deze derde."

2.17. Het komt mij voor, dat eisers bij deze klacht belang missen omdat de aanvaarding van het betoog, dat de echtgenote en haar handelingen niet het object van het strafrechtelijk onderzoek waren en zij tot het moment waarop het strafvonnis in de zaak tegen eiser onherroepelijk was geworden geen wetenschap had omtrent schuldig of onschuldig zijn van eiser aan hetgeen hem werd verweten (en dat zij daarom geen aanleiding had om een vordering uit dien hoofde tegen de Staat in te stellen of de lopende verjaring van die vordering te stuiten), niet tot toekenning van schadevergoeding zou kunnen leiden. Bij het opstellen van de klacht is uit het oog verloren dat het 'gebleken onschuldcriterium' (de maatstaf als bedoeld onder II in alinea 2.4 hiervoor) bedoeld is voor gevallen waarin een gewezen verdachte van de Staat schadevergoeding vordert wegens de gevolgen van de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel jegens hem of van de tegen hem gerichte strafvervolging. Ook indien de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel overeenkomstig de (geschreven en ongeschreven) rechtsregels is geschied - de maatstaf genoemd in alinea 2.4 onder I -, kan de toepassing van dat dwangmiddel jegens de gewezen verdachte als onrechtmatig worden aangemerkt wanneer de onschuld van de verdachte achteraf uit het vonnis van de strafrechter of anderszins uit het dossier van het strafrechtelijk onderzoek blijkt (de maatstaf bedoeld in alinea 2.4 onder II)(26). De hierop betrekking hebbende rechtspraak ligt dicht aan tegen het leerstuk van de nadeelcompensatie in het bestuursrecht. Het 'gebleken onschuldcriterium' is niet geschreven om aansprakelijkheid van de Staat te vestigen jegens personen die nooit verdachte zijn geweest(27). Een andere grondslag voor aansprakelijkheid van de Staat is in deze klacht niet aan de orde. Hierop stuit de klacht af. Overigens was ook in de feitelijke instanties niet uitgewerkt waarom eisers van mening waren dat de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel tegen eiser of de vervolging van eiser onrechtmatig zouden zijn jegens een derde (namelijk diens echtgenote resp. Rampart Canada); het bepaalde in art. 6:163 BW heeft weinig aandacht gekregen.

2.18. Ook overigens faalt middel 3. In de toelichting (onder 6) wordt nog geklaagd dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan het in hoger beroep aangevoerde argument dat het niet realistisch is, aan te nemen dat de echtgenote op het tijdstip van aanhouding van eiser al wist of kon weten dat zij jaren later (ten gevolge hiervan) een posttraumatische stress stoornis zou krijgen. Voor zover eisers, gelet op het voorgaande, al belang hebben bij deze klacht, mist zij feitelijke grondslag. Het hof is in rov. 7.2 uitdrukkelijk ingegaan op schade door psychisch letsel en op het tijdstip waarop de eisende partijen daarmee bekend waren; deze overweging 7.2 is in cassatie niet bestreden.

2.19. Middel 4 is gericht tegen rov. 7.1, waarin het hof heeft vastgesteld dat de schaden die voortvloeien uit of verergerd zijn door de fysieke gevolgen van de detentie voor eiser (zoals een gekneusde pols, gevoelloze duim en muis, knieblessure, gehoorbeschadiging, oogprobleem, trombose, rugprobleem, diabetes) naar de eigen stelling van eisers zijn veroorzaakt in 1998. Het hof heeft uit de stukken opgemaakt dat elk gesteld lichamelijk letsel zich in 1998 heeft geopenbaard door medische klachten. Volgens het hof wordt dit bevestigd in medische rapportages die eisers hadden overgelegd. De rechtsklacht (toelichting onder 4) houdt in dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd: bij lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van een daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer de oorzaak van de klachten voldoende is gediagnosticeerd(28).

2.20. In rov. 7.1 ligt besloten dat het hof van oordeel is dat het hier niet gaat om klachten waarvan de herkomst onvoldoende duidelijk was voor eisers. De rechtsklacht faalt om deze reden. Ter toelichting op het middel is opgemerkt dat in appel in grief XV naar voren was gebracht dat eiser door zijn detentie diabetes heeft ontwikkeld die pas later - de toelichting noemt 2004, maar ook de verwijzing naar een medisch rapport van 29 april 2002 - is gediagnosticeerd. Daartegenover staat echter dat eisers reeds in de inleidende dagvaarding (blz. 27 en 60) hadden gesteld dat in mei 1998 stress induced diabetes bij eiser is vastgesteld. In grief XV luidt het: "Door appellant sub 1 kon in 1998 in alle redelijkheid niet worden voorzien dat hij in 2009 een operatie zou moeten ondergaan en voortdurende medicatie zou moeten gebruiken ter bestrijding van deze diabetes". Het hof heeft deze stellingen kennelijk aldus begrepen, dat eiser in 1998 daadwerkelijk bekend was met de schade (de tijdens de detentie opgelopen diabetes) en met de daarvoor aansprakelijke persoon (volgens eisers: de Staat) en dat daaraan niet afdoet dat de omvang van deze schade - de gevolgen in de vorm van een operatie en voortdurende medicatie - eerst later bekend is geworden. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voor het overige tezeer verweven met de vaststelling en waardering van de feiten om in cassatie op juistheid te worden getoetst.

Is de verjaring gestuit?

2.21. Middel 5 is gericht tegen rov. 13.1 en houdt verband met het volgende. In de verzoekschriftprocedure ex art. 89-90 Sv(29) was een beëdigde verklaring (affidavit) d.d. 5 april 2002 aan het hof overgelegd, waarin eiser (woonachtig in Canada) ten overstaan van een Canadese notary public een opgave deed van de door hem geleden schade(30). Het hof heeft in rov. 13 overwogen dat eisers eerst bij pleidooi in appel, en derhalve te laat, hebben aangevoerd dat het overleggen in de procedure ex art. 89 Sv van deze verklaring moet worden aangemerkt als een rechtshandeling van eisers jegens de Staat tot stuiting van de lopende verjaring. Volgens het middel is dit oordeel feitelijk onjuist, omdat deze stuitingshandeling al in grief XIX - en dus niet eerst bij pleidooi in appel - door eisers aan de orde was gesteld. Volgens het middel is niet sprake van een nieuwe grief, maar van een feit dat door eisers werd aangevoerd binnen het kader van het debat dat naar aanleiding van de grieven is gevoerd, zodat het hof aan deze stelling niet voorbij had mogen gaan op de grond dat zij te laat is aangevoerd. Voor zover toch wordt aangenomen dat hier sprake is van een nieuwe grief, klaagt het middel dat het hof heeft miskend dat de Staat ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat deze nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd werd betrokken: de Staat is inhoudelijk op deze grief ingegaan zonder bezwaar te maken tegen het tijdstip waarop deze was opgeworpen. Tot slot wordt geklaagd dat (een orgaan van) de Staat sinds 2002 in het bezit van deze verklaring (het affidavit) was en daarom niet in zijn belangen is geschaad doordat eisers dit stuk eerst bij pleidooi in appel in het geding brachten. In het licht daarvan had het hof een uitzondering moeten maken op het verbod om kennis te nemen van grieven die pas na de memorie van grieven zijn aangevoerd(31).

2.22. Deze klachten behoeven geen bespreking indien de Hoge Raad tot de slotsom komt dat het hierna te bespreken middel 6 faalt: hetgeen het hof overweegt in rov. 13.2 en 13.3 over de inhoudelijke betekenis van het affidavit kan de beslissing zelfstandig dragen. Hoe dan ook, het hof heeft grief XIX uitdrukkelijk in zijn overwegingen betrokken, maar daarin blijkbaar niet het standpunt gelezen dat de verjaring is gestuit door het overleggen van deze verklaring. De uitleg van de grieven was voorbehouden aan het hof. Zijn oordeel hierover is niet onbegrijpelijk. Grief XIX hield in dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat appellanten (eisers) onvoldoende gesteld zouden hebben om een beroep op verjaring te weerleggen op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De toelichting op deze grief stond ook in het teken van de billijkheid die volgens eisers tot een andere uitkomst had moeten leiden. Het standpunt dat de Staat deze uitbreiding van de rechtsstrijd in appel ondubbelzinnig heeft aanvaard - het middel noemt geen vindplaats in de gedingstukken - lijkt mij niet houdbaar: in de pleitnota van de Staat wordt wel aandacht besteed aan de vraag of van de verzoekschriften ex art. 89-90 Sv c.q. 591-591a Sv zelf een stuitende werking uitging (een kwestie die het hof in rov. 12 bespreekt), maar niet aan de vraag of stuitende werking is uitgegaan van het overleggen van het affidavit in die procedure.

2.23. Het argument dat (een orgaan van) de Staat sinds 2002 in het bezit was van het bewuste affidavit, en derhalve niet in zijn belangen is geschaad door het feit dat eisers dit stuk eerst bij pleidooi in appel hebben ingebracht, slaagt niet. In rov. 13.1 acht het hof niet beslissend het tijdstip waarop dit document voor het eerst in het geding werd gebracht, maar het tijdstip waarop eisers voor het eerst een beroep hebben gedaan op een stuitingshandeling die besloten lag in de overlegging van dat document in de art. 89 Sv-procedure. Het belang van de Staat is gelegen in een reële mogelijkheid voor de Staat zich tegen deze stelling te verweren. Ook al zou dit anders zijn, dan is daarmee nog niet gegeven dat het hof ongevraagd een uitzondering had moeten maken op de hoofdregel dat na de memorie van grieven geen nieuwe grieven meer worden geaccepteerd. De slotsom is dat middel 5 faalt.

2.24. Middel 6 is gericht tegen het oordeel in rov. 13.3, dat het overleggen van het affidavit in de art. 89 Sv-procedure de verjaring van de onderhavige vordering naar burgerlijk recht niet heeft gestuit, omdat de overlegging in die procedure niet (tevens) kan worden beschouwd als een los van die procedure staande mededeling conform art. 3:317 BW. Volgens de klacht geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat uit de desbetreffende verklaring niet kan worden opgemaakt dat zij uitsluitend was opgesteld ten behoeve van het verzoek ex art. 89-90 Sv en voorts omdat de verklaring alle elementen van een stuitingshandeling bevat. Volgens het middel behelsde eisers verklaring d.d. 5 april 2002 (het affidavit) een waarschuwing voor de Staat dat hij ermee rekening moest houden dat hij zich in rechte zou moeten verdedigen tegen een aansprakelijkstelling voor de door de Staat bij eiser teweeggebrachte schade.

2.25. Een stuiting kan worden bewerkstelligd door een daad van rechtsvervolging (art. 3:316 BW)(32), door een schriftelijke aanmaning of mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 BW) of door erkenning van de vordering (art. 3:318 BW). De woorden 'een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt' in het eerste lid van art. 3:317 BW moeten worden begrepen in het licht van de strekking van de stuitingshandeling van deze aard, die blijkens de parlementaire geschiedenis neerkomt op een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan de schuldenaar dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering kan verweren(33). Bij de uitleg van de schriftelijke mededeling is niet alleen de letterlijke tekst bepalend, maar moet ook worden gelet op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval; het komt mede aan op de betekenis die partijen over en weer in de gegeven omstandigheden van het geval aan de mededeling mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Er mag geen misvatting over bestaan dat de schuldeiser in zijn schriftelijke mededeling zich het recht op nakoming voorbehoudt(34).

2.26. Het hof heeft het in beginsel kennelijk voor mogelijk gehouden dat een processtuk zoals het affidavit, beoordeeld naar de in de vorige alinea vermelde maatstaf, een mededeling inhoudt in de zin van art. 3:317 lid 1 BW(35). Het hof heeft echter geoordeeld dat in het onderhavige geval het document zozeer verweven is met de procedure ex art. 89 Sv - waarvoor de maatstaf van art. 3:316 lid 2 BW geldt - dat de overlegging van dit document aan een orgaan van de Staat niet tevens kan worden beschouwd als een (los van die procedure staande) mededeling conform art. 3:317 BW. Daarbij heeft het hof betekenis toegekend aan de vermelding in de titel van het document, de inhoud en de wijze waarop daarvan kennis is gegeven, en geconcludeerd dat het affidavit is opgesteld om de claim in de procedure ex art. 89 Sv te ondersteunen en dat het is overgelegd teneinde als processtuk in die procedure te dienen en alleen zo ter kennis van de Staat is gebracht. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als berustend op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de verklaring, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Onbegrijpelijk is de door het hof gegeven uitleg niet. De slotsom is dat middel 6 faalt.

Ongeoorloofde beperking van het grondrecht van toegang tot de rechter?

2.27. Middel 7 is gericht tegen rov. 14, in het bijzonder tegen het oordeel dat, mede gelet op de eenvoudige wijze waarop deze termijn kan worden gestuit, de verjaringstermijn van vijf jaar geen schending oplevert van het recht op toegang tot de rechter of van het recht op een effectief rechtsmiddel en evenmin kan worden aangemerkt als een 'excessief formalisme'.

2.28. Het fundamentele recht van toegang tot de rechter ligt besloten in art. 6 EVRM; het recht op een effectief rechtsmiddel bij een inbreuk op de in het verdrag beschermde rechten ligt besloten in art. 13 EVRM. Het recht van toegang tot de rechter wordt in de rechtspraak van het EHRM niet opgevat in absolute zin: de uitoefening van dat recht kan worden onderworpen aan beperkingen. Aan zulk een beperking wordt onder meer de eis gesteld, kort gezegd, dat zij een gerechtvaardigd doel dient, geschikt is om dat doel te dienen en niet onevenredig is in verhouding tot dat doel. Indien sprake is van een overdreven formalisme(36) ("formalisme excessif"), kan dat een reden zijn om tot het oordeel te komen dat aan deze toets niet is voldaan(37). Bij toepassing van art. 13 EVRM kan het begrip 'excessief formalisme' ook een rol spelen bij beantwoording van de vraag of voor de benadeelde een effectief rechtsmiddel heeft opengestaan(38).

2.29. Het bestaan van een verjaringstermijn behoeft op zichzelf niet te betekenen dat ontoelaatbaar inbreuk wordt gemaakt op het recht van toegang tot de rechter van de eisende partij. Een verjaringstermijn kan een gerechtvaardigd doel dienen, zoals de bescherming van de rechtszekerheid van de (tot schadevergoeding aangesproken) wederpartij. Een termijn van vijf jaar voor het instellen van een vordering bij de rechter duidt op zich nog niet op een onevenredige inbreuk op het recht van toegang tot de rechter, zeker niet wanneer een lopende verjaringstermijn op een eenvoudige wijze kan worden gestuit(39). Dit kan anders zijn ingeval de eisende partij niet in staat is, binnen deze termijn een vordering in rechte in te stellen of zijn recht daartoe voor te behouden door de lopende verjaringstermijn te stuiten(40). Het cassatiemiddel sluit hierbij aan en klaagt dat voor eisers de toegang tot de rechter is geblokkeerd door de verjaringstermijn en de door het hof daaraan gegeven uitleg, die inhoudt dat een burger nimmer vóór het verstrijken van deze termijn van vijf jaren zijn vorderingsrechten jegens de overheid kan effectueren indien hij eerst na ommekomst van die termijn wordt geconfronteerd met schade die verband houdt met het handelen van de overheid binnen die vijf jaren(41).

2.30. Het hof heeft de maatstaf van art. 3:310 lid 1 BW toegepast en geoordeeld dat eisers reeds in 1998, in elk geval (ruim) vóór 1 augustus 2000 respectievelijk 11 januari 2001, daadwerkelijk in staat waren tot het instellen van de vorderingen tot schadevergoeding die zij in dit geding geldend maken. Wanneer dit oordeel in cassatie stand blijft - dat was het onderwerp van de cassatiemiddelen 1 - 6 -, moet het ervoor worden gehouden dat eisers gedurende vijf jaren daadwerkelijk in de gelegenheid zijn geweest hun vordering in te stellen, maar die gelegenheid onbenut hebben gelaten. In die situatie kan in redelijkheid niet worden volgehouden dat het recht van toegang tot de rechter in de kern is geschonden. Mijn slotsom is dat het middel faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie het bestreden arrest onder 1.1 - 1.10, in verbinding met het vonnis in eerste aanleg onder 2.1 - 2.12.

2 De stellingen zijn weergegeven in het vonnis in eerste aanleg onder 3.1. De samenvatting is te vinden in dat vonnis onder 4.1 en in rov. 2.1 van het thans bestreden arrest.

3 In 1998: zie punt 2.7 van de feitenweergave in het vonnis in eerste aanleg.

4 Zie wat betreft de verwijten onder a: rov. 4.2 Rb; wat betreft de verwijten onder b: rov. 4.3 Rb en wat betreft de verwijten onder c: rov. 4.4 Rb.

5 Zie rov. 22.1 - 22.9. Dit gedeelte van de beslissing staat in cassatie niet ter discussie.

6 Zie onder meer: HR 31 oktober 2003 (LJN: AL8168), NJ 2006/112 m.nt. C.E. du Perron; HR 6 april 2012 (LJN: BU3784); Asser/Hartkamp en Sieburgh, 6-II*, 2009, hoofdstuk 9, i.h.b. nr. 415; M.W.E. Koopman, Bevrijdende verjaring, 2010, blz. 43 - 47; J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring, 2008, blz. 207 - 246.

7 HR 6 april 2012 (LJN: BU3784); HR 10 oktober 2003 (AF9416), NJ 2003/680.

8 HR 24 januari 2003 (LJN: AF0694), NJ 2003/300; HR 3 december 2010 (LJN: BN6241), NJ 2012/196 m.nt. C.E. du Perron, rov. 3.6.

9 Zie wat betreft het eerste: HR 26 november 2004 (LJN: AR1739), NJ 2006/115 m.nt. C.E. du Perron, JA 2005/4 m.nt. J.L. Smeehuijzen; HR 24 juni 2011 (LJN: BQ2312) in relatie tot het bestuursprocesrecht. Zie wat betreft het tweede: HR 20 februari 2004 (LJN: AN8903), NJ 2006/113; HR 9 oktober 2010 (LJN: BO4732), JA 2010/134 en (het hierna in voetnoot 28 nog te bespreken arrest) HR 24 januari 2003 (LJN: AF0694), NJ 2003/300.

10 HR 31 oktober 2003 (LJN: AL8168), NJ 2006/112 m.nt. C.E. du Perron, reeds aangehaald, verwijzend naar: HR 23 oktober 1998, NJ 2000/15; HR 25 juni 1999, NJ 2000/16 m.nt. ARB; zie ook HR 11 oktober 2002 (LJN: AE4430), NJ 2002/558.

11 Asser/Hartkamp & Sieburgh, 6-II*, 2009, nr. 411. Vgl. onder het vroegere recht: HR 11 september 1992, NJ 1992/746.

12 HR 19 oktober 2001 (LJN: ZC3686), NJ 2001/655; HR 6 april 2012 (LJN: BU3784).

13 Naast de mogelijkheid tot het verkrijgen van een schadeloosstelling op grond van art. 89-90 Sv en/of art. 591-591a Sv.

14 HR 13 oktober 2006 (LJN: AV6956; Begaclaim), NJ 2007/432 m.nt. J.B.M. Vranken. rov. 3.3.

15 HR 9 april 2010 (LJN: BL1118), NJ 2010/215, i.h.b. rov. 4.1.5. Het arrest is besproken door J.L. Smeehuijzen in NTBR 2011, blz. 74 - 86, i.h.b. blz. 84-85, die onder meer betoogt dat voor een gewezen verdachte het wellicht mogelijk, maar daarmee nog niet zinvol is, een vordering tot schadevergoeding op deze grond in te dienen zolang de strafrechter nog geen eindoordeel heeft gegeven over de telastelegging.

16 Vgl. HR 8 februari 2008 (LJN: BB6196), NJ 2008/92; HR 13 januari 1995, NJ 1997/366 m.nt. C.J.H. Brunner.

17 Vgl. 11 april 2008 (LJN: BC5602), NJ 2008/225; HR 16 november 1984, NJ 1985/547 m.nt. WHH en LWH.

18 NJ 2007/377 m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 3.3.2.

19 Het middel preciseert niet welke stukken hiermee zijn bedoeld.

20 1 augustus 2000 is vijf jaar gelegen voor de in rubriek 1 hiervoor genoemde brief van 1 augustus 2005, waarin eiser de Staat aansprakelijk heeft gesteld; zie rov. 2.2.

21 11 januari 2011 is vijf jaar gelegen voor de inleidende dagvaarding, waarin de Staat voor het eerst namens Rampart Canada en de echtgenote van eiser aansprakelijk is gesteld; zie rov. 2.2.

22 De afkorting PTSS in het middel staat voor: post-traumatisch stress syndroom.

23 Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-II*, 2009, nr. 412; HR 19 oktober 2001 (LJN: ZL3686), NJ 2001/655; HR 24 mei 2002 (LJN: AD9600), NJ 2003/268 m.nt. T. Koopmans.

24 Een fictief voorbeeld: de eigenaar van een tuinhuisje meent aanvankelijk dat zijn mede-eigenaar aan een derde toestemming had gegeven om dit af te breken; achteraf blijkt deze derde dit eigenmachtig te hebben gedaan.

25 De juiste datum blijkt uit rov. 1.9.

26 Een typisch voorbeeld hiervan is: een sepot op de grond "ten onrechte als verdachte aangemerkt".

27 Bij eerdere gelegenheden heb ik het standpunt verdedigd dat benadeelde derden wel een beroep kunnen doen op het beginsel van gelijkheid voor de openbare lasten (égalitébeginsel); HR 30 maart 2001, NJ 2003/615 m.nt. MS; HR 17 september 2004 (LJN: AO7887), NJ 2005/392.

28 De toelichting op deze klacht doet in dit verband een beroep op HR 24 januari 2003 (LJN: AF0694), NJ 2003/300. Dit is één van de arresten over werkgeversaansprakelijkheid. Bedoeld zal zijn rov. 3.4.2: "Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - pas aanwezig zijn wanneer deze oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnosticeerd." Zie ook: HR 9 oktober 2010 (LJN: BO4732).

29 Zie rubriek 1.1.8 hiervoor.

30 De verklaring is te vinden in het A-dossier, ordner 2 (van 6), grijs tabblad 12.

31 Zie over de regel dat grieven niet in een later stadium dan bij memorie van grieven mogen worden aangevoerd en de uitzonderingen daarop: Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent, 4, 2009, nrs. 106 - 116.

32 Leidt een daad van rechtsvervolging niet tot toewijzing, dan is de verjaring ingevolge het tweede lid van artikel 3:316 BW slechts gestuit indien binnen zes maanden nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. De stuiting door middel van een daad van rechtsvervolging heeft derhalve het karakter van een voorwaardelijke stuiting. Vgl. M.W.E. Koopman, Bevrijdende verjaring, 2010, blz. 71.

33 Parl. Gesch. Boek 3, Inv. 3, 5 en 6, blz. 1408; HR 14 februari 1997, NJ 1997/244.

34 HR 24 november 2006 (LJN: AZ0418), NJ 2006/642; HR 18 september 2009 (LJN: BI8502), NJ 2009/439; M.W.E. Koopman, in: Kluwers Vermogensrecht (losbl.), art. 3:317, aant. 2.2; J.L. Smeehuijzen, De vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW bij (i) de fout van een adviseur, (ii) regres bij hoofdelijkheid, (iii) toekomstige schade en (iv) onrechtmatige strafvervolging, NTBR 2011/10, blz. 74 -88.

35 Vgl. HR 18 september 2009 (LJN: BI8502), NJ 2009/439.

36 Het woord 'formalisme' wordt in Van Dale's woordenboek omschreven als: "het angstvallig hechten aan de uiterlijke vorm, zonder op inhoud of betekenis te letten".

37 Zie onder meer: EHRM 22 oktober 1996, NJ 1997/449 m.nt. JdB; EHRM 7 juli 2009 (LJN: BJ9234), EHRC 2009/108 m.nt. Fernhout. De toelichting op het middel verwijst naar F.J. Fernhout, Formele regels in het civiel procesrecht en 'access to justice'. Een analyse van de jurisprudentie van het EHRM op het op art. 6 EVRM gebaseerde begrip 'excessief formalisme', Praktisch Procederen 2008/3, blz. 59 - 64.

38 Zie recent: EHRM 10 januari 2012 (LJN: BV2982), EHRC 2012/61 m.nt. A.J.T. Woltjer.

39 Met dit laatste doelt het hof in rov. 14 kennelijk op het bepaalde in art. 3:317 lid 1 BW.

40 Vgl. EHRM 22 oktober 1996 (Stubbings/U.K.), NJ 1997/449 m.nt. JdB; EHRM 2 januari 2000 (Miragall/Spanje), appl.no. 38366/97 e.a.; EHRM 6 december 2001 (LJN: AP0668) Yagtzilar e.a./Griekenland), EHRC 2002/5.

41 Cassatiedagvaarding blz. 14 onder 5. Ik lees dit laatste als: schade die verband houdt met het handelen van de overheid dat wél binnen die termijn van vijf jaren ter toetsing aan de rechter kan worden voorgelegd.