Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX5113

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-10-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
10/05171 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5113
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1258
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/05171 P

Mr. Hofstee

Zitting: 26 juni 2012

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 16 november 2010 het door de betrokkene, ter zake van (2.) "als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd en als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan, meermalen gepleegd" en (3.) "opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd", wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 5.000,- en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

2. Namens betrokkene heeft mr. J.M.M. Heilbron, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.(1)

3. Het eerste middel, in samenhang gelezen met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof in zijn arrest niet toereikend heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging dat bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening moet worden gehouden met de door ECA verstrekte geldlening.

4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 november 2010 heeft de raadsvrouw van de betrokkene het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig haar aan het Hof overlegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden - voor zover hier van belang - het navolgende in:

"B: lening ECA:

[betrokkene 1] verklaart (zie p. 50 van Persoonsdossier [betrokkene 1]) dat hij gezorgd heeft dat cliënt een tweede keer een lening heeft gekregen dit keer bij ECA. Cliënt heeft immer ontkend een lening bij (via?) ECA te hebben ontvangen (zie p. 91 persoonsdossier [betrokkene]). Ook uit de nadeelberekening in de ontnemingszaak (p. 7) blijkt niet dat er daadwerkelijk een betaling heeft plaatsgevonden door ECA (of wie dan ook) aan cliënt. Gerapporteerd wordt: "Uit de gevorderde bankgegevens blijkt dat betalingen van ECA niet zijn aangetroffen". Wel wordt er door de rapporteur toch een bedrag meegenomen aangezien de betaling volgens de rapporteur dan voorafgaand aan de gevorderde periode zou moeten hebben plaatsgevonden. Deze redenatie snijdt geen hout nu de aangetroffen betaling (BFL) ook niet in de opgevraagde periode heeft plaatsgevonden. Blijkbaar heeft de bank over een ruimere periode dan verzocht gegevens verstrekt. In ieder geval ligt er in het dossier geen concreet bewijs dat - ten tijde ven de periode waar de tenlastelegging op ziet (1 januari 1999 tot en met 31 december 2000) leningen aan cliënt zijn verstrekt.

(...)

3. Ontnemingsvordering

Mocht u onverhoopt van mening zijn dat er toch bewijs is voor het ten laste gelegde en/of het OM ontvankelijk is ten aanzien van feit 3 dan heb ik nog wat opmerkingen met betrekking tot de ontnemingsvordering. De nadeelberekening is bijzonder ruim. Ik verzoek u rekening te houden met het gegeven dat uit niets blijk dat er door [betrokkene 1] een lening is verstrekt bij/middels ECA. De vordering dient op basis van dat gegeven al met een bedrag van 3000 gulden te worden verminderd. Voorts verzoek ik u alleen te kijken naar de verstrekkingen in de ten laste gelegde periode (11 x 100 euro) en de extrapolatie niet toe te passen. De argumenten waarop deze is gebaseerd en de periode (13 jaar) is onvoldoende aannemelijk geworden."

5. In het bestreden arrest heeft het Hof ten aanzien van voornoemd ter terechtzitting gevoerd betoog van de raadsvrouw - voor zover hier van belang - overwogen:

"Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2010 aangevoerd dat de ontnemingsvordering met een bedrag van 3000 gulden dient te worden verminderd, nu niet is gebleken dat door de veroordeelde een lening is verstrekt bij/middels ECA.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in totaal ongeveer € 5.000,- à € 6.000,- van [betrokkene 2] heeft ontvangen. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [betrokkene 1] bij de politie van 14 juli 2005 waarin hij verklaart in totaal 15.000 à 20.000 gulden aan de veroordeelde te hebben betaald.

Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, in het voordeel van de veroordeelde geschat op een bedrag van € 5.000,-, heeft verkregen door middel van de strafbare feiten ter zake waarvan hij bij arrest van dit gerechtshof van 16 november 2010 is veroordeeld.

Het hof ontleent deze schatting aan de inhoud van de bewijsmiddelen."

6. Voor zover het door de raadsvrouw aangevoerde kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, heeft het Hof, mede in het licht van de door hem gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de redenen opgegeven die tot zijn van dat standpunt afwijkende beslissing hebben geleid en heeft het daarmee in toereikende mate voldaan aan zijn motiveringsplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv.(2) Het Hof heeft immers in zijn bestreden arrest (niet onbegrijpelijk) tot uitdrukking gebracht dat op grond van zowel de verklaring van de betrokkene als de daarmee overeenkomende verklaring van [betrokkene 1] het wederrechtelijk door de betrokkene genoten voordeel kan worden geschat op € 5000,-. Gezien de inhoud van deze in de aanvulling verkort arrest als bewijsmiddelen gebruikte verklaringen heeft de betrokkene dit geldbedrag verkregen in ruil voor de door hem verstrekte politie-informatie. De door de raadsvrouw genoemde, door of via ECA verstrekte lening is bij de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel buiten beschouwing gelaten door het Hof, zodat niet valt in te zien waarom het Hof deze lening ten bedrage van 3000 gulden in mindering zou hebben moeten brengen op het geschatte voordeel.

7. Het eerste middel faalt.

8. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, bevat twee klachten. Ten eerste wordt geklaagd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. Ten tweede wordt geklaagd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in haar totaliteit, dat wil zeggen de totale duur van het onderhavige ontnemingsgeding in ogenschouw genomen.

9. De eerste klacht faalt, nu in cassatie niet met vrucht voor het eerst kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak van het Hof wanneer de zaak in tegenwoordigheid van de betrokkene en/of zijn raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd.(3) Op geen van de (twee) terechtzittingen van het Hof is door de verdediging een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn. Volledigheidshalve wijs ik er op dat op de eerste terechtzitting de toen verschenen raadsvrouw heeft verklaard uitdrukkelijk door de betrokkene te zijn gemachtigd om de verdediging namens hem te voeren en dat op de tweede terechtzitting de betrokkene zelf aanwezig was, bijgestaan door zijn raadsvrouw.

10. De tweede klacht treft naar mijn inzicht geen doel. Als ik uitga van de mededeling van de steller van het middel dat de betrokkene eerst op 18 oktober 2006 bekend raakte met de hem betreffende ontnemingsvordering, meen ik in de eerste plaats dat niet gezegd kan worden dat de onderhavige ontnemingsprocedure in feitelijke aanleg onevenredig lang heeft geduurd. Zo heeft de Rechtbank in eerste aanleg al op 1 november 2006, en dus voortvarend, uitspraak in deze zaak gedaan en heeft het Hof op zijn terechtzitting van 25 september 2008 het onderzoek op verzoek van de raadsvrouw geschorst ten einde [betrokkene 1] als getuige op een nader te bepalen terechtzitting te horen. Deze (tweede) terechtzitting vond plaats op 2 november 2010. Wel kan worden vastgesteld dat de hier in cassatie geldende inzendtermijn van acht maanden met drie dagen is overschreden. Het cassatieberoep is op 25 november 2010 ingesteld. Blijkens een daarop gezet stempel zijn de stukken van het geding op 28 juli 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Deze overschrijding met drie dagen doet zich ook voor in de met deze ontnemingzaak in cassatie samenhangende hoofdzaak. Indien de Hoge Raad tot het oordeel komt dat deze overschrijding van de inzendtermijn tot enige compensatie dient te leiden, kan deze worden toegepast in de hoofdzaak.(4)

11. Het tweede middel is tevergeefs voorgesteld.

12. Beide middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/05168, 10/05171P en 11/03599. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

In de met deze ontnemingzaak samenhangende strafzaak met nr. 10/05168 heb ik ambtshalve geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie ten aanzien van een deel van de bewezenverklaarde periode van het onder 3 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit en vernietiging van de strafoplegging, een en ander in verband met de deze periode betreffende verjaring. Ik meen deze kwestie in het onderhavige verband te kunnen laten rusten, ook gezien HR 19 juni 2012, LJN BW8683 waarin onder meer is gewezen op het bepaalde in art. 577b, tweede lid, Sv.

2 HR 11 april 2006, LJN AU9310, NJ 2006, 393 m.nt. Buruma.

3 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.9.

4 Vgl. HR 31 mei 2011, LJN BP8519.