Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX5014

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
25-09-2012
Zaaknummer
11/01878
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5014
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BV3442. Het Hof heeft onder de bewijsmiddelen een verklaring van de verdachte opgenomen die het evenwel blijkens de nadere bewijsoverweging op onderdelen niet aannemelijk heeft geacht. Het Hof heeft die, voor de bewezenverklaring niet redengevende, verklaring van de verdachte dus ten onrechte onder de bewijsmiddelen opgenomen. Daarover klaagt het middel terecht, in aanmerking genomen dat die verklaring in het geheel van de bewijsvoering niet van ondergeschikte betekenis is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1204
NBSTRAF 2012/337 met annotatie van mr. J.A.W. Knoester
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/01878

Mr. Machielse

Zitting 19 juni 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 21 januari 2011 wegens "Medeplegen van oplichting" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

2. Mr. J.A. van der Lem, advocaat te Deventer, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.

Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.

3.2 Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 7 september 2007 tot en met 30 september 2007 te Oldenzaal, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de NVF Voorschot Bank BV heeft bewogen tot de afgifte van 32.000 euro, immers hebben verdachte en/of zijn mededader met vorenomschreven oogmerk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- een kopie van een salarisspecificatie over de maand augustus 2007 overgelegd, waarop vermeld staat dat zijn mededader werkzaam zou zijn bij de firma [A] en dat zij een maandelijks inkomen zou hebben van 1723,29 euro en

- een kopie van een SNS-bankafschrift van bankrekeningnummer [00.00.00], waarop een creditmutatie van 1763,29 is vermeld, overgelegd en

- een kredietaanvraagformulier ondertekend, waarop vermeld stond dat zij werkzaam was bij [A],

waardoor die NVF Voorschot Bank BV werd bewogen tot bovenomschreven afgifte."

3.3 Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

"10. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voornoemd, opgemaakt proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte], genummerd PL05YB/09-039023, gedateerd 13 mei 2009, als bijlage gevoegd bij het stamproces-verbaal (p. 35 t/m p. 37), voor zover inhoudende als verklaring van medeverdachte, zakelijk weergegeven:

Volgens een onderzoek van [betrokkene 2], een fraudecoördinator bij de Credit Agricole die aangifte heeft gedaan, is er op 17 september 2007 een totaal bedrag van € 31.200,00 op mijn bankrekening [00.00.00] overgemaakt. Dit is het bedrag van de aangevraagde lening. Het is juist dat dit bedrag op mijn bankrekening is overgemaakt.

Volgens de genoemde fraudecoördinator is het volgende na onderzoek vastgesteld.

Op 17 september 2007 is er een bedrag van € 5.800,00 overgemaakt van mijn rekening naar rekeningnummer [00.00.11] t.n.v. [betrokkene 1] in [plaats].

Op 17 september 2007 is er een bedrag van € 5.550,00 overgemaakt van mijn rekening naar rekeningnummer [00.00.22] t.n.v. [verdachte] in [plaats].

Op 18 september 2007 is er een bedrag van € 11.350,00 overgemaakt van mijn rekening naar rekeningnummer [00.00.22] t.n.v. [verdachte] in [plaats].

Op 19 september 2007 is er een bedrag van € 9.804,50 van bankrekening [00.00.22] t.n.v. [verdachte] terug geboekt op mijn eigen bankrekening van de Rabobank.

U zag dat er geld van de lening werd afgeschreven van uw bankrekening op naam van [verdachte]. Door wie is dit volgens u gedaan en wist u dat?

Ik heb ook aan hem (het hof begrijpt: [verdachte]) mijn digipas gegeven toen hij voor de tweede keer met de dame van de uitvaartverzekering bij mij aan de deur kwam. Ik heb hem mijn digipas gegeven omdat hij mij vertelde dat er teveel geld op mijn rekening was gestort en dat moest hij aanpassen. Ik heb hier geen vraagtekens bij gehad.

Waarom heeft [verdachte] op 19 september 2007 een bedrag van € 9.804,50 geretourneerd op uw eigen bankrekening.

Dit kreeg ik van hem terug omdat hij te veel geld had afgeboekt, dit is tenminste wat hij mij aan de telefoon heeft verteld.

[Verdachte] heeft verklaard u niet te kennen. Wel heeft hij te maken met de aanvraag van een aan u verstrekte lening. Is er sprake van een andere tussenpersoon en wie is dit.

[Verdachte] is diegene die mij aan de deur is geweest samen met de mevrouw van [B] - uitvaartverzekering. Ik heb in ieder geval alleen met deze twee personen gesproken en niet met een andere tussen persoon.

[Verdachte] heeft verklaard dat hij, nadat hij is gebeld door u of een ander persoon, de bedragen € 5.800,00 en € 5.550,00 contant heeft terugbetaald.

Dit klopt niet. Ik heb nooit een contant bedrag ontvangen. Alleen het bedrag € 9.804,50 heb ik ontvangen en dit is op mijn bankrekening gestort.

U zijn zojuist kopieën van de aanvragen getoond die gebruikt zijn bij de aanvraag van het doorlopend krediet. Deze formulieren zijn ondertekend door u. Herkent u op deze formulieren uw handtekening?

De formulieren die u mij laat zien, zijn door mij ondertekend toen [verdachte] en de vrouw van [B] voor de tweede keer bij mij aan de deur kwamen. Ik kan u nog vertellen dat toen ik de bank belde waar mijn geld bleef ik geconfronteerd werd met de vraag of ik bij een bepaald bedrijf werkte omdat zij een loonspecificatie van mij hadden. Ik vond dit erg vreemd omdat ik in mijn hele leven nog nooit gewerkt heb en gewoon een uitkering geniet van de gemeente Oldenzaal.

U toonde mij zojuist een foto uit het politiedossier van een man en u vraagt aan mij of ik deze man herken.

Ik herken op de foto die u mij toont de persoon [verdachte] die bij mij aan de deur is geweest.

Opmerking verbalisant: Ik toonde de verdachte [medeverdachte] een goedgelijkende foto van de verdachte [verdachte] voorkomende in het politiedossier.

11. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] voornoemd, opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte, genummerd PL05YB/09-039023, gedateerd 25 mei 2009, als bijlage gevoegd bij het stamproces-verbaal (p 39 t/m p. 41), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik weet nog dat er een tussenpersoon bij is geweest in september 2007, die aan mij vroeg of ik nog iemand wist die voor hem een lening kon verzorgen. Die jongen bracht mij een digipas met de bijbehorende pincode. Ik heb een deel van het geldbedrag dat op die rekening was gestort, overgemaakt naar mijn eigen rekening en die van mijn vader. U zegt dat het om een geldlening ging van ongeveer € 31.000,00.

Dit is mogelijk.

U zegt dat erop 17 september 2007 een bedrag van € 5.800,00 naar bankrekening [00.00.11] is gestort op naam van [betrokkene 1]. Dat is het eerste bedrag wat ik heb gestort op rekening die op naam stond van mijn vader.

U zegt dat erop 17 september 2007 een bedrag van € 5.550,00 is overgemaakt op DSB bankrekening [00.00.22] op naam van [verdachte]. Dat heb ik ook gedaan. Dat is mijn eigen bankrekening.

Op 18 september 2007 heb ik een bedrag van € 11.350,00 overgeboekt op dezelfde rekening. Alle drie de transacties heb ik zelf gedaan met de digipas die ik kreeg van die jongen.

Ik heb een bedrag van € 9.804,50 van mijn eigen DSB bankrekening naar een rekeningnummer [00.00.33] van Rabobank overgeboekt. Ik weet niet op wiens naam die rekening stond.

U vraagt mij waar het restant van het geld is gebleven dat ik heb overgeboekt naar mijn eigen bankrekeningnummers. Ik heb het geld die € 5.800,00 en € 5.500,00 gepind en daarna overgedragen aan de zogenaamde tussenpersoon.

U vraagt aan mij of ik zelf geld heb overgehouden aan deze zaak. Ik zal er best geld aan over hebben gehouden, maar ik zat in een moeilijke tijd en ik weet niet meer hoeveel geld ik heb ontvangen."

3.4 In zijn arrest heeft het hof ten aanzien van het bewijs, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:

"[Medeverdachte] heeft verklaard dat zij in september 2007 een Turkse man aan de deur kreeg die haar een verzekering wilde verkopen. Tijdens het gesprek werd haar duidelijk dat hij ook in geldleningen en/of kredieten kon bemiddelen. [Medeverdachte] heeft te kennen gegeven een bedrag van € 32.000,00 euro te willen lenen. De Turkse man zei dat hij [verdachte] heette. Op 11 september 2007 kwam dezelfde man, nu in gezelschap van een vrouw, opnieuw bij [medeverdachte] langs. [Medeverdachte] heeft tijdens dit bezoek een kredietaanvraagformulier van haar handtekening voorzien. Dat formulier is vervolgens door de man is meegenomen. Tevens heeft de man bij dit tweede bezoek de digipas van [medeverdachte] meegenomen. Voorts heeft [medeverdachte] aan de man tijdens één van zijn bezoeken een bankafschrift met daarop haar (het hof begrijpt:) bankrekeningnummer afgegeven. [Medeverdachte] herkent van een politiefoto de man die bij haar aan de deur is geweest. De politiefoto betreft verdachte.

Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte] dat een persoon die zich voorstelde met de naam [verdachte] haar ter ondertekening een kredietaanvraagformulier heeft gegeven.

[...]

De stelling van verdachte dat niet hij maar een andere persoon zich als tussenpersoon heeft voorgedaan van wie verdachte de personalia kent maar niet wil noemen, stelt het hof als ongeloofwaardig terzijde. Op geen enkele wijze is door verdachte aannemelijk gemaakt dat niet hij, maar een ander bij [medeverdachte] aan de deur is geweest en haar het kredietaanvraagformulier heeft laten ondertekenen. [Medeverdachte] heeft verklaard dat ze haar digipas aan verdachte heeft afgegeven en verdachte heeft, naar hij nog eens ter zitting van het hof heeft bevestigd, direct na het verstrekken van het krediet grote sommen geld overgeschreven naar zijn eigen rekeningen en de rekening van zijn vader. De stelling van verdachte dat hij dit geld, via de door hem niet nader gespecificeerde tussenpersoon, weer heeft teruggegeven aan [medeverdachte] wordt niet gesteund door enig bewijs. Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel dat de rol van verdachte zo is geweest als [medeverdachte] heeft verklaard."

3.5 De steller van het middel betoogt dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende met redenen heeft omkleed, althans niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd. Hij wijst hiertoe onder meer op het feit dat het hof de verklaring van verdachte ten dele ongeloofwaardig acht, maar deze verklaring, inclusief de ongeloofwaardig geachte en dus niet-redengevende onderdelen, wel tot het bewijs heeft gebezigd.

3.6 Het hof heeft onder bewijsmiddel 10 inderdaad een verklaring opgenomen die het, zo blijkt uit de bewijsoverweging, op onderdelen niet geloofwaardig acht. Hierdoor is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.(1)

3.7 Het middel slaagt.

4.1 Het tweede middel klaagt over de verwerping door het hof van een in hoger beroep gevoerd verweer aangaande de overschrijding van de redelijke termijn.

4.2 Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouw van verdachte aldaar, voor zover hier relevant, het volgende aangevoerd:

"Volgens uw griffie zijn de processtukken uit de eerste aanleg bij uw Hof binnengekomen op 22 juni 2010.

Op 19 oktober 2009 was blijkens de akte rechtsmiddel het appel ingesteld. Tussen het instellen van het appel en de binnenkomst van de stukken bij de griffie zijn aldus meer dan 8 maanden verlopen. Dit levert overschrijding van de redelijke termijn op. De overschrijding van de inzendtermijn dient te worden gecompenseerd met strafvermindering. Van een bijzondere voortvarendheid bij de behandeling van het hoger beroep daarna is geen sprake. De behandeling van het hoger beroep ter zitting heeft na de binnenkomst van de stukken bij het Hof ruim 6 maanden op zich laten wachten.

De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate van overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij hanteert de HR de volgende uitgangspunten:

In strafzaken: nadien een hoofdstraf is opgelegd, wordt -met inachtneming van de volgorde van art. 9 Sr- (het onvoorwaardelijk gedeelte van) die straf verminderd met 5% bij overschrijding van de redelijke termijn met 6 maanden of minder; met 10% bij overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 6 maanden doch niet meer dan 12 maanden. De omvang van de vermindering bedraagt in deze gevallen: bij gevangenisstraf/hechtenis niet méér dan de duur van de overschrijding van de redelijke termijn en nooit meer dan 6 maanden; bij een taakstraf niet meer dan 25 uren; bij een geldboete niet meer dan € 2.500. Geen vermindering wordt toegepast bij een geheel voorwaardelijke straf noch bij een straf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan een maand (bij gevangenisstraf of hechtenis), 100 uren (bij een taakstraf) of € 1.000 (bij een geldboete)."

4.3 Het hof heeft in zijn arrest ten aanzien van dit punt het volgende overwogen:

"Het hof stelt het volgende vast.

Op 19 oktober 2009 heeft de politierechter vonnis gewezen. Verdachte heeft op 19 oktober 2009 hiertegen hoger beroep ingesteld. Op 22 juni 2010 zijn de stukken ingekomen ter griffie van het hof. In aanmerking genomen dat tussen het instellen van het hoger beroep en de inzending van de stukken door de griffier van de rechtbank aan het hof niet meer dan twee jaren zijn verstreken, is het oordeel van het hof dat berechting van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn."

4.4 De steller van het middel voert aan dat 's hofs beslissing getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet (voldoende) begrijpelijk is, nu volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad sprake is van overschrijding van de redelijke termijn wanneer, in geval van niet-gedetineerde verdachten, meer dan acht maanden zijn verstreken tussen het instellen van het appel en de binnenkomst van de stukken bij de griffie van de appelrechter. Het hof heeft dan ook ten onrechte geen strafvermindering toegepast ten gevolge van de overschrijding van de inzendtermijn.

4.5 In zijn standaardarrest van 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad onder meer bepaald:

"3.16. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt [dat] in die procesfase het geding met een einduitspraak [behoort] te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld [...].

3.17. Daarnaast geldt in de appelfase dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden [...] na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen."(2)

4.6 Het hof heeft vastgesteld dat de stukken op 22 juni 2009, zijnde acht maanden en drie dagen na het instellen van het hoger beroep, ter griffie van het hof zijn ingekomen. Deze vaststelling had het hof moeten leiden tot het oordeel dat de redelijke termijn was overschreden. 's Hofs andersluidende oordeel inhoudende dat hiervan geen sprake was nu de stukken binnen een termijn van twee jaren na het instellen van het hoger beroep ter griffie waren ingekomen (waarmee het hof de termijnen voor het ter griffie binnenkomen van de processtukken en voor de einduitspraak door elkaar lijkt te halen), geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

4.7 Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn en de hoogte van de opgelegde straf - hoewel deze niet minder beloopt dan één maand(3) -, had het hof de opgelegde gevangenisstraf naar mijn mening namelijk niet hoeven te verminderen maar had het kunnen volstaan met de constatering van de overschrijding. Ik neem daarbij in aanmerking dat tussen het instellen van het hoger beroep en het wijzen van het arrest een periode van slechts één jaar, drie maanden en twee dagen is verstreken. De Hoge Raad kan doen wat het hof had behoren te doen, waardoor de grondslag aan het middel komt te ontvallen.

4.8 Het middel faalt.

5. Het eerste middel slaagt, het tweede middel faalt.

6. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 15 maart 2011, LJN: BO9821; HR 26 april 2011, LJN: BP8498; HR 13 september 2011, LJN: BQ5708.

2 HR 17 juni 2008, LJN: BD2578, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis.

3 HR 17 juni 2008 t.a.p, rov. 3.6.2 onder C.