Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX5002

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
25-09-2012
Zaaknummer
11/00883
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5002
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht (voorwaardelijk opzet zwaar lichamelijk letsel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1200
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00883

Mr. Machielse

Zitting 19 juni 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 18 januari 2011 wegens 1. "Poging tot zware mishandeling" en 2. "Schuldheling" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar, en tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis, zoals in het arrest nader bepaald. Voorts heeft het de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. Mr. K.I. Meijering, advocaat te Amersfoort, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel, dat betrekking heeft op feit 1, klaagt dat de overweging van het hof omtrent het voorwaardelijk opzet onbegrijpelijk is.

3.2. Ten laste van verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat

"hij op 01 september 2006 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 1] (agent van politie district Utrecht) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe brengen, door met dat opzet (terwijl [verbalisant 1] op een opvallende politiemotor zat en in uniform gekleed was), op een scooter te gaan zitten en die scooter in de richting van [verbalisant 1] te zetten en (terwijl die scooter op ongeveer 75 centimeter, althans op korte afstand, met de voorkant gericht op de zijkant van de politiemotor van [verbalisant 1] stond) met ingeknepen remmen gas te geven en vervolgens de remmen los te laten waardoor die scooter naar voren schoot in de richting van het been, althans lichaam, van die op zijn politiemotor zittende [verbalisant 1], in elk geval tegen de politiemotor, waarop [verbalisant 1] zat, is aangereden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

3.3. Deze bewezenverklaring berust onder meer op het volgende bewijsmiddel:

"1. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 1], agent van politie Utrecht, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0914/06-284441, gesloten en getekend op 1 september 2006 te Utrecht, als bijlage (p.30-32) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende het relaas van voornoemde verbalisant -zakelijk weergegeven-:

Op 1 september 2006 bevond ik, verbalisant, mij in dienst van de politie regio Utrecht. Ik was daartoe in uniform gekleed en verplaatste mij op een opvallende dienstmotor. Ik was met de algemene surveillance belast. Ik reed naar de Van der Pekstraat. Mij is bekend dat er in de Van der Pekstraat, gezien vanaf de zijde van de Plesmanlaan, aan de linkerzijde een doorgang is naar een speelterreintje. Dit speelterreintje is gelegen achter de flat aan de Plesmanlaan. Ik reed de doorgang in. Ik had vanuit de Van der Pekstraat zicht op het speelterrein. Ik reed door het hek heen, wat de doorgang van het speelterrein afscheidt. Ik zag dat een jongen op een scooter sprong. Daarop zette ik mijn motor voor de scooter, teneinde de jongen te beletten weg te rijden. Ik riep luid en duidelijk tegen hem:"Staan blijven, politie, blijven staan!!". Ik hoorde dat de motor van de scooter in werking was. Ik zag dat de voorzijde van de scooter op een afstand van ongeveer 75 centimeter vanaf mijn been was verwijderd. Ik zag dat de jongen mij recht in mijn ogen keek. Ik hoorde en zag dat de jongen een aantal malen gas gaf, waarbij hij de remmen van het voertuig in geknepen hield. Daarop riep ik tegen hem:"Laten staan, eraf komen, staan blijven!!". De achterkant van mijn motor stond gelijk met het hek, zijnde de afscheiding tussen het speelterrein en de brandgang. Ik zag dat de jongen de voorzijde van de scooter in mijn richting zette en mij recht in mijn gezicht keek. Ik zag dat er tussen de achterzijde van mijn motor en het hek geen enkele ruimte zat. Ik zag namelijk dat de koffer van mijn motor iets buiten het hek stak, aan de zijde van de brandgang. Ik zag dat de jongen geen aanstalten maakte om mij via de voorzijde van mijn motor te passeren. Ik zag dat hij zijn scooter op mijn motor gericht hield en wederom gas gaf. Ik zag dat de voorzijde van de scooter op mijn rechterbeen gericht was. Plotseling hoorde ik dat de bestuurder wederom hard gas gaf, de remmen los liet en dat de scooter naar voren schoot. Ik zag dat de jongen daarbij zijn stuur stevig vastgreep en in een houding ging zitten waarin hij kennelijk de klap wilde opvangen die zou ontstaan bij de aanrijding met mij en mijn motor. Ik zag dat de scooter vooruit schoot in de richting van mijn rechterbeen. Daarop heb ik in een reflexbeweging mijn motor een aantal centimeters vooruit gereden, door mijn koppeling op te laten komen. Ik hoorde en voelde een klap tegen mijn motor, op een afstand van ongeveer drie centimeter achter mijn kuit. Tussen de plek waarop de jongen mijn motor raakte en de achterzijde van de motor zat nog ongeveer 50 centimeter. Ik zag dat de jongen de scooter direct losliet en via de voorzijde van mijn motor trachtte te vluchten. Daarop kon ik de jongen, met mijn rechterhand, bij de voorzijde en op borsthoogte bij zijn trui vastpakken. Ik zag dat hij zich daarop los trachtte te rukken. Ik zag en voelde dat hij daarbij met een zwaaiende beweging op mijn rechterhand sloeg. Ik zag dat de jongen daarop, voor mijn motor langs rende. Ik hield mijn motor met mijn linkerhand vast. Doordat de jongen met snelheid en al slaande met zijn handen en armen trachtte weg te komen was ik genoodzaakt mijn motor los te laten waardoor deze ten val kwam, op de scooter. Om met mijn rechterbeen niet onder mijn motor terecht te komen moest ik van mijn motor afspringen waardoor ik de jongen moest loslaten. Ik zag dat het capuchon koord van de trui van de jongen in mijn handen had. Ik zag dat de jongen wegrende. De scooter en het kraagkoord werden door mij in beslag genomen."

3.4. Het hof heeft aan het onder 1 tenlastegelegde de volgende nadere bewijsoverweging gewijd:

"De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken wegens het onder 1 tenlastegelegde.

Het hoger beroep van het openbaar ministerie richt zich tegen deze vrijspraak. Volgens de advocaat-generaal staat op grond van de wettige bewijsmiddelen vast dat verdachte de bestuurder van de scooter was, die op 1 september 2006 op korte afstand is afgereden op de op zijn politiemotor zittende aangever [verbalisant 1]. De advocaat-generaal kan zich niet verenigen met het standpunt van de rechtbank dat het handelen van verdachte niet kan worden gekwalificeerd als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Door op korte afstand, opzettelijk en met kracht, met een scooter op iemand in te rijden kan het niet anders zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben, bewust heeft aanvaard.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Verdachte heeft betwist dat hij de bestuurder was van de scooter die op 1 september 2006 een politieagent heeft geprobeerd te raken. Volgens de raadsvrouw is hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Voorts stelt de raadsvrouw zich op het standpunt, overeenkomstig het oordeel van de rechtbank, dat de feiten en omstandigheden niet kunnen worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Uit de verklaring van aangever [verbalisant 1], agent van politie district Utrecht, heeft het hof de volgende gang van zaken afgeleid. Op 1 september 2006 bevond agent [verbalisant 1] zich op zijn politiemotor in de Van der Pekstraat te Utrecht, in een doorgang naar een speelterrein. Teneinde een jongen te beletten om op zijn scooter te vluchten, heeft [verbalisant 1] met zijn motor de doorgang vanaf het speelterrein versperd. De scooter stond op dat moment stil met de voorzijde in de richting van [verbalisant 1], op een afstand van ongeveer 75 centimeter vanaf het been van [verbalisant 1]. De jongen die de scooter bestuurde, keek [verbalisant 1] recht in de ogen aan en gaf vervolgens een aantal malen gas, waarbij de jongen de remmen ingeknepen hield. De achterzijde van de motor van [verbalisant 1] stond op dat moment gelijk met een hek dat de afscheiding vormde tussen het speelterrein en een brandgang. Aan de achterzijde van de motor zat geen ruimte. Plotseling gaf de bestuurder van de scooter gas en liet de remmen los, zodat de scooter naar voren schoot. [Verbalisant 1] heeft in een reflexbeweging zijn motor enkele centimeters naar voren gereden. De scooter raakte met een klap de motor, op een afstand van ongeveer 3 centimeter achter de kuit van [verbalisant 1]. De bestuurder van de scooter liet zijn scooter los en trachtte via de voorzijde van de motor van [verbalisant 1] te vluchten. Daarop kon [verbalisant 1] de jongen op borsthoogte bij zijn trui vastpakken. De jongen trachtte zich los te rukken. Als gevolg hiervan moest [verbalisant 1] zijn motor loslaten, die vervolgens op de scooter viel. [Verbalisant 1] moest de jongen daarom loslaten, waardoor deze wist te vluchten. [Verbalisant 1] hield alleen het capuchonkoord van de trui van de jongen nog in zijn hand.

Het capuchonkoord is veiliggesteld en getest op DNA-sporen. Na onderzoek in 2009 blijkt dat het DNA-profiel van het capuchonkoord overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte.

Voor het hof staat op grond van de wettige bewijsmiddelen vast dat verdachte de bestuurder was van de scooter, die op 1 september 2006 in de richting van politieagent [verbalisant 1] is gereden.

Gelet op de tenlastelegging ligt de vraag voor waarop het opzet van de verdachte was gericht ten tijde van het inrijden op aangever.

Het hof overweegt dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Vast staat dat de verdachte met zijn scooter vanaf een afstand van ongeveer 75 centimeter tegen (de motor van) aangever is aangereden, die op dat moment nog op zijn motor zat. Het hof is, anders dan de rechtbank en de raadsvrouw, van oordeel dat wanneer van een korte afstand snelheid wordt gemaakt met een scooter en vervolgens recht op iemand op een motor wordt afgereden, de kans groot is dat het lichaam van de persoon op de motor wordt geraakt of de motor ten val komt, waardoor één of meer lichaamsdelen onder de motor kunnen komen, hetgeen - mede gelet op het grote gewicht van de motor - een aanmerkelijk risico op zwaar lichamelijk letsel met zich brengt. Het hof is dan ook van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht waren op het toebrengen van ernstig letsel aan het lichaam van het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben, bewust heeft aanvaard. Het verweer wordt verworpen.

Het hof acht bewezen dat verdachte op 1 september 2006 te Utrecht gepoogd heeft om aan agent [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een scooter op hem in te rijden."

3.5. De klacht richt zich op het oordeel van het hof dat door met een scooter van een korte afstand snelheid te maken en vervolgens recht op iemand op een motor af te rijden, de kans groot is dat het lichaam van die persoon wordt geraakt of de motor ten val komt, waardoor één of meer van zijn lichaamsdelen onder de motor kunnen komen, wat - mede gelet op het grote gewicht van de motor - een aanmerkelijk risico op zwaar lichamelijk letsel meebrengt.

De steller van het middel acht 's hofs motivering omtrent de aanmerkelijke kans op dit gevolg onbegrijpelijk. Hij stelt dat het een feit van algemene bekendheid is dat een scooter over een afstand van ongeveer 75 centimeter nauwelijks enige snelheid kan ontwikkelen. Het hof heeft bovendien niets vastgesteld over het gewicht van de politiemotor waarop de aangever zat, terwijl het voor het gewicht van een voertuig veel uitmaakt of dat een 125cc motor of een 1000cc motor heeft. Voorts acht de steller van het middel het feit dat iemand een ander met het voorwiel van een scooter had kunnen raken noch de omstandigheid dat die ander had kunnen vallen en onder zijn motor terecht had kunnen komen redengevend voor de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Volgens hem kan een aanrijding met een scooter van zeer korte afstand - en dus met een betrekkelijk lage snelheid - wellicht leiden tot pijn of letsel bij degene die wordt aangereden, alsook tot het uit balans raken en vallen van die persoon, maar dat is onvoldoende voor het bewezenverklaarde risico op zwaar lichamelijk letsel.

3.6. Door uiteen te zetten (waaruit blijkt) dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn bewezen geachte handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben, heeft het hof aan de hand van het juiste criterium beoordeeld of verdachte voorwaardelijk opzet op dergelijk letsel had.

De stelling dat het een feit van algemene bekendheid is dat een scooter over een afstand van 75 centimeter niet op snelheid kan komen onderschrijf ik niet. Wanneer de bestuurder van de scooter eerst meermalen, met ingeknepen remmen gas geeft en dan nogmaals hard gas geeft en de remmen loslaat, is de motor al voluit aan het draaien op het moment dat de scooter begint te rijden. Die zal daardoor meteen enige snelheid hebben. Dat dit hier het geval is geweest volgt uit bewijsmiddel 1, dat inhoudt dat de scooter naar voren schoot en met een klap de motor raakte. Ook volgt uit bewijsmiddel 1 dat verdachte hierop anticipeerde; hij greep zijn stuur stevig vast en ging in een houding zitten waarin hij kennelijk de klap wilde opvangen die zou bij de aanrijding ontstaan.

Het hof heeft in zijn overweging over de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel mede gelet op het gewicht van de motor zonder dat is vastgesteld hoe zwaar het voertuig was of welk type motor het had. Uit de bewijsconstructie blijkt dat het een dienstmotor van de politie betreft waarmee in de stad Utrecht is gesurveilleerd. Het is van algemene bekendheid dat de motoren waarmee de politie surveilleert zware voertuigen zijn.(1) Politiemotoren moeten immers in staat zijn hoge snelheden te behalen gelet op de inhoud van de politietaken. Dat het hof hiervan is uitgegaan behoeft dan ook geen motivering. Dat in het onderhavige geval de motor van de politieagent niet is gevallen door de impact van de aanrijding door verdachte wil niet zeggen dat het hof niet heeft kunnen aannemen dat er een aanmerkelijke kans was dat de politieagent bij zo een doelbewuste botsing met motor en al zou vallen en bijvoorbeeld met zijn been onder de motor terecht zou kunnen komen. Dat dan allerlei verwondingen, naar mijn inschatting variërend van brandwonden tot gecompliceerde spiraalbreuken, ruimschoots in het verschiet liggen lijkt mij ook een conclusie die het hof heeft kunnen trekken.

Het oordeel van het hof dat er een aanmerkelijke kans was dat de motoragent zwaar lichamelijk letsel zou bekomen is niet onbegrijpelijk.(2) Derhalve faalt het middel.

4. Het middel faalt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die aanleiding behoort te geven tot vernietiging van het bestreden arrest.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Hierin verschilt de politiemotor van, bijvoorbeeld, de buitenboordmotor van een boot. Vgl. HR 26 januari 2010, LJN BK5498.

2 Vgl. HR 6 februari 1951, NJ 1951, 475; HR 16 augustus 2005, LJN AT6425; HR 16 december 2008, LJN BG2189.