Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4998

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
25-09-2012
Zaaknummer
11/00235
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4998
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bij de aan de HR toegezonden stukken bevindt zich niet een aanvulling als bedoeld in art. 365a.2 Sv houdende de bewijsmiddelen; het arrest kan daarom niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1199
NBSTRAF 2012/334
NbSr 2012/334
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00235

Mr. Machielse

Zitting 19 juni 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 28 december 2010 voor 1: Eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, en 2: Niet voldoen aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht, veroordeeld tot een geldboete van € 200 respectievelijk € 50.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen. Mr. D.V.A. Brouwer en mr. N. Smeets, advocaten te Utrecht, hebben een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten het verkorte arrest aan te vullen met de bewijsmiddelen. Blijkens correspondentie heeft het hof, aldus het middel, dit nagelaten op grond van een verkeerde uitleg van artikel 427 lid 2 onder b Sv, nu in ieder geval feit 1 een misdrijf betreft. Het tweede middel komt op tegen de beslissing van het hof dat het bewezenverklaarde onder 2 de overtreding van artikel 447e Sr in plaats van een misdrijf volgens artikel 184 Sr oplevert.

Uit het oogpunt van proceseconomie lijkt het mij zinvol het tweede middel eerst te behandelen. Als dat gegrond zou zijn, zou er immers reden zijn voor vernietiging voor zover het de beslissingen over feit 2 betreft. Als ook het eerste middel gegrond is, lijkt het de voorkeur te verdienen het gehele arrest te vernietigen en de gehele zaak opnieuw te laten beoordelen.

4.1. Volgens het tweede middel heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging van feit 2 verlaten. Het hof heeft ten onrechte aangenomen dat de bewezenverklaring van feit 2 een overtreding oplevert. Door deze overtreding slechts te beboeten met € 50 wordt de cassatiedrempel van artikel 427 lid 2 onder b Sv niet gehaald. De steller van het middel bepleit de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in een zaak waarin een hof een boete van hoogstens € 50 heeft opgelegd voor een gedraging die het hof ten onrechte als een overtreding in plaats van een misdrijf heeft beschouwd. Het hof heeft voorts over het hoofd gezien dat artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht de politie niet de bevoegdheid geeft om inzage in een identiteitsbewijs te vorderen.

4.2. Als feit 2 is tenlastegelegd dat

"hij op of omstreeks 16 december 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [verbalisant 1], brigadier van politie, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd een geldig op zijn naam staand identiteitsbewijs te tonen, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering."

Daarvan heeft het hof bewezen verklaard dat

"hij op 16 december 2008 te Utrecht, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht, gedaan door [verbalisant 1], brigadier van politie, die was belast met de uitoefening van enig toezicht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd een geldig op zijn naam staand identiteitsbewijs te tonen, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering."

4.3. In de pleitnota in hoger beroep is aangevoerd dat verdachte van rechtsvervolging ter zake van feit 2 diende te worden ontslagen omdat artikel 447e Sr de toepassing van artikel 184 Sr zou verdringen. De pleitnota gaat er van uit dat de tenlastelegging is toegesneden op artikel 184 Sr.

In zijn arrest heeft het hof dat verweer aldus samengevat en verworpen:

"Daarnaast heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat zijn cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, omdat een dergelijk feit apart strafbaar is gesteld, namelijk onder de specialis van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, te weten artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van het hof stoelt de visie van de verdediging op een misverstand, aangezien de opsteller van de tenlastelegging zich primair gebaseerd heeft op overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair op het voorschrift neergelegd in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof zal de tenlastelegging ook op die manier lezen en dienovereenkomstig kwalificeren.

Het hof verwerpt het verweer."

4.4. Het eerste lid van artikel 184 Sr heeft de volgende inhoud:

"Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."

Artikel 447e Sr luidde ten tijde van de ten laste gelegde feiten aldus:

"Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie."

En artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht:

"Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8a van de Politiewet 1993, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden. Deze verplichting geldt ook indien de vordering wordt gedaan door een toezichthouder."

Het eerste lid van artikel 8a van de Politiewet 1993 luidde als volgt:

"Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak."

4.5. In de Memorie van Toelichting bij het voorstel dat is uitgemond in de Wet op de uitgebreide identificatieplicht van 24 juni 2004, Stb. 2004, 300, heeft de Minister de vraag onder ogen gezien op welke wijze het best kan worden opgetreden tegen het niet nakomen van de identificatieplicht. De voorkeur ging uit naar het creëren van een aparte strafbaarstelling in plaats van het toepassen van artikel 184 Sr. Vervolging op basis van artikel 184 Sr is in theorie wel mogelijk maar dikwijls disproportioneel, met name als de aanleiding tot de vordering een aanhouding voor een overtreding is of het optreden in het kader van de openbare orde. Een specifieke strafbaarstelling biedt een betere mogelijkheid tot een proportionele reactie.(1) Verder is de verhouding tot artikel 184 Sr geen voorwerp van debat geweest. Het lijkt er dus op alsof de wetgever in artikel 447e Sr een systematische specialiteit ten aanzien van artikel 184 Sr heeft willen creëren.

4.6. De uitleg van de tenlastelegging is overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt, maar kan wel op begrijpelijkheid worden getoetst.(2) De bewoordingen waarin feit 2 is omschreven, vormen een blauwdruk van de inhoud van artikel 184 Sr. Met name acht ik van belang dat de tenlastelegging vermeldt dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Overigens komen ook alle andere bestanddelen van artikel 184 Sr terug in de tenlastelegging. Een verwijzing naar artikel 447e Sr kan alleen worden gevonden in het feit dat de tenlastelegging spreekt van de Wet op de identificatieplicht en van een identiteitsbewijs.(3) De uitleg dat primair de overtreding is ten laste gelegd en subsidiair het misdrijf lijkt mij zodanig gewrongen dat aan een redelijke uitleg van de tenlastelegging geweld is aangedaan.(4) Dat betekent dat het hof de grondslag van het tenlastelegging heeft verlaten en heeft veroordeeld voor iets anders dan was ten laste gelegd. Het bestreden arrest heeft in werkelijkheid dus geen betrekking op een overtreding, maar op een misdrijf, zodat de beperking van artikel 427 lid 2 onder b Sv hier niet tot toepassing komt.

Het tweede middel is gegrond.

5. Het eerste middel, dat klaagt over het verzuim om het verkorte arrest met bewijsmiddelen aan te vullen, slaagt eveneens. Klaarblijkelijk is het hof uitgegaan van de onjuiste opvatting dat de beperking van het tweede lid onder b van artikel 427 Sv ook betrekking heeft op een veroordeling voor misdrijven. Dat is evenwel niet het geval. Het hof heeft verdachte voor feit 1 veroordeeld tot een geldboete van € 200. Dat feit is gekwalificeerd als: Eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Dat feit is strafbaar gesteld in artikel 266 juncto 267, aanhef en onder 2 Sr. Het is een misdrijf. Tegen deze veroordeling is cassatieberoep toegelaten.

Het middel is terecht voorgesteld.

6. Beide middelen treffen mijns inziens doel. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Kamerstukken II 2003/04, 29218, nr. 3, p. 16. Herhaald in Kamerstukken II 2007/08, 31436, nr. 3, p. 12, p. 24, p. 34.

2 HR 10 november 1998, NJ 1999, 200; HR 18 september 2001, LJN ZD2853.

3 Zie voor een tenlastelegging die wel duidelijk op artikel 447e Sr is gebaseerd Rechtbank Amsterdam 3 november 2010, LJN BO8474: "(dat hij) op of omstreeks 06 februari 2009 te Amsterdam niet heeft voldaan aan zijn verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, die is opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht". Zie voor vergelijkbare tenlasteleggingen bijvoorbeeld Rechtbank Roermond 4 november 2009, LJN BK1999 (feiten 4 en 5); Gerechtshof Arnhem 19 juni 2009, LJN BI8785.

4 Zie Gerechtshof Arnhem 23 mei 2011, LJN BQ6073, dat ontsloeg van rechtsvervolging ter zake van een bewezenverklaring die een zeer grote gelijkenis vertoonde met de onderhavige bewezenverklaring, omdat artikel 447e Sr artikel 184 Sr, waarop de bewezenverklaring volgens het hof was geënt, verdrong.