Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4874

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
25-09-2012
Zaaknummer
10/04641
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4874
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht (opzetheling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1194
NJB 2012/2116
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/04641

Mr. Machielse

Zitting 19 juni 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 27 september 2010 van het onder 1 en 2 telkens primair tenlastegelegde vrijgesproken en hem voor 1 subsidiair en 2 subsidiair: opzetheling, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en tot een werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.

2. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat uit de bewijsconstructie niet is af te leiden dat de goederen die de ex-vrouw van verdachte kocht werden betaald uit het geld dat uit haar uitkering afkomstig was, dat verdachte opzet had op die eventuele herkomst of dat verdachte opzet had op het trekken van voordeel.

3.2. Bewezen verklaard is dat:

"1 subsidiair

hij in de periode vanaf 28 december 1996 tot en met 31 augustus 1998 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Amsterdam en de in die woning aanwezige voorzieningen zoals gas, water, elektriciteit, levensmiddelen en boodschappen, terwijl hij wist dat deze voorzieningen en goederen geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet, welke door [betrokkene 1] - met wie hij, verdachte, op bovenvermeld adres in gezinsverband samenwoonde - door enig misdrijf was verkregen, aldus heeft hij, verdachte, toen en daar opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen voorwerp voordeel getrokken;

2 subsidiair

hij in de periode vanaf 23 augustus 2001 tot en met 5 september 2004 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Amsterdam en de in die woning aanwezige voorzieningen zoals gas, water, elektriciteit, levensmiddelen en boodschappen, terwijl hij wist dat deze voorzieningen en goederen geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet en de Wet Werk en Bijstand, welke door [betrokkene 1] - met wie hij, verdachte, op bovenvermeld adres in gezinsverband samenwoonde - door enig misdrijf was verkregen, aldus heeft hij, verdachte, toen en daar opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen voorwerp voordeel getrokken."

3.3. Het hof heeft het bewijs gebaseerd op verklaringen van verdachte (bewijsmiddelen 1 en 2), waarin verdachte zegt dat hij de woning waarin zijn ex-echtgenote woonde aan haar verhuurde en dat hij daar dagelijks kwam. Ook hun drie kinderen woonden daar. Af en toe leverde verdachte boodschappen af. Hij wist dat zijn ex een uitkering kreeg. Zij had destijds ook een betaalde baan. Bewijsmiddel 3 is een rapport van de Sociale Dienst Amsterdam met daarin de resultaten van het dossieronderzoek en van een buurtonderzoek. Getuigen bevestigen dat de verdachte met zijn ex en zijn kinderen samenwoonde op hetzelfde adres (bewijsmiddelen 4 en 5). Bewijsmiddel 6 bevat de verklaring van de voormalige echtgenote van verdachte. Volgens haar wist verdachte dat zij een uitkering genoot. De energieaansluiting stond op haar naam en zij betaalde de energierekening via de bank. Het voordeel van de uitkering was dat zij financieel onafhankelijk was van verdachte en bij ruzie kon zeggen "Daar is het gat van de deur". Voorts bevat de aanvulling van het verkorte arrest de tot het bewijs gebezigde inhoud van inkomstenverklaringen.

3.4. Uit die bewijsmiddelen heeft het hof weliswaar kunnen afleiden dat de verdachte en [betrokkene 1] samenwoonden op het adres [a-straat 1] te Amsterdam en dat hij aldus gebruik maakte van de voorzieningen en boodschappen op dat adres, maar de bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat, zoals is bewezen verklaard, die voorzieningen en boodschappen geheel of gedeeltelijk werden betaald van de - door valsheid in geschrift verkregen - uitkering van [betrokkene 1], dan wel dat de verdachte telkens wist dat die voorzieningen en boodschappen geheel of ten dele werden bekostigd met door dat misdrijf verkregen geld. De bewezenverklaring is dus niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.(1)

4.1. Het tweede middel klaagt over de motivering van de opgelegde straf. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie kan niet volgen dat verdachte eerder ter zake van andersoortige delicten is veroordeeld. Verdachte is immers slechts eenmaal eerder veroordeeld.

4.2. Het hof heeft de strafoplegging aldus gemotiveerd:

"De verdachte heeft zich gedurende een periode van meer dan vijf jaar schuldig gemaakt aan heling door gebruik te maken van de woning van diens ex-echtgenote en van de in die woning aanwezige voorzieningen en goederen, die mede werden bekostigd uit de ten onrechte ontvangen uitkering van die ex-echtgenoot. Door deze handelwijze is de gemeenschap voor een groot bedrag (€ 77.142,00) benadeeld. De verdachte heeft met zijn handelwijze niet alleen geprofiteerd ten koste van de gemeenschap, maar heeft óók het vertrouwen waarop het stelsel van sociale voorzieningen in Nederland is gebaseerd, geschaad. Daarenboven ondergraaft dergelijk gedrag het maatschappelijk draagvlak voor het in standhouden van het stelsel van sociale zekerheid dat juist is bedoeld om middelen van bestaan te garanderen aan diegenen die niet bij machte zijn om deze op eigen kracht te verwerven.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 23 september 2010 is de verdachte eerder ter zake van andersoortige delicten veroordeeld."

4.3. Het Uittreksel Justitiële Documentatie van 23 september 2010 vermeldt een sepot van 17 mei 1999 betreffende een mishandeling en een veroordeling van 3 april 1992 van de krijgsraad te Amsterdam voor een mishandeling. Verdachte is dus maar één keer veroordeeld voor een andersoortig misdrijf. De strafmotivering is reeds om die reden niet zonder meer begrijpelijk.(2)

Het middel is terecht voorgesteld.

5. Beide middelen slagen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde de zaak op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 5 juli 2011, LJN BQ5729; HR 5 juli 2011, LJN BQ6015; HR 13 september 2011, LJN BQ6105.

2 HR 26 oktober 2010, LJN BO1752; HR 13 september 2011, LJN BQ9111.