Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4759

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
11/04062
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4759
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn in cassatie. Overige middelen: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1163
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/04062

Mr. Silvis

Zitting: 12 juni 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 23 november 2010 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens onder 1 "medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd", onder 2 "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", onder 3 "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" en onder 4 "medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Verdachte is door het hof veroordeeld voor, kort gezegd, het onjuist en/of onvolledig doen van bij de belastingwet voorziene aangiften omzetbelasting en voor het feitelijk leiding geven aan door verschillende rechtspersonen gedane onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting. Het eerste en het tweede middel klagen over de bewezenverklaringen van het hof.

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard onder 1 dat:

"zij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2003 tot en met 30 september 2003 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, te weten de op naam van [A] C.V., hierna "[A]" gestelde aangiften voor de omzetbelasting over de aangiftetijdvakken januari 2003 en maart 2003 en april 2003 en augustus 2003 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft zij tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk op het bij de belastingdienst ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over

- het aangiftetijdvak januari 2003 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 9.660 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak maart 2003 een totaalbedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 10.070 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak april 2003 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 9.925 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak augustus 2003 een totaal bedrag aan te betalen of terug te vragen omzetbelasting groot 0 euro opgegeven,

terwijl dat feit er telkens toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;"

5. Onder 2 is bewezen verklaard dat:

"de rechtspersoon [B] C.V., hierna: "[B]", op tijdstippen in de periode van 1 maart 2003 tot en met 31 juli 2004 telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in Algemene wet inzake Rijksbelastingen, te weten de op naam van [B] voornoemd gestelde aangiften voor de omzetbelasting over de aangiftetijdvakken februari 2004 en juni 2004 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft [B] telkens opzettelijk de bij de belastingdienst ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over

- het aangiftetijdvak februari 2004 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 16.066 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak juni 2004 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 12.363 euro opgegeven,

terwijl dit feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;"

6. Onder 3 is bewezen verklaard dat:

"de rechtspersoon [C] C.V., hierna: "[C]", op tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in Algemene wet inzake Rijksbelastingen, te weten de op naam van [C] voornoemd gestelde aangiften voor de omzetbelasting over de aangiftetijdvakken 4e kwartaal 2003 en januari 2004 en februari 2004 en maart 2004 en april 2004 en mei 2004 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft [C] telkens opzettelijk de bij de belastingdienst ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over

- het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2003 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 18.597 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak januari 2004 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 8.170 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak februari 2004 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 9.557 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak maart 2004 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 10.070 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak april 2004 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 10.021 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak mei 2004 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 9.786 euro opgegeven,

terwijl dit feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;"

7. En onder 4 dat:

"de rechtspersoon [D] C.V., hierna "[D]", op tijdstippen in de periode van 6 oktober 2004 tot en met 30 september 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, te weten de op naam van [D] voornoemd gestelde aangiften voor de omzetbelasting over de aangiftetijdvakken 3e kwartaal 2004 en 1e kwartaal 2005 en april 2005 en mei 2005 en juni 2005 en juli 2005 en augustus 2005 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft [D] telkens opzettelijk de bij de belastingdienst ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over

- het aangiftetijdvak 3e kwartaal 2004 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 17.528 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak 1e kwartaal 2005 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 13.650 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak april 2005 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 7.655 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak mei 2005 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 8.254 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak juni 2005 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 8.251 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak juli 2005 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 8.896 euro opgegeven en

- het aangiftetijdvak augustus 2005 een totaal bedrag aan terug te vragen omzetbelasting groot 7.456 euro opgegeven,

terwijl dit feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven."

8. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaringen van het hof onder 1 tot en met 4 onvoldoende met redenen zijn omkleed, nu de betreffende bewezenverklaringen zelf niet expliciet inhouden dat de daarin vermelde aangiftebedragen in het licht van de relevante fiscaalrechtelijke bepalingen te laag c.q. te hoog zijn geweest.

9. In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat de bewezenverklaringen onder 1 tot en met 4 weliswaar duidelijk omschrijven op welke specifieke aangiften en welke specifieke aangiftebedragen zij betrekking hebben en dat zij tevens inhouden dat de gedane aangiften ertoe hebben gestrekt dat te weinig belasting werd geheven, maar dat het nalaten te vermelden dat de genoemde aangiftebedragen te laag c.q. te hoog zijn geweest ingaat tegen wat in zaken als de onderhavige gebruikelijk is. De steller van het middel wijst in dit verband op een reeks van uitspraken van de Hoge Raad met betrekking tot zaken waarin een dergelijke vermelding wel in de bewezenverklaring(en) van het hof waren opgenomen.(1)

10. Inderdaad bevat de door de steller van het middel aangehaalde jurisprudentie bewezenverklaringen die het doen van onjuiste en/of onvolledige belastingaangifte betreffen en die een zinsnede bevatten waarmee expliciet tot uitdrukking wordt gebracht dat de in deze bewezenverklaringen genoemde aangiftebedragen te laag c.q. te hoog zijn geweest. Het gaat dan om zinsnedes als "terwijl deze bedragen in werkelijkheid hoger dienden te zijn".(2) Relevanter dan deze feitelijke constatering is uiteraard welk doel met het opnemen van een dergelijke zinsnede in het concrete geval wordt gediend en of een dergelijke zinsnede in de onderhavige zaak, onder meer in het licht van de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, niet kan worden gemist. In ieder geval leidt het onderdeel van de klacht dat de bewezenverklaringen anders luiden dan te doen gebruikelijk niet tot cassatie.

11. Voorts kan worden vastgesteld dat het, gelet op de wijze waarop de tenlasteleggingen onder 1 tot en met 4 in casu zijn geformuleerd, niet behoeft te verbazen dat de bewezenverklaringen van het hof niet een zinsnede inhouden met als expliciete inhoud het alternatief dat de daarin genoemde aangiftebedragen te laag c.q. te hoog zijn geweest. In de betreffende tenlasteleggingen is door de opsteller steeds eerst vermeld dat onjuiste en/of onvolledige aangiften voor de omzetbelasting zijn gedaan, is vervolgens met gebruikmaking van het voegwoord 'immers' een specifieke omschrijving van verschillende gedane aangiften opgenomen en is daarna de zinsnede toegevoegd "althans [heeft verdachte resp. een nader omschreven rechtspersoon] over genoemde aangiftetijdvakken (telkens) een te laag [t.a.v. de tenlasteleggingen onder 1 en 4] bedrag aan belasting opgegeven" resp. "althans [heeft een nader omschreven rechtspersoon] over de genoemde aangiftetijdvakken (telkens) een te hoog [t.a.v. de tenlasteleggingen onder 2 en 3] bedrag aan voorbelasting opgegeven". Op basis van de laatstgenoemde zinsnede uit de tenlasteleggingen en het gebruik in de tenlasteleggingen van het voegwoord "immers" moet het ervoor worden gehouden dat de omschrijving van de gedane aangiften in de tenlasteleggingen ertoe dienen aan te geven waaruit de in diezelfde tenlasteleggingen genoemde "onjuiste en/of onvolledige aangiften" (volgens de opsteller) hebben bestaan. Het hof oordeelt dat voor het vaststellen van de juistheid van de in de tenlasteleggingen genoemde aangiftebedragen voldoende bewijs voorhanden is, zodat het aan het ruimer omschreven alternatief niet toekomt.

12. Art. 69, tweede lid, AWR stelt o.m. strafbaar het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, voor zover dit feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Voor de bewezenverklaringen van het hof onder 1 tot en met 4 geldt, ten eerste, dat zij vermelden dat in casu sprake is geweest van onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften, ten tweede, dat zij een duidelijke feitelijke omschrijving bevatten van deze onjuiste en/of onvolledige aangiften, en ten derde, dat zij inhouden dat de onjuiste en/of onvolledige aangiften ertoe hebben gestrekt dat te weinig belasting werd geheven. Nu de steller van het middel niets aandraagt op grond waarvan de bewezenverklaringen van het hof onvoldoende met redenen omkleed zijn (en de inhoud van de bewijsmiddelen leert dat het hof daaruit zowel het bewijs voor de juistheid van de in de bewezenverklaringen omschreven aangiften en de juistheid van de daarin genoemde aangiftebedragen als het bewijs voor het feit dat de betreffende aangiften onjuist en/of onvolledig zijn geweest heeft kunnen afleiden) is het middel m.i. voldoende besproken.

13. Het eerste middel faalt.

14. Met het tweede middel, dat een tweetal klachten bevat, wordt gesteld dat de bewezenverklaringen onder 2, 3 en 4 innerlijk tegenstrijdig zijn, dan wel dat de betreffende bewezenverklaringen onvoldoende met redenen zijn omkleed, nu deze telkens eerst inhouden dat de onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften door een rechtspersoon zijn gedaan en vervolgens dat deze rechtspersoon een commanditaire vennootschap betreft, en het hof voorts ten aanzien van de bewezenverklaringen onder 2 en 3 een verklaring van de verdachte als bewijsmiddel heeft gebezigd waarin de daarin genoemde rechtspersonen als eenmanszaken worden omschreven.

15. Voor de beoordeling van het middel is allereerst de tekst van art. 51 Sr van belang. Deze luidt:

"1. Strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

2. Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:

1° tegen die rechtspersoon, dan wel

2° tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan wel

3° tegen de onder 1° en 2° genoemden te zamen.

3. Voor de toepassing van de vorige leden wordt met de rechtspersoon gelijkgesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen."

16. Naast de hierboven onder 5 tot en met 7 opgenomen tekst van de bewezenverklaringen onder 2, 3 en 4 is voor de beoordeling van het middel ook nog van belang de door het hof als bewijsmiddel 5 gebezigde verklaring van de verdachte:

"5. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover deze - zakelijk weergegeven - inhoudt:

[B] C.V. was een eenmanszaak van mij. Ik had de feitelijke zeggenschap over het bedrijf en nam alle beslissingen. In de periode van 1 maart 2003 tot en met 31 juli 2004 heb ik de aangiften voor de omzetbelasting van [B] C.V. ingevuld en naar de Belastingdienst verzonden. [E] is een skiatelier in Rotterdam, dat sinds 2002 stikwerk voor ons verrichtte. De voorbelasting die op de rekeningen van [E] staat is overgenomen op de aangiften.

[C] C.V. was een eenmanszaak van mij. Ik had de feitelijke zeggenschap over het bedrijf en nam alle beslissingen. In de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 heb ik de aangiften voor de omzetbelasting van [C] C.V. ingevuld en bij de belastingdienst ingeleverd. Ik heb de omzetbelasting vermeld op de facturen ook in de aangiften verwerkt. Ik erken dat ik de aangiften onjuist heb ingevuld. De aangifte omzetbelasting over januari 2004 is onjuist ingevuld, omdat ik ten onrechte de voorbelasting van de rekening van [F] in de aangifte heb verwerkt. Dit betreft een privé-besteding voor mijn zoon. De factuur heb ik bewust bij [C] ingeboekt om de winst te drukken. Ik wist dat dit niet juist was. De aangifte over maart 2004 is onjuist ingevuld. De factuur van [G] betreft de levering van een whirlpool voor mijn zoon en is ten onrechte ingeboekt bij [C]."

17. De eerste klacht van het middel betreft de bewezenverklaringen onder 2, 3 en 4, voor zover daarin telkens in de naam van de als rechtspersoon aangeduide entiteit die de onjuiste en/of onvolledige belastingaangifte heeft begaan de afkorting "C.V." terugkomt (de namen waarom het gaat zijn: [B] C.V. (onder 2), [C] C.V. (onder 3) en [D] C.V. (onder 4)). Volgens de steller van het middel zijn de bewezenverklaringen onder 2, 3 en 4 onvoldoende met redenen omkleed, aangezien uit de genoemde afkorting "C.V." kan worden afgeleid dat de in de bewezenverklaringen als rechtspersoon aangeduide entiteiten commanditaire vennootschappen betreffen, terwijl de commanditaire vennootschap naar de regels van het civiele recht niet als rechtspersoon geldt.

18. Juist is dat de commanditaire vennootschap naar de regels van het civiele recht een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid is. Uit art. 51, derde lid, Sr volgt evenwel dat de commanditaire vennootschap voor de toepassing van de eerste twee leden van art. 51 Sr met de rechtspersoon wordt gelijkgesteld. In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat de omstandigheid dat de commanditaire vennootschap in art. 51, derde lid, Sr "wat betreft strafwaardigheid" aan de rechtspersoon wordt gelijkgesteld nog niet meebrengt dat de in de bewezenverklaringen onder 2, 3 en 4 als rechtspersoon aangeduide commanditaire vennootschappen feitelijk ook rechtspersonen zijn. Deze opmerking gaat er in de eerste plaats aan voorbij dat het bepaalde in art. 51, derde lid, Sr meer omvat dan een gelijkstelling van de commanditaire vennootschap aan de rechtspersoon "wat betreft strafwaardigheid". Uit art. 51, derde lid, Sr in verbinding met art. 51, eerste lid, Sr volgt immers eveneens dat strafbare feiten door commanditaire vennootschappen als ware het rechtspersonen kunnen worden "begaan". In de tweede plaats geldt dat een verwijzing naar een "rechtspersoon" blijkens de context betrekking kan hebben op een rechtsvorm die in civielrechtelijke context niet maar in een strafrechtelijke context wel als zodanig wordt gecategoriseerd of daarmee wordt gelijkgesteld.

19. Dan de tweede klacht van het middel. Deze houdt in dat de door het hof als bewijsmiddel 5 gebezigde verklaring van de verdachte (zie hierboven onder 16) niet redengevend is voor de bewezenverklaringen onder 2 en 3, aangezien de entiteiten [B] C.V. en [C] C.V. in deze verklaring beide als eenmanszaak worden aangeduid, terwijl zij in de betreffende bewezenverklaringen rechtspersonen worden genoemd en de eenmanszaak naar de regels van het civiele recht geen rechts- maar een natuurlijke persoon is.

20. Krachtens art. 51, derde lid, Sr worden voor de toepassing van de eerste twee leden van art. 51 Sr met de rechtspersoon gelijkgesteld de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (waaronder de commanditaire vennootschap), de maatschap, de rederij en het doelvermogen. Op de eenmanszaak is de gelijkstelling van art. 51, derde lid, Sr niet van toepassing, en vervolging voor feitelijk leidinggeven aan een strafbare gedraging begaan door een eenmanszaak is dan ook niet mogelijk. Aangezien de namen van de in de bewezenverklaringen onder 2 en 3 als rechtspersoon aangeduide entiteiten beide zijn voorzien van de afkorting "C.V.", is er, zoals de steller van het middel in het kader van zijn eerste klacht zelf ook aangeeft, op het eerste oog weinig reden om te betwijfelen dat het hier om commanditaire vennootschappen - en dus strafrechtelijk gezien om rechtspersonen - gaat.

21. Er is geen aanwijzing dat de verdachte met de verklaring heeft willen betwisten dat de bedoelde bedrijven de rechtsvorm commanditaire vennootschap hadden. Kennelijk heeft het hof de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte dat [B] C.V. en [C] C.V. "eenmanszaken" van hem zijn geweest dan ook begrepen in verband met de daaraan uitleg gevende mededeling van verdachte dat zij de feitelijke zeggenschap over de bedrijven had en alle beslissingen nam. Dat is relevant voor de rol van de verdachte ten aanzien van het doen van belastingaangifte door [B] C.V. en [C] C.V. Aldus gelezen is de gebezigde verklaring van de verdachte wel redengevend voor de bewezenverklaringen van het hof onder 2 en 3. De klacht faalt derhalve.

22. Het tweede middel faalt.

23. Het derde middel klaagt dat het hof in zijn arrest is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging met betrekking tot de strafoplegging zonder opgave van bijzondere redenen die daartoe hebben geleid.

24. Blijkens een pleitnota die is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 9 november 2010 heeft de raadsman van de verdachte bij die gelegenheid - voor zover hier van belang - het volgende aangevoerd (blz. 3 van de pleitnota):

"Cliente heeft zowel in eerste aanleg als tijdens de behandeling in hoger beroep erkent fouten gemaakt te hebben en onjuist gehandeld te hebben. De winst drukken was de belangrijkste reden heeft zij verklaard. Zij heeft spijt van het gebeurde.

Gaandeweg de jaren is bij haar kanker geconstateerd waarvoor zij behandeling moest ondergaan. De gehele zaak heeft ook de nodige psychische klachten teweeg gebracht, waarvoor zij onder behandeling bij een psycholoog/psychiater is. Recent is bij haar een tumor geconstateerd in haar hoofd. Zij is nu bezig met onderzoeken naar de aard en omvang hiervan. Zij leeft van een ziektewetuitkering. Door de aanslagen die haar zijn opgelegd als gevolg van de fouten in de aangiften staat zij er belabberd voor.

De advocaat-generaal heeft een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf geëist, een onvoorwaardelijk deel van 8 maanden. Deze straf is niet op zijn plaats. Een straf uit 1989 dient hiervoor toch niet meer als basis meegenomen te worden en de laatste veroordeling van cliente stamt dan uit 1999. Meer dan 10 jaren geleden. Zij heeft toen voor het laatst een werkstraf opgelegd gekregen voor zaken waarin zij betrokken is geraakt door haar zoon [betrokkene 1]. Die werkstraf heeft zij correct verricht. Ook nu speelt [betrokkene 1] een (belangrijke) rol in het dossier, al wil cliente hiermee niet haar eigen verantwoordelijkheid in het geheel ontkennen. Als cliente een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt betekent dit een vermoedelijke onderbreking van haar medische behandeling, een onderbreking van haar inkomen en dus een gevaar voor het kwijtraken van haar woning. Cliente is inmiddels op een leeftijd en de feiten zijn van een dusdanige ouderdom dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet (langer) op zijn plaats is. Het zou de mogelijkheden om de ontstane schade te betalen ook doorkruisen. De advocaat-generaal heeft naar de mening van de verdediging onvoldoende rekening gehouden met het tijdsverloop, waar de rechtbank naar verwees in haar vonnis. Daar komt bij dat de medeverdachte [betrokkene 1] kennelijk (ook) een werkstraf opgelegd heeft gekregen, terwijl hij toch geen onbekende van justitie is. Ik verzoek u dan ook bij de strafoplegging cliente in aanmerking te laten komen voor de (maximale) werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke straf gekoppeld aan een (langdurige) proeftijd."

25. Het bestreden arrest houdt - voor zover relevant - in (blz. 9-11):

"Op te leggen straf

E1.1

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

E1.2

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het vertrouwen, dat de fiscale overheid in belastingaangiften als de onderhavige mag stellen, door het bewezen verklaarde is geschonden;

- de mate waarin door het bewezen verklaarde aan de Nederlandse Staat fiscaal nadeel is toegebracht, te weten voor een bedrag van ruim € 150.000,00;

- de omstandigheid dat verdachte zich gedurende in ieder geval ruim een jaar stelselmatig met de bewezen verklaarde strafbare feiten heeft bezig gehouden;

- de mate waarin het vertrouwen, dat in het maatschappelijk verkeer mag worden gesteld in de echtheid van facturen als de onderhavige, door het bewezen verklaarde is verstoord.

E1.3

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels ruime tijd is verstreken en verdachte zich in die periode niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan (andere) strafbare feiten.

E2.1

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan acht het hof, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van vier maanden en daarnaast een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

E2.2

Met oplegging van daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

E3

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat door de advocaat-generaal in de door haar gevorderde straf onvoldoende rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn met welke overschrijding door de rechtbank wel rekening is gehouden bij de strafbepaling.

E4.1

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat tussen de datum waarop de verdachte redelijkerwijs kon vermoeden dat vanwege de Staat jegens haar een strafvervolging zou worden ingesteld, te weten 22 maart 2006, zijnde de datum dat verdachte blijkens de inhoud van het dossier is aangehouden, en de datum waarop het vonnis door de eerste rechter is gewezen, te weten 13 oktober 2008, een periode van meer dan 2 jaren en zes maanden is verstreken, zodat het hof van oordeel is dat het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn hier is geschonden.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

E4.2

Het hof vindt in de termijnoverschrijding aanleiding het op te leggen onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf te verminderen met 1 maand, zodat de na te melden straf resteert."

26. Volgens de steller van het middel ligt in hetgeen de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van het hof van 9 november 2010 heeft aangevoerd als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt besloten dat oplegging aan de verdachte van een voorwaardelijke gevangenisstraf plus een taakstraf gepast is in plaats van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, aangezien laatstgenoemde straf een vermoedelijke onderbreking van een medische behandeling van de verdachte zou betekenen en voor de verdachte tevens inkomensverlies en een risico op woningverlies zou meebrengen.

27. Het hof heeft blijkens de strafmotivering gelet op de omstandigheden van de persoon van de verdachte zoals die bij het onderzoek ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen. Het hof is vervolgens in belangrijke mate aan de bezwaren van de verdediging tegen de strafeis tegemoet gekomen. Het hof heeft immers een veel lagere onvoorwaardelijke straf opgelegd dan was geëist. De eis luidde twaalf maanden gevangenisstraf waarvan vier maanden voorwaardelijk. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. Daarnaast is verdachte tot een werkstraf van honderd uren veroordeeld.

28. Het door de raadsman gestelde gevolg van gevangenisstraf erin bestaande dat de medische behandeling van de verdachte vermoedelijk zal moeten worden onderbroken, is weinig concreet en vindt bovendien geen aanknopingspunten in hetgeen de verdachte daar zelf ter terechtzitting over heeft verklaard. Een dergelijke opmerking vindt voldoende weerlegging in het onuitgesproken uitgangspunt dat aan gedetineerden binnen de Nederlandse detentiesituatie voldoende medische zorg moet worden geboden. De rechter kan zich daarop baseren, tenzij in een concreet geval aannemelijk is dat die zorg niet kan of zal worden geboden. Daar is meer voor nodig dan het uitspreken van niet onderbouwde vermoedens.

29. Gelet op hetgeen door de verdediging met betrekking tot de op te leggen straf naar voren is gebracht, gelet ook op de mate van indringendheid waarmee de argumenten zijn aangevoerd als ook gelet op wijze waarop de argumenten van de verdediging zijn onderbouwd, was het hof niet gehouden in het bijzonder redenen op te geven waarom het niet in alle opzichten aan de wensen van de verdediging tegemoet is gekomen.

30. Het derde middel faalt.

31. Het vierde middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

32. Het middel is terecht voorgesteld. Namens verdachte is op 30 november 2010 beroep in cassatie ingesteld, terwijl de stukken eerst op 25 augustus 2011 bij de Hoge Raad zijn binnengekomen. De redelijke termijn is derhalve met vier maanden overschreden. De Hoge Raad kan de straf verminderen in de mate die hem goeddunkt.

33. De middelen een, twee en drie falen. De middelen een en drie komen in aanmerking voor een verwerping met een overweging ontleend aan artikel 81 RO. Middel twee kan bespreking vergen.

34. Het vierde middel is terecht voorgesteld.

35. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

36. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Te weten: HR 6 juli 2010, NJ 2010/419, LJN BL8996; HR 11 mei 2010, NJ 2010/285, LJN BL7699; HR 30 maart 2010, NJ 2010/199, LJN BK6922; HR 31 maart 2009, NJ 2009/247, LJN BG9179; HR 29 april 2008, NJ 2009/130, LJN BB8977; HR 13 november 2001, NJ 2002/221, LJN AD4466 en HR 17 april 1984, NJ 1985/18, LJN AC8377.

2 Vgl. HR 29 april 2008, NJ 2009/130, LJN BB8977 onder 3.