Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4747

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
11/01619
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4747
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

N-o verklaring ingestelde h.b. Art. 408.1 Sv. Het oordeel van het Hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de tz. in e.a. verdachte tevoren bekend was, is gelet op de inhoud van de verklaring van de b.p. zoals gerelateerd in het p.v. van de tz. in e.a., alsmede op hetgeen de raadsvrouwe heeft aangevoerd m.b.t. die verklaring, niet z.m. begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1161
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/01619

Mr. Silvis

Zitting 12 juni 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 3 maart 2011 door het Gerechtshof te Arnhem niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

2. Namens verdachte heeft mr. J.G.T. Stapelbroek-Klooken, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof verdachte ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard, althans dat de beslissing om verdachte niet ontvankelijk te verklaren onvoldoende is gemotiveerd.

4. De gang van zaken is als volgt. De inleidende dagvaarding is op 11 maart 2010 aan de griffier betekend, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Een afschrift van de inleidende dagvaarding is voorts op 11 maart 2010 naar een adres van (vermoed) feitelijk verblijf, tevens de plaats van aanhouding, gezonden. Vanaf 24 november 2010 staat verdachte op dat adres ingeschreven, conform een door hem eerder geuit voornemen.

5. Ter zitting in eerste aanleg van 26 maart 2010 is verdachte noch een advocaat verschenen. De rechtbank heeft verstek verleend tegen verdachte. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de benadeelde partij [benadeelde partij] daar onder meer het volgende verklaard:

"Ik heb verdachte gisteren gebeld en gesproken. Hij wilde wel wat met mij regelen. Ik heb hem toen gezegd dat het prima is als hij de goederen alsnog levert. Hij vertelde mij niet te weten dat er een zitting was. Ik heb hem toen de brief die ik ontvangen heb nog voorgelezen. Van belang voor mij is wel de verklaring van verdachte dat zijn zoon erbij betrokken was."

6. De rechtbank heeft op 9 april 2010 vonnis gewezen. Namens verdachte heeft mr. Mulder op 28 mei 2010 hoger beroep ingesteld.

7. Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 3 maart 2011 houdt in dat verdachte niet verschenen is doch wel zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw, alsmede het volgende:

"De voorzitter stelt de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde.

De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over.

De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft op 25 maart 2010 met verdachte gebeld. Daarbij is de terechtzitting in eerste aanleg ter sprake gekomen. Verdachte heeft gezegd contact met [benadeelde partij] te hebben gehad. Ik ben van mening dat het hoger beroep te laat is ingesteld.

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging. Zij deelt mede, zakelijk weergegeven:

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat de benadeelde partij het heeft over een regeling en een zitting. Ik weet niet welke brief [benadeelde partij] aan mijn cliënt heeft voorgelezen.

Mijn cliënt zegt wel dat hij omstreeks die tijd met de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft gesproken.

Op 22 maart heeft er een comparitie van partijen plaatsgevonden. Mogelijk ging het om die zitting.

Mijn cliënt heeft met [benadeelde partij] niet gesproken over de strafzaak. Ook tijdens de comparitie van partijen is niet over de strafzaak gesproken. Ook mr Mulder wist niets van een strafzaak."

8. Het Hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen:

"Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. J.G.T. Stapelbroek-Klooken, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Arnhem van 26 maart 2010 blijkt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft medegedeeld dat hij de dag voor de zitting met verdachte heeft gebeld en hem heeft gesproken. Verdachte heeft hem toen verteld dat hij niet wist dat er een zitting was. [Benadeelde partij] heeft verdachte toen de brief die hij heeft ontvangen voorgelezen. De brief die door het openbaar ministerie aan de benadeelde partij [benadeelde partij] is verzonden, bevindt zich in het strafdossier.

De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof medegedeeld dat haar cliënt rond die tijd inderdaad met [benadeelde partij] heeft gesproken.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg.

Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is geruime tijd na het verstrijken van die termijn ingesteld. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."

9. De door het Hof bedoelde brief aan de benadeelde partij houdt, voor zover van belang, het volgende in:

"Over de strafzaak waarbij u als slachtoffer/benadeelde partij bent betrokken kan ik u het volgende meedelen.

De verdachte is gedagvaard voor de zitting van 26 maart 2010 te 11.30 uur van de meervoudige strafkamer. De zitting is openbaar en vindt plaats in het Paleis van Justitie, Walburgstraat 2-4 te 6811 CD Arnhem."

10. De wet houdt geen beperking in aangaande de wijze waarop de rechter tot de bevinding komt van een omstandigheid waaruit blijkt dat de verdachte tevoren op de hoogte was van de terechtzitting in eerste aanleg, zoals bedoeld in art. 408 lid 1, onder c, Sv. Niettemin moet daarbij het kader van het onderzoek ter terechtzitting in acht worden genomen. Het arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het Hof van 3 maart 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

11. Het Hof heeft acht geslagen op een verklaring van de benadeelde partij die blijkens het proces-verbaal is afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg. De aflegging van deze verklaring berust, voor zover die betreft de mededeling van de telefonische voorlezing door de benadeelde partij van een brief aan de verdachte inhoudende de plaats en tijdstip van de terechtzitting, niet op een bevoegdheid die aan de benadeelde partij op grond van artikel 334 Sv of op grond van enige andere bepaling in deze hoedanigheid toekomt. Los van dit mogelijk nogal formalistische bezwaar vraag ik mij af of, indien de telefonische voorlezing is aangehoord, ook verwacht mag worden dat de verdachte de benadeelde partij als een gezagsvolle boodschapper van datum en tijdstip van de bedoelde terechtzitting aanneemt. Ik meen dat daar niet zonder meer van kan worden uitgegaan. Tegen deze achtergrond bezien heeft het Hof in mijn ogen geen voldoende motivering gegeven voor het aannemen van een omstandigheid in de zin van art. 408 lid 1, onder c, Sv dat de verdachte op de hoogte was van de datum, de plaats en het tijdstip van de terechtzitting.

12. Het middel slaagt.

13. Het tweede middel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat verdachte enkel op de hoogte was van een andere zitting bij de civiele rechter in plaats van de zitting van 26 maart 2010 in eerste aanleg, althans dat het hof de verwerping van het standpunt van de verdediging onvoldoende heeft gemotiveerd.

14. Om een verplichting tot beantwoording te scheppen dient een ingenomen standpunt duidelijk, beargumenteerd, en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren te zijn gebracht.(1) Het enkel doen van suggesties wat mogelijk ook bedoeld zou kunnen zijn in een bepaalde verklaring, zoals de raadsvrouw in de onderhavige zaak heeft gedaan, voldoet hier niet aan. Hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht in hoger beroep, zoals hierboven onder 7 weergegeven, hoefde het Hof derhalve niet op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

15. Het tweede middel kan worden afgedaan op de wijze als bedoeld in art. 81 RO.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde opnieuw recht te doen op het ingestelde hoger beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393 m,nt Y. Buruma.