Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4583

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
10/04417
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4583
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1157
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/04417

Mr. Silvis

Zitting 12 juni 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 8 oktober 2010 door het Gerechtshof te Arnhem wegens "Overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" veroordeeld tot een geldboete van EUR 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verdachte heeft mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel is onderverdeeld in drie grieven:

A. het Hof heeft de door de politie opgestelde stukken ten onrechte aangemerkt als proces-verbaal;

B. het bewijs is slechts gebaseerd op één ander geschrift;

en C. het Hof heeft aangegeven geen aanleiding te hebben om te twijfelen aan de geconstateerde overtreding, ondanks dat de ijkdatum van de boordsnelheidsmeter blijkens de stukken verstreken was en dat 1 km/u meer of minder in de onderhavige zaak het verschil is tussen bewezenverklaring of vrijspraak.

4. Wat betreft grief A het volgende. Het als bewijsmiddel 1 gebezigde, door [verbalisant 1] opgemaakte en ondertekende surveillance-rapport, door het hof aangeduid als "kennisgeving van bekeuring", houdt niet in dat het op ambtseed/ambtsbelofte is opgemaakt. Een dergelijk beschreven papier is niet in de wettelijk voorgeschreven vorm opgemaakt en kan slechts als geschrift ex art. 344 lid 1 sub 5 Sv tot het bewijs meewerken. Het als bewijsmiddel 3 gebezigde, door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakte, als bijlage bij het surveillance-rapport gevoegde, proces-verbaal is niet door de betreffende verbalisanten ondertekend. Op dit proces-verbaal is een stempel geplaatst met als kop "Centrale verwerking bekeuringen regiopolitie Noord- en Oost Gelderland"en voorts "Dit proces-verbaal is opgemaakt conform de gegevens aangeleverd door verbalisant op de combibon, dan wel uit de daarbij geleverde stukken. Gecontroleerd en getekend voor akkoord. Op ambtsbelofte. De buitengewoon opsporingsambtenaar". Handgeschreven is als nummer van de betreffende boa 0566 vermeld, en deze heeft ook ondertekend. Blijkens de stempel is dat geschied op 8 januari 2009. Het proces-verbaal is echter niet opgemaakt door de desbetreffende boa, en deze heeft enkel op ambtsbelofte vastgesteld dat de inhoud van het uitgetypte proces-verbaal overeenkomt met de gegevens op de kennisgeving van bekeuring. De ambtsbelofte strekt zich dus niet uit over de constatering van het strafbare feit door de bekeurende verbalisant.(1) Er is geen sprake van het alsnog ondertekenen van het proces-verbaal of van een omstandigheid die daarmee gelijk gesteld kan worden (HR 26 juni 1999, LJN ZD1583; HR 22 april 2008 LJN BC9954, NJ 2008/265).

5. Onder bewijsmiddel 3 heeft het Hof het volgende vermeld: "Dit schriftelijke bescheid wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen". Ik leid hieruit af dat het Hof het uitgetypte proces-verbaal (terecht) beschouwt als een geschrift ex art. 344 lid 1 sub 5 Sv. Onder bewijsmiddel 1 heeft het Hof echter niet een dergelijke opmerking opgenomen. Daaruit valt af te leiden dat het Hof, hoewel niet uitdrukkelijk, de kennisgeving van bekeuring kennelijk wel als een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal beschouwt. Die opvatting is, zoals ik hierboven al aangaf, onjuist. Daar komt bij dat het Hof niet aangeeft waarom het de kennisgeving van bekeuring wel als een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal beschouwt, maar het uitgetypte proces-verbaal niet.

6. Daarmee kom ik bij de tweede grief onder A. Deze houdt in dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het surveillance-rapport niet voldoet aan de wettelijk voorgeschreven vorm van processen-verbaal. Deze grief is terecht voorgesteld. Op de vraag of dit tot cassatie moet leiden kom ik hierna terug.

7. De grief onder B luidt dat het bewijs slechts is gebaseerd op één ander geschrift. Gesteld wordt dat de bewijsmiddelen 1 en 3 niet als twee afzonderlijke bewijsmiddelen kunnen worden gezien en dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte afgelegd bij de kantonrechter, in aanmerking genomen dat het strafrechtelijk om de kleinst denkbare snelheidsovertreding gaat, bezwaarlijk het doorslaggevende karakter van ondersteunend bewijsmiddel kan worden toegekend.

8. De bewijsmiddelen 1 en 3 kunnen inderdaad ten opzichte van elkaar niet als twee afzonderlijke, elkaar ondersteunende bewijsmiddelen worden beschouwd aangezien het proces-verbaal een uitwerking is van de kennisgeving van bekeuring.(2) In zoverre gaat het om één bewijsmiddel, zijnde een geschrift ex art. 344 lid 1 sub 5 Sv. Daarnaast heeft het Hof de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter zitting van de kantonrechter tot het bewijs gebezigd. De bewezenverklaring steunt derhalve op nog een ander bewijsmiddel. Daarmee is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.(3) Zelfs als dat andere bewijsmiddel ook een geschrift als bedoeld in art. 344 lid 1 sub 5 Sv zou zijn(4), maar dat is hier niet aan de orde.

9. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verklaring van verdachte, nu het over een snelheidsoverschrijding van 1 km/u gaat, bezwaarlijk kan bijdragen aan het bewijs. Ik vermag niet in te zien waarom de mate van de snelheidsoverschrijding van invloed zou moeten zijn op de bijdrage van de verklaring van verdachte aan het bewijs. Verdachte bevestigt dat hij te snel heeft gereden. Hoe snel precies kan worden vastgesteld in samenhang met het andere bewijs.

10. De grief onder B faalt derhalve.

11. De grief onder C betreft de geldigheid van de gehanteerde ijktabel van de boordsnelheidsmeter.

12. Blijkens de pleitaantekeningen heeft de raadsman van verdachte ten aanzien van de ijktabel het volgende aangevoerd:

"2.

Ik constateer dat het politie-pv vermeldt dat de ijktabel van de boordsnelheidsmeter geldig is tot 21 januari 2008. De vermoedelijke overtreding dateert van 7 oktober 2008. Strafrechtelijk gezien zit mijn cliënt 1 km/u boven de grens. 1 Km minder en er was sprake van een Mulderfeit. Dit zo zijnde, bestaat er twijfel of mijn cliënt wel 31 km/u te hard reed. Het opstellen van ijktabellen voor politievoertuigen is een tijdrovende en ook kostbare aangelegenheid. We hebben in Nederland niet voor de lol afgesproken dat de snelheidsmeters geijkt moeten worden: een correcte werking van de snelheidsmeter is essentieel voor de bewijsvoering. Hier staat niet vast dat de meter correct werkte. Op grond van de oude tabel was er al een afwijking van 5 km/u. Dat is volgens mij 1 km/u meer dan gebruikelijk. Ik meen dat er twijfel is over de exacte snelheid. Het belang van 1 km meer of minder zal duidelijk zijn. Bij twijfel dient vrijspraak te volgen en ik verzoek u dat dan ook uit te spreken."

13. Het Hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen:

"Het hof overweegt nog dat in het surveillancerapport van de verbalisant is aangegeven als datum ijktabel 21-01-2008. Het hof heeft geen aanleiding om aan de geconstateerde snelheidsoverschrijding te twijfelen."

14. Ik stel voorop dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Het Hof heeft kennelijk op basis van het surveillancerapport, zijnde het brondocument, geoordeeld dat de ijkdatum 21-1-2008 was, en daarmee impliciet dat de ijktabel geldig was tot 21-1-2009(5), en niet tot 21-1-2008, zoals (naar het Hof kennelijk aannam abusievelijk) vermeld in het uitgetypte proces-verbaal "overtreding". Dit oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk.

15. De steller van het middel voert terzijde, onder verwijzing naar art. 2.1.2 Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers, nog aan dat een ijktabel zijn geldigheid verliest bij herstel of wijziging van enig onderdeel van het dienstvoertuig als dit herstel of deze wijziging van invloed kan zijn op het meetresultaat. Zoals de steller van het middel zelf ook opmerkt is dit in feitelijke aanleg niet aangevoerd. Een dergelijk feitelijk verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd; dit vergt immers een feitelijk onderzoek waar in cassatie geen plaats voor is. Nu in feitelijke aanleg dienaangaande niets is aangevoerd en ook uit het dossier niet blijkt van een dergelijk herstel of wijziging van het dienstvoertuig, hoefde het Hof daar niet ambtshalve onderzoek naar te doen.

16. De grief onder C faalt derhalve.

17. Dan kom ik nu terug op de terecht voorgestelde tweede grief onder A inhoudende dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het surveillance-rapport niet voldoet aan de wettelijk voorgeschreven vorm van processen-verbaal. Hierboven onder 8 heb ik aangegeven dat de bewezenverklaring mijns inziens desalniettemin toereikend gemotiveerd is. In dat licht bezien heeft verdachte geen belang bij de klacht dat het Hof niet heeft gerespondeerd op eerdergenoemd standpunt. Of bedoeld proces-verbaal al dan niet is opgemaakt in de wettelijk voorgeschreven vorm doet immers niet af aan de bewezenverklaring. Ook deze grief kan derhalve niet tot cassatie leiden.

18. Het middel faalt in alle onderdelen.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. Hof 's Hertogenbosch 29 maart 2006, LJN AV7915.

2 Vgl. HR 24 april 2008, LJN BC9954, NJ 2008/265.

3 Vgl. HR 20 september 2011, LJN BR0459 waarin de Hoge Raad een soortgelijke klacht afdoet met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

4 Vgl. HR 16 januari 2007, LJN AZ2481, NJ 2007, 67; HR 29 maart 2011, LJN BP1143.

5 De op 7 oktober 2008 toepasselijke Aanwijzing snelheidoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers (2006A008) houdt onder 2.1.2 dienaangaande in dat de in het dienstvoertuig aangebrachte tabel en het daarbij behorende certificaat geldig is voor de duur van één jaar.