Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4536

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
CPG 11/05446 P
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Profijtontneming. Het middel is voorgesteld onder de voorwaarde dat de HR het in ‘s Hofs overwegingen bedoelde arrest van het Hof in de hoofdzaak op het daartegen ingestelde beroep in cassatie zal vernietigen. Nu de HR bij arrest van 9 april 2013 (LJN BX4439) dat arrest heeft vernietigd, is genoemde voorwaarde vervuld. De HR heeft het arrest in de hoofdzaak vernietigd op de grond dat het oordeel van het Hof waarop de vrijspraak van het tlgd. is gebaseerd onvoldoende met reden is omkleed. Dat brengt mee dat aan de beslissing in de onderhavige zaak de grondslag is komen te ontvallen. Het middel, dat klaagt dat "de afwijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (voorshands) berust op onjuiste gronden", treft doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/963
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/05446 P

Mr. Vegter

Zitting 5 juni 2012

Conclusie inzake:

[Betrokkene](1)

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 15 maart 2010 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.(2)

2.1. Tegen deze beslissing is door mr. S.A. Minks, Advocaat-Generaal bij het Hof, op 22 maart 2010 beroep in cassatie ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, eveneens Advocaat-Generaal bij het Hof te 's-Gravenhage, heeft bij schriftuur een voorwaardelijk middel van cassatie voorgesteld.

2.2. Alvorens tot bespreking van de cassatieschriftuur over te gaan, merk ik het volgende op. De cassatieakte vermeldt weliswaar dat het cassatieberoep is gericht tegen "de strafzaak" jegens verdachte, maar gelet op het op de akte vermelde parketnummer 22-005928-07 lijdt het geen twijfel dat dit cassatieberoep is gericht tegen 's Hofs gewezen uitspraak in de ontnemingszaak onder voornoemd nummer.

3.1. De cassatieschriftuur behelst een voorwaardelijk middel, in die zin dat het slechts wordt voorgesteld indien het cassatiemiddel in de hoofdzaak doel treft. Het cassatiemiddel in de hoofdzaak is gericht tegen 's Hofs oordeel dat er sprake is van een vormverzuim dat ingevolge art. 359a Sv tot bewijsuitsluiting moet leiden, met vrijspraak van het tenlastegelegde witwassen van € 100.800,= tot gevolg. In de hoofdzaak heb ik geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage. In lijn met HR 19 juni 2001, LJN AB2248, NJ 2001/552 klaagt het middel in de onderhavige ontnemingszaak dat indien en voor zover de bestreden uitspraak in de hoofdzaak door de Hoge Raad wordt vernietigd, 's Hofs afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op onjuiste gronden berust. Gelet op mijn conclusie in de hoofdzaak, zal ik het voorwaardelijk voorgestelde cassatiemiddel bespreken.

3.2. Het Hof heeft de beslissing tot afwijzing van de - in eerste aanleg toegewezen - ontnemingsvordering van € 100.800,= als volgt gemotiveerd:

"De vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal EUR 100.800,--(honderdduizendenachthonderd euro), ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in zijn strafzaak bewezenverklaarde feit.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van EUR 100.800,--.

(...)

Bij de behandeling in hoger beroep van de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is komen vast te staan dat de gewezen verdachte bij arrest van 15 maart 2010 van dit gerechtshof is vrijgesproken van het in zijn strafzaak tenlastegelegde.

Het openbaar ministerie dient, nu een veroordeling wegens een strafbaar feit ontbreekt, niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met parketnummer 10-600061-07.

BESLISSING (bij verstek)

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Wijst de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af."

3.3. De ontnemingsbeslissing berust mijns inziens inderdaad (vooralsnog) op onjuiste gronden, nu de aan die beslissing ten grondslag gelegde vrijspraak in de hoofdzaak - zoals door mij in die zaak uiteengezet en geconcludeerd - getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed. Het middel treft om die reden mijns inziens doel. De gegeven vrijspraak in de hoofdzaak dient opnieuw te worden beoordeeld en daarmee ook de ontnemingsvordering.

3.4. Opmerking verdient nog het volgende. Het Hof heeft overwogen dat het tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zal beslissen, maar vervolgens in het dictum beslist tot afwijzing van de vordering. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit art. 511e lid 1 juncto art. 348 Sv, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat.(3) Art. 36e, eerste lid, Sr houdt immers in dat op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De - niet met de overwegingen strokende - beslissing van het Hof dat de vordering wegens het ontbreken van een veroordeling in de hoofdzaak diende te worden afgewezen, kan ook om die reden niet in stand blijven.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de strafzaak jegens verdachte, zaaknr. 10/01281, in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

2 Het Hof heeft deze uitspraak bij verstek gewezen en daarmee miskend dat tegenspraak ex art. 279 lid 2 Sv (hier van toepassing o.g.v. art. 511g lid 2 jo. art. 415 lid 1 Sv) ook tegenspraak blijft indien op de volgende zitting niemand of alleen een niet-gemachtigde raadsman verschijnt, ongeacht of het onderzoek opnieuw wordt aangevangen (HR 9 december 2003, LJN AG3022, NJ 2004/167).

3 HR 17 februari 2009, LJN BG4259, NJ 2009/121.