Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4507

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
11/03385
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4507
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR herhaalt relevante overweging uit HR LJN ZD1169 m.b.t. het voorhanden hebben van een wapen. Gelet hierop en op hetgeen ttz door de rm is aangevoerd, is ’s Hofs oordeel dat de verdachte de in de bewezenverklaring omschreven wapens en munitie tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1123
NBSTRAF 2012/327
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03385

Mr. Vegter

Zitting 5 juni 2012

Conclusie inzake:

[verdachte] (1)

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 5 november 2010, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, verdachte vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en haar tot tien maanden gevangenisstraf veroordeeld waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar ter zake van:

- Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,

en:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd (onder 3 ten laste gelegd); en

- In strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en zij redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking, meermalen gepleegd (onder 4 ten laste gelegd).

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel klaagt dat de bestreden uitspraak innerlijk tegenstrijdig is ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde en komt voorts op tegen 's Hofs afwijzing van getuigenverzoeken.

3.2. Onder 4 is kort gezegd bewezen verklaard dat verdachte zich aan bijstandsfraude heeft schuldig gemaakt, omdat zij telkens opzettelijk niet onverwijld aan het college van B&W en/of aan de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Krimpen aan den IJssel heeft medegedeeld dat zij "werkzaamheden heeft verricht in kapsalon(s), zulks terwijl deze feiten konden strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander".

3.3. In de kern bezien wordt over het volgende geklaagd. Het Hof heeft bij de strafoplegging het volgende overwogen: "Ook werkzaamheden die niet tegen beloning worden uitgevoerd, zoals in dit geval, vertegenwoordigen een economische waarde." En als reden voor afwijzing van de getuigenverzoeken overweegt het Hof dat het aannemelijk acht dat verdachte geen inkomsten uit haar werkzaamheden in de kapsalon heeft genoten, zodat door de afwijzing van de getuigenverzoeken verdachte redelijkerwijs niet in haar verdediging wordt geschaad.

Een en ander acht de steller van het middel tegenstrijdig met het door het Hof tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van aangifte (bewijsmiddel 4), luidende:

"Ik doe aangifte van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting door [verdachte] zoals die is neergelegd in de WWB. [Verdachte] heeft in gedurende de periode 01-01-2004 t/m 30-09-2006 op grond van de WWB een uitkering ontvangen. De verdachte heeft noch op de maandelijks in te vullen en in te leveren rechtmatigheidsformulieren, noch mondeling aan de behandeld consulent of anderszins schriftelijk of mondeling inlichtingen verschaft omtrent deze werkzaamheden, noch van het ontvangen van inkomsten hieruit. Als de gemeente Krimpen aan den IJssel bekend was geweest met het feit dat betrokkene werkzaam was en inkomsten hieruit ontving, had de gemeente geen uitkering verstrekt."

3.4. Gezien de bewezenverklaring en 's Hofs overwegingen bij de afwijzing van de getuigenverzoeken en in de strafmotivering is het Hof ervan uitgegaan dat verdachte geen inkomsten uit haar - ten onrechte niet gemelde - werkzaamheden in kapsalon(s) heeft genoten. Primair komt het mij voor dat het middel uitgaat van een verkeerde lezing van bewijsmiddel 4 en dientengevolge feitelijke grondslag mist. Immers nu verdachte op geen enkele wijze kenbaar heeft gemaakt dat zij werkzaamheden heeft verricht en het Hof bewezen acht dat zij wel werkzaamheden heeft verricht, heeft zij van het al dan niet ontvangen van inkomsten uit die niet opgegeven werkzaamheden dus geen melding gemaakt. Voor zover (subsidiair) bewijsmiddel 4 zo moet worden gelezen dat verdachte uit de werkzaamheden wel inkomsten ontving is dat niet redengevend voor de bewezenverklaring. In zoverre is het middel terecht voorgesteld, maar dit behoeft mijns inziens niet tot cassatie te leiden.

3.5. Weliswaar heeft het Hof (in mijn subsidiaire benadering) ten onrechte deze niet redengevende onderdelen van het proces-verbaal van aangifte tot het bewijs gebezigd, maar dat staat hier - gelet op de bewijsvoering als geheel - aan een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde niet in de weg. Volstaan kan hier worden met verbeterde lezing van het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van aangifte, met dien verstande dat daaruit de zinsneden "noch van het ontvangen van inkomsten hieruit" en "en inkomsten hieruit ontving" als niet tot het bewijs gebezigd worden beschouwd. (2) Omdat zowel in mijn primaire als subsidiaire benadering van (relevante) tegenstrijdigheid geen sprake is en slechts tegenstrijdigheid door de steller van het middel ten grondslag wordt gelegd aan de opvatting dat de motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek niet begrijpelijk is, is de slotsom dat de afwijzing van het getuigenverzoek in dit opzicht niet ontoereikend is gemotiveerd. Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde niet naar behoren met redenen is omkleed.

4.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard dat:

"zij in op 19 november 2007 te Ridderkerk tezamen en in vereniging met anderen twee wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten vuurwapens in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, in de vorm van

- een pistool van het merk STAR/Tanfoglio, model GT28, kaliber 6.35 mm, en

- een pistool van het merk FN (Fabrique National), model 1922, kaliber 7.65 mm,

en

munitie in de zin van artikel 1, onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, Categorie III van die wet, te weten

- twee kogelpatronen van het kaliber 6.35 mm, en

- negen kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm,

voorhanden heeft gehad."

4.3. De bewijsmiddelen houden kort samengevat het volgende in:

- de als bewijsmiddelen 1 en 2 gebezigde processen-verbaal behelzen als relaas van een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar dat twee wapens en munitie op 19 november 2007 "in Ridderkerk" zijn aangetroffen en in beslag genomen en dat het bij nader onderzoek bleek te gaan om wapens en kaliber van het merk, kaliber en categorie overeenkomstig de bewezenverklaarde gegevens;

- een als bewijsmiddel 3 gebezigde verklaring van verdachte van 20 november 2007 die als volgt luidt:

"Ik heb samen met mijn ex-man (het hof begrijpt: [betrokkene 2]) een kapperszaak in Ridderkerk. Ik werk in deze kapperszaak. De in de kapperszaak aangetroffen vuurwapens zijn van mijn zoon [medeverdachte] (het hof begrijpt: ex-man [betrokkene 2])."

4.4. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2010 gehechte pleitnotities is namens verdachte door haar raadsman - voor zover hier van belang - het volgende aangevoerd:

"Feit 3 WWM

Dat de politie [verdachte] meer woorden in de mond legt dan zij gesproken heeft, danwel onjuist, onvolledig of onzorgvuldig verbaliseert blijkt in deze zaak uit pagina 11 eerste alinea van PV verhoor verdachte 20 november 2007 10.15 uur:

"U heeft zojuist verklaard dat [medeverdachte] ongeveer drie weken geleden naar de kapperszaak kwam om daar de vuurwapens in de meterkast te verstoppen."

[Verdachte] heeft echter, volgens die verklaring, niet verklaard dat [medeverdachte] naar de zaak kwam om de vuurwapens te verstoppen, maar dat hij kwam en vertelde dat hij dat van plan was.

[verdachte] heeft toen, volgens die verklaring, evenmin verklaard dat [medeverdachte] ze in de meterkast zou verstoppen.

[Verdachte] heeft gehoord dat [medeverdachte] wapens in de kapsalon wilde verbergen. Ze heeft gezegd dat ze dat niet wilde.

Ze heeft niet gezien dat [medeverdachte] de wapens in de meterkast verstopte.

Ze wist niet wat voor wapens het waren.

Toen de politie kwam en vertelde dat ze vuurwapens in de meterkast hadden gevonden en foto's toonden wist zij wel hoe laat het was.

De politie moest de kast met een koevoet openbreken (1).

Een sleutel bleek niet aanwezig in de kapsalon. Dat is ook logisch als degene die ze verstopte niet wilde dat anderen ze zouden zien of zouden pakken.

[Verdachte] wist niet waar ze lagen en als ze het had geweten kon ze er niet bij. Onvoldoende bewijs voor het voorhanden hebben.

Vrijspraak."

4.5. Hetgeen namens de verdachte als verweer is aangevoerd houdt in dat het 'voorhanden hebben' niet bewezen kan worden. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van art. 13 Wet wapens en munitie, is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen.(3)

4.6. In aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de vindplaats van het wapen en de omstandigheid dat [medeverdachte] enkel de wens kenbaar had gemaakt de wapens in de kapsalon te willen verbergen waarop verdachte zou hebben meegedeeld dat zij dat niet wilde, is het oordeel van het Hof dat de verdachte de wapens met anderen voorhanden had - immers zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens - niet zonder meer begrijpelijk. De bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel is terecht voorgesteld.

4.7. Ter zijde merk ik nog het volgende op. De bewijsmiddelen schieten ook tekort op het aantal bewezenverklaarde kogelpatronen (twee en negen) en bovendien blijkt mijns inziens niet dat het gerelateerde in de bewijsmiddelen 1 en 2 betrekking heeft op de wapens die in de desbetreffende kapsalon zijn aangetroffen. Voorts valt nog op dat het 'medeplegen' in de kwalificatie kennelijk moet worden verstaan als betrekking hebbende op beide onder 3 bewezenverklaarde varianten en dat in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] als 26ste bewijsmiddel een andere verklaring van verdachte is gebezigd, die meer in de buurt lijkt te komen van een toereikende verwerping en bewijsmotivering. Deze verklaring is afgelegd op 17 november 2007 en luidt:

"[Medeverdachte] kwam ongeveer drie weken geleden naar de kapperszaak om de wapens te verstoppen. [Medeverdachte] had de vuurwapens al eerder in de kapperszaak verstopt. Dat heeft mijn ex-man gezien."

5.1. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn is overschreden, omdat tussen de dag van het instellen van cassatie op 10 november 2010 en de dag van de ontvangst van het dossier ter griffie van de Hoge Raad op 15 juli 2011 meer dan acht maanden zijn verstreken.

5.2. De gegevens waar de schriftuur van uitgaat zijn correct. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is derhalve bij de inzending van de stukken met vijf dagen overschreden. Deze geringe overschrijding van de inzendtermijn kan niet meer met een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep worden gecompenseerd en zou aanleiding geven tot een geringe strafvermindering. Het middel kan echter onbesproken blijven indien uw Raad overeenkomstig mijn conclusie oordeelt dat het tweede middel terecht is voorgesteld en tot gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing moet leiden.

6. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel slaagt en dient tot vernietiging ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging te leiden en in dat geval behoeft het derde - eveneens terecht voorgestelde - middel geen bespreking.

7. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de strafzaak inzake [medeverdachte] (nr. 10/04869), in welke zaak ik vandaag ook concludeer.

2 Vgl. HR 20 maart 2012, LJN BV3442, NJ 2012/204. Vgl. ook HR 30 maart 2010, LJN BL3239 (niet gepubliceerd, nr. 09/03502) waarin mijn ambtgenoot Machielse ambtshalve verbeterde lezing van de bewijsmotivering voorstelde en de Hoge Raad met 81 RO volstond.

3 Vgl. HR 17 november 1998, LJN ZD1403, NJ 1999/152 en HR 14 juni 2011, LJN BQ3804, NJ 2011/287.