Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4475

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
10/04869
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BO3369
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4475
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht medeplegen voorhanden hebben van wapens en kogelpatronen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1121
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/04869

Mr. Vegter

Zitting 5 juni 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 5 november 2010 zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van een deel van de onder 6 tenlastegelegde periode (zie de bespreking van het eerste middel) en verdachte tot 45 maanden gevangenisstraf veroordeeld ter zake van:

- Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels (1);

- Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (2);

- Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, en: Medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd (3);

- Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (4);

- Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod (5);

- Medeplegen van witwassen (6 impliciet subsidiair ten laste gelegd);

- Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd (7).

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, heeft bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte kennis heeft genomen van een deel van de onder 6 tenlastegelegde periode en dat de bestreden uitspraak vanwege 's Hofs eigen onbevoegd verklaring in zoverre innerlijk tegenstrijdig is.

3.2. De klacht over de innerlijke tegenstrijdigheid treft doel. Het Hof heeft zich immers tot kennisneming van het onder 6 tenlastegelegde onbevoegd verklaard voor zover het de periode van 1 maart 2002 tot en met 20 juni 2002 betreft, omdat verdachte toen nog minderjarig was, en vervolgens heeft het Hof van het onder 6 tenlastegelegde desalniettemin bewezen verklaard dat het medeplegen van witwassen is begaan in de periode van maart 2002 tot en met 4 november 2007. Dit betreft een kennelijke misslag van het Hof die mijns inziens niet tot cassatie behoeft te leiden. De Hoge Raad kan de onder 6 bewezenverklaarde periode verbeterd lezen als betreffende de periode van 21 juni 2002 tot en met 4 november 2007 en deze verbeterde lezing tast de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aan.(2) Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel komt op tegen 's Hofs afwijzing van getuigenverzoeken. Tegen 's Hofs toepassing van de - overigens juiste - maatstaf bij de afwijzing van de verzoeken wordt niet opgekomen. In de kern beschouwd wordt evenmin de motivering van de afwijzing aan de kaak gesteld, maar wordt enkel betoogd dat het Hof tot een andere beslissing had moeten komen, omdat de verdediging en het OM het eens waren over het belang van het (doen) horen van de getuigen.

4.2. Het middel berust aldus op de opvatting dat het Hof gehouden is een getuigenverzoek onder die omstandigheden toe te wijzen, zodra het OM zich ter terechtzitting in het verzoek van de verdediging kan vinden. Die opvatting vindt geen steun in het recht, zodat reeds daarom het tegen de - overigens niet-onbegrijpelijke - afwijzing van de getuigenverzoeken gerichte middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat 's Hofs afwijzing van het verzoek om een cd-rom met telefoontaps aan het dossier toe te voegen zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

5.2. Op 4 juni 2008 is tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis namens verdachte hoger beroep ingesteld. In het dossier bevindt zich een namens verdachte door mr. M. van Stratum opgestelde appèlschriftuur van 17 juni 2008, met voor zover hier van belang - na opgave van grieven en getuigenverzoeken - de volgende inhoud:

"Tevens wordt op voorhand verzocht de beschikking te krijgen over een cd-rom met alle opgenomen telefoongesprekken, waarbij niet wordt uitgesloten dat nog gemotiveerd zal worden verzocht om vertaling door een andere tolk (voor zover niet in het Nederlands wordt gesproken)."

5.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt dienaangaande het volgende in:

"De raadsman voert het woord als volgt.

(...)

In de appelmemorie van 17 juli 2010 heb ik een verzoek gedaan om kennis te nemen van alle tapgesprekken, nu de inhoud hiervan door verschillende tolken verschillend uitgelegd kan worden. Thans verzoek ik dit geheel subsidiair opnieuw."

5.4. Het Hof heeft dienaangaande in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

"Verzoek toevoeging stukken aan het dossier

Het door de raadsman in de appelschriftuur gedane en ter zitting herhaalde verzoek tot toevoeging aan het dossier van een cd-rom met alle opgenomen telefoongesprekken zal het hof afwijzen omdat onvoldoende gemotiveerd door de raadsman is aangegeven waarom enig verdedigingsbelang hiermee redelijkerwijs gediend is. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de correcte weergave van die gesprekken in de zich in het dossier bevindende stukken en ziet derhalve ook geen noodzaak om aan het verzoek te voldoen.

Het verweer wordt mitsdien afgewezen."

5.5. Het gaat hier om een verzoek om toepassing te geven aan art. 315 Sv, teneinde kennis te nemen van de gegevensdrager met behulp waarvan door de politie resultaten van feitenonderzoek zijn gegenereerd die vervolgens zijn neergelegd in een schriftelijke weergave van de getapte telefoongesprekken. De bij het beoordelen van een zodanig verzoek aan te leggen maatstaf is of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Het Hof heeft met de overweging dat de inwilliging van het verzoek niet noodzakelijk is dus de juiste maatstaf gehanteerd.

5.6. Bij de toepassing van deze maatstaf geldt evenwel ook het volgende. Indien de verdediging de betrouwbaarheid of de rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel aanvecht, behoren de door de verdediging aan te duiden stukken, voorwerpen of gegevensdragers die deze betwisting zouden kunnen ondersteunen als redelijkerwijze van belang zijnd materiaal in beginsel aan de processtukken te worden toegevoegd. Beginselen van een goede procesorde kunnen in dat geval onder omstandigheden meebrengen dat aan de verdediging de kennisneming van die gegevens niet volledig mag worden onthouden. Hierin schuilt een zekere ruimte voor de afweging van belangen van de verdediging met bijvoorbeeld opsporingsbelangen of belangen van getuigen. (3)

5.7. In de onderhavige zaak is er mijns inziens geen sprake van dat de verdediging de betrouwbaarheid of de rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel aanvecht. De stukken in samenhang bezien, was kennelijk ter terechtzitting in hoger beroep aan het verzoek beoogd ten grondslag te leggen na te gaan of de opgenomen telefoongesprekken op een juiste wijze vertaald waren, omdat verschillende tolken tot een verschillende uitleg van de gesprekken kunnen komen. Tegen de achtergrond van wat is aangevoerd, waarbij een deugdelijke fundering van het verzoek dus ontbreekt, acht ik 's Hofs oordeel dat het de noodzaak tot toewijzing van het verzoek niet is gebleken allerminst onbegrijpelijk, terwijl het Hof door het gebrek aan onderbouwing van het verzoek ook niet gehouden was tot een nadere motivering. (4)

6.1. Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn is overschreden, omdat tussen de dag van het instellen van cassatie op 10 november 2010 en de dag van de ontvangst van het dossier ter griffie van de Hoge Raad op 15 juli 2011 meer dan acht maanden zijn verstreken.

6.2. De gegevens waar de schriftuur van uitgaat zijn correct. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6 , eerste lid, EVRM is derhalve bij de inzending van de stukken met vijf dagen overschreden. Deze geringe overschrijding van de inzendtermijn kan niet meer met een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep worden gecompenseerd en dient mijns inziens dan ook tot een geringe strafvermindering te leiden.

7.1. Het vijfde middel behelst de klacht dat het onder 7 bewezenverklaarde ontoereikend is gemotiveerd.

7.2. Ten laste van verdachte is onder 7 bewezen verklaard dat:

"hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2007 tot en met 19 november 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen twee wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten vuurwapens in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, in de vorm van

- een pistool van het merk STAR/Tanfoglio, model GT28, kaliber 6.35 mm, en

- een pistool van het merk FN (Fabrique National), model 1922, kaliber 7.65 mm,

en

munitie in de zin van artikel 1, onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, Categorie III van die wet, te weten

- twee kogelpatronen van het kaliber 6.35 mm, en

- negen kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm,

voorhanden heeft gehad."

7.3. Geklaagd wordt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen: 1. de periode; 2.de soort patronen; 3. de bewuste en nauwe samenwerking; 4. de opzet.

7.4. De bewijsmiddelen houden kort samengevat het volgende in:

- in de kapsalon [A] te Ridderkerk worden op 19 november 2007 door opsporingsambtenaren twee op vuurwapens gelijkende voorwerpen gezien (bewijsmiddel 22);

- verdachte is eigenaar geweest van [A] (bewijsmiddel 1);

- de als bewijsmiddelen 23 en 24 gebezigde processen-verbaal behelzen als relaas van een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar dat twee wapens en munitie op 19 november 2007 "in Ridderkerk" zijn aangetroffen en in beslag genomen en dat het bij nader onderzoek bleek te gaan om wapens en kaliber van het merk, kaliber en categorie overeenkomstig de bewezenverklaarde gegevens;

- een verklaring van [betrokkene 1] van 29 november 2007 dat [verdachte] (verdachte) in het bezit was van een vuurwapen en deze heeft laten zien (bewijsmiddel 25);

- en een als bewijsmiddel 26 gebezigde verklaring van [medeverdachte] van 17 november 2007 die als volgt luidt:

"[Verdachte] kwam ongeveer drie weken geleden naar de kapperszaak om de wapens te verstoppen. [Verdachte] had de vuurwapens al eerder in de kapperszaak verstopt. Dat heeft mijn ex-man gezien."

- met aan dit 26ste bewijsmiddel als opmerking van het hof toegevoegd:

"met de raadsman acht het hof aannemelijk dat die wapens eigendom waren van die ex-man".

7.5. In onderling verband en samenhang beschouwd, acht ik het onder 7 bewezenverklaarde ontoereikend gemotiveerd. De gebezigde bewijsmiddelen zijn in ieder geval niet toereikend voor het bewijs van de pleegperiode, de soort patronen en de bewuste en nauwe samenwerking. Uit de bewijsmiddelen 23 en 24 kan zelfs niet volgen dat het daarin gerelateerde een nader onderzoek betreft ten aanzien van de wapens die in de kapperszaak [A] in Ridderkerk zijn aangetroffen.

7.6. In de toelichting op het middel wordt ook nog geklaagd dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is, omdat het medeplegen wel bewezen is verklaard, maar het onder 7 bewezenverklaarde niet dienovereenkomstig is gekwalificeerd. Voor zover dit als te bespreken subklacht kan worden aangemerkt, snijdt ook deze hout. Verbetering van de kwalificatie verandert niets aan de aard en ernst van de in het geheel te beschouwen bewezenverklaring, zodat ik uw Raad in zoverre in overweging zou kunnen geven de kwalificatie van het onder 7 bewezenverklaarde verbeterd te lezen inclusief het bewezenverklaarde medeplegen, zodat het middel in zoverre niet tot cassatie behoeft te leiden. Indien uw Raad evenwel met mij van oordeel is dat de bewijsklacht slaagt, kan het middel in zoverre onbesproken blijven.

8. Het eerste, het tweede en het derde middel zijn tevergeefs voorgesteld en kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het vijfde middel slaagt en dient tot vernietiging ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde en de strafoplegging te leiden en in dat geval behoeft het vierde - eveneens terecht voorgestelde - middel geen bespreking.

9. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 7 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de strafzaak inzake [medeverdachte] (nr. 11/03385), in welke zaak ik vandaag ook concludeer.

2 Vgl. HR 21 april 2009, LJN BH0568 t.a.v. het vierde middel (pleegmaand november moet september zijn, HR in zoverre 81 RO); HR 20 juni 2006, LJN AW2535 (ambtshalve; feit deels verjaard).

3 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Aben in HR 25 mei 2010, LJN BK7021 (HR 81 RO), waarin tevens wordt verwezen naar: HR 7 mei 1996, LJN AB9820, NJ 1996, 687, m.nt. Schalken (Dev Sol); HR 21 januari 1997, LJN ZD0618, NJ 1997, 321; HR 21 oktober 1997, LJN ZD0832, NJ 1998, 133, m.nt. 't Hart (video-opnames); HR 3 maart 1998, LJN ZD0958, NJ 1998, 856 (beelden politieverhoor); HR 16 november 1999, LJN ZD4213; HR 20 juni 2000, LJN AA6245, NJ 2000, 502 (CTC-stukken); HR 22 januari 2008, LJN BA7648, NJ 2008, 406, m.nt. Borgers (inzake de ontnemingsprocedure).

4 Vgl. de conclusie van toenmalig advocaat-generaal Bleichrodt bij HR 22 september 2009, LJN BJ8249 (niet gepubliceerd; HR in zoverre 81 RO).