Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4448

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
10/02743
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BQ4782
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4448
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1117
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/02743

Mr. Vegter

Zitting: 5 juni 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 11 juni 2010 verdachte wegens een tweetal gekwalificeerde diefstallen, alsmede het handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in het arrest omschreven.

2. Namens verdachte heeft mr. M. de Reus, advocaat te Rotterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de motivering van het onder 1 bewezenverklaarde.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 7 april 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen sloffen sigaretten, toebehorende aan [A], welke diefstal werd vooraf gegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestond uit het meermalen,

- tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een mes aan [betrokkene 1] en

- op de grond duwen van [betrokkene 1] en vervolgens

- plaatsen van een knie op de rug van [betrokkene 1] en

- op [betrokkene 1] blijven zitten en (het gezicht van) [betrokkene 1] tegen de grond drukken en gedrukt houden en

- op dreigende toon aan [betrokkene 1] toevoegen van de woorden: "Geef het geld" en "Geef de kluissleutel" en "Geef de kluissleutel, anders maak ik je dood" en "Geef de sleutel, anders steek ik je neer" en/of "Als we toch een sleutel van de kluis vinden, maak ik je alsnog dood" en "Je moet de sleutel geven", en

- op dreigende toon aan [betrokkene 2] toevoegen van de woorden: "Geef me je portemonnee" en "Schieten, pak je pistool, schieten", en

- tonen van een op een vuurwapen (gelijkend voorwerp) aan [betrokkene 2] en het maken van een slaande beweging in de richting van [betrokkene 2]."

5. Het bestreden arrest is geredigeerd in de zogenaamde Promis-vorm. Met betrekking tot de bewijsvoering ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde houdt het arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Op 7 april werd "[A]" aan de [a-straat 1] te Rotterdam overvallen door vier personen. Aangeefster [betrokkene 1] werd daarbij door één van de daders bedreigd met een vuurwapen en een mes. [voetnoot 2] De daders hebben tevens [betrokkene 2], een klant, met een vuurwapen bedreigd en een aantal sloffen sigaretten weggenomen. [voetnoot 3/4]

Voetnoot 2: Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van aangifte, zaak Tabak, pag. 1 t/m 5.

Voetnoot 3: Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van verhoor [betrokkene 2], zaak Tabak, pag. 16 t/m 18.

Voetnoot 4: Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van verhoor [...], zaak Tabak, pag. 25 t/m 27."

6. Uit 's Hofs hiervoor onder 5 weergegeven bewijsvoering kan in ieder geval niet worden afgeleid dat de verdachte en diens medeverdachten [betrokkene 1] op de grond hebben geduwd, een knie op zijn rug hebben geplaatst, op hem zijn blijven zitten, hem tegen de grond hebben gedrukt en gedrukt gehouden en op dreigende toon diverse woorden tegen hem hebben toegevoegd. Voorts kan daaruit niet worden afgeleid dat de verdachte en diens medeverdachten op dreigende toon diverse woorden aan [betrokkene 2] hebben toegevoegd en een slaande beweging hebben gemaakt in zijn richting. Aldus is de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

7. Het eerste middel slaagt.

8. Het tweede middel klaagt dat het Hof niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting, althans dat het Hof de bewezenverklaring van het onder 1 en 3 tenlastegelegde onvoldoende met redenen heeft omkleed.

9. Blijkens de toelichting klaagt het middel over de navolgende door het Hof in het bestreden arrest opgenomen bewijsoverweging:

"Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij betrokken was bij de gewapende overval op [A] d.d. 17 april 2009 en dat hierbij door hem een nepwapen - het op het balkon van de woning aan de [b-straat] nummer [1] aangetroffen balletjespistool - is gebruikt. [voetnoot 22] De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts verklaard dat hij medeverdachte [verdachte] en medeverdachte een persoon zich noemende [medeverdachte 2] kent. [voetnoot 23]

Voetnoot 22: Verklaring van getuige [medeverdachte 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, van 28 mei 2010.

Voetnoot 23: Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, van 28 mei 2010."

10. Volgens de steller van het middel heeft het Hof aldus kennelijk een verklaring van een medeverdachte zoals hij die heeft afgelegd in zijn eigen strafzaak voor het bewijs in de onderhavige strafzaak gebezigd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2010, alwaar de medeverdachte [medeverdachte 1] in de onderhavige strafzaak als getuige is gehoord, blijkt immers niet dat hij aldaar heeft verklaard de verdachte en een persoon zich noemende [medeverdachte 2] te kennen.

11. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2010 blijkt inderdaad niet dat de aldaar in de onderhavige strafzaak als getuige gehoorde medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard heeft dat hij de verdachte en een persoon zich noemende [medeverdachte 2] kent. Voornoemd proces-verbaal houdt echter als verklaring van de verdachte, ten aanzien van de zaak Tabak, het volgende in:

"Ik zeg u dat het klopt dat ik de medeverdachten in de zaak [betrokkene 7], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ken."

12. Gelet daarop en mede gelet op de hiervoor onder 9 weergegeven voetnoot 23 waarin naar de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2010 wordt verwezen, berust de in het middel aangevallen overweging van het Hof onmiskenbaar op een kennelijke verschrijving en had daar waar is opgenomen 'medeverdachte [verdachte]' moeten staan 'medeverdachte [medeverdachte 1]'. Aldus verbeterd gelezen mist het middel feitelijke grondslag.

13. Het tweede middel faalt.

14. Het derde middel klaagt over de motivering van het onder 3 bewezenverklaarde.

15. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op 7 april 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen, namelijk een Smith & Wesson, model 5904, kaliber 9x19 mm, voorhanden heeft gehad."

16. Met betrekking tot de bewijsvoering ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde houdt het arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Bij de doorzoeking van de woning aan de [b-straat] nummer [1] werd op het balkon(...) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een zogenaamd balletjespistool, aangetroffen en inbeslaggenomen. [voetnoot 12] Het balletjespistool is gebruikt bij de overval. [voetnoot 13]

Voetnoot 12: ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal aan het hof overgelegde kleurenfoto's met de nummers: DSC_3522.JPG, DSC_3523.JPG, DSC_3525.JPG, DSC_3526.JPG, DSC_3527.JPG, DSC_3528.JPG. DSC_3530.JPG, DSC_3531.JPG, DSC_3532.JPG, DSC_3533.JPG.

Voetnoot 13: Verklaring van getuige [medeverdachte 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, van 28 mei 2010."

17. Uit 's Hofs hiervoor onder 16 weergegeven bewijsvoering kan slechts worden afgeleid dat er bij de doorzoeking van de woning aan de [b-straat] nummer [1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een zogenaamd balletjespistool is aangetroffen, dat bij de overval op de [A] is gebruikt. Uit 's Hofs bewijsvoering kan evenwel niet worden afgeleid dat dit balletjespistool een wapen is als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling wapens en munitie en evenmin dat dit balletjespistool door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen, namelijk een Smith & Wesson, model 5904, kaliber 9x19 mm. Aldus is de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

18. Het derde middel slaagt.

19. Het vierde middel klaagt over de motivering van het onder 4 bewezenverklaarde, nu uit 's Hofs bewijsvoering niet kan worden afgeleid het onder 4 tenlastegelegde te Rotterdam is gepleegd.

20. Het Hof heeft bewezenverklaard dat de onder 4 tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal is gepleegd op 23 maart 2009 te Rotterdam.

21. Het bestreden arrest houdt noch onder het kopje 'Door het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden' noch onder de nadere bewijsoverweging in dat het onder 4 tenlastegelegde, zoals is bewezenverklaard, te Rotterdam is gepleegd.(1)

22. Het vierde middel is terecht voorgesteld.

23. Het vijfde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

24. Namens de verdachte is op 17 juni 2010 beroep in cassatie ingesteld. Volgens een op de begeleidende brief van 30 december 2010 geplaatst stempel zijn de stukken bij de Hoge Raad ingekomen op 31 december 2010. De inzendtermijn van zes maanden(2) is derhalve overschreden.

Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

Het bovenstaande brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

25. Het vijfde middel is terecht voorgesteld, maar kan onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het betreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen.(3)

26. Het eerste, derde, vierde en vijfde middel zijn terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Andere gronden dan de hiervoor onder 23 genoemde grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De HR pleegt niet bereid te zijn ontbrekende gegevens in de bewijsmiddelen in te lezen, HR 15 januari 2008, LJN BB7678, HR 26 januari 2010, LJN BK5583 en HR 4 januari 2011, LJN BO1636. Zie in dit verband tevens de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 15 mei 2012, LJN BV9233.

2 De verdachte bevindt zich m.b.t. de onderhavige zaak in voorlopige hechtenis.

3 HR 17 juni 2008, NJ 2008/358, r.o. 3.5.3.