Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4304

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
25-09-2012
Zaaknummer
11/04788 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4304
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklagzaak. OM-cassatie. Onttrekking aan het verkeer. Door te overwegen dat het voorhanden hebben van het luchtdrukwapen geen strafbare handeling is heeft de Rechtbank kennelijk geoordeeld dat het ongecontroleerde bezit daarvan niet in strijd is met de wet of het algemeen belang. In aanmerking genomen dat de Officier van Justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een voorwerp als bedoeld in art. 2.1. categorie I onder 7°, WWM is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. De enkele omstandigheid dat - zoals de Rechtbank heeft vastgesteld - jegens de verdachte geen vervolging is ingesteld wegens overtreding van art. 13 WWM kan dat oordeel niet dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1208
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/04788 B

Mr. Knigge

Zitting: 29 mei 2012

Conclusie inzake:

[Klager]

1. De Rechtbank te Haarlem heeft bij beschikking van 14 juli 2011 de vordering van de Officier van Justitie ex art. 552f Sv, strekkende tot onttrekking aan het verkeer van een luchtdrukwapen afgewezen en tevens de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift ex art. 552a Sv, strekkende teruggave van dat luchtdrukwapen, met demper en vizier, aan klager. Voorts heeft de Rechtbank verstaan, dat de Officier van Justitie het luchtdrukwapen op de voet van het bepaalde in artikel 116 lid 1 Sv doet teruggeven aan degene bij wie het in beslag is genomen.

2. Tegen deze beschikking is door de Officier van Justitie cassatieberoep ingesteld. Dit cassatieberoep beperkt zich blijkens de akte cassatie tot de afwijzende beslissing van de Rechtbank op de vordering ex art. 552f Sv.

3. De plaatsvervangend Officier van Justitie mr. H.H.J. Knol heeft een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank haar beslissing tot afwijzing van de vordering tot onttrekking aan het verkeer ontoereikend heeft gemotiveerd.

4.2. De Rechtbank heeft ten aanzien van de vordering het volgende overwogen(1):

"Vast is komen te staan, dat bedoeld luchtdrukwapen op 5 juni 2010 op rechtmatige wijze onder klager in beslag is genomen en dat het beslag nog voortduurt.

Namens klager is er - zakelijk weergegeven - op gewezen, dat onttrekking aan het verkeer alleen kan plaatsvinden indien er sprake is van een zodanige samenhang met het feit waarvoor klager is veroordeeld, hetgeen uit de uitspraak zou moeten blijken, dan wel op basis van het gevaarlijkheidcriterium en/of het ongecontroleerd bezit. Beide situaties doen zich, aldus het betoog van de raadsvrouwe, niet voor.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat met behulp van het in beslag genomen luchtdrukwapen het strafbare feit is begaan en het inbeslaggenome - nu dat valt onder categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie - van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Bij de beoordeling van de vordering stelt de rechtbank het volgende voorop.

Op de voet van artikel 36b, eerste lid, aanhef en onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) juncto artikel 552f Sv kan de rechtbank een in beslag genomen voorwerp onttrekken aan het verkeer. De rechtbank heeft te dezen mitsdien een discretionaire bevoegdheid en kan na weging van de feiten en omstandigheden van het geval en na afweging van de belangen van klager tegenover die van de strafvordering in het algemeen, besluiten om de maatregel al dan niet op te leggen.

In het voorliggende geval heeft de politierechter klager veroordeeld voor bedreiging op 5 juni 2010 en vrijgesproken van de dreigende woorden die daarbij zouden zijn geuit. De politierechter heeft ter zake met toepassing van artikel 9a Sr geen straf opgelegd. Voorts is relevant dat uit het strafdossier valt op te maken dat verdachte op 5 juni 2010 met het luchtdrukwapen niet op de openbare weg is geweest maar in zijn huis dan wel op zijn erf is gebleven.

Bij de beoordeling van de vordering hecht de rechtbank belang aan de omstandigheid, dat verdachte volgens een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister tot aan evenbedoelde veroordeling niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Ten slotte is van betekenis dat verdachte ter zake van het voorhanden hebben van het luchtdrukwapen niet op de voet van artikel 13 van de Wet wapens en munitie is vervolgd, wat steun biedt aan de gedachte dat het voorhanden hebben van dat luchtdrukwapen kennelijk geen strafbare handeling is.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel, dat strafvordering in dit geval niet eist dat evenbedoeld luchtdrukwapen aan het verkeer moet worden onttrokken. De vordering van de officier van justitie moet daarom worden afgewezen."

4.3. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer blijkt dat de Officier van Justitie aldaar heeft gesteld dat uit het proces-verbaal van technisch onderzoek blijkt dat het luchtdrukgeweer in kwestie een wapen is als bedoeld in art. 2 lid 1, categorie I sub 7 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) is. Bedoeld proces-verbaal bevindt zich bij de stukken van het geding ("Proces-verbaal: Technisch onderzoek Wapen" van 23 juni 2010). Dat proces-verbaal houdt in dat de verbalisant een onderzoek heeft ingesteld naar dat wapen, dat hij constateert dat het wapen "niet te onderscheiden valt van een op een echt gelijkend vuurwapen" en dat het wapen daarom gezien art. 3a Regeling Wet wapens en munitie een wapen is van Categorie I sub 7 WWM.

4.4. Het voorhanden hebben van een wapen van Categorie I is verboden op grond van art. 13 lid 1 WWM. De uitzonderingen op dat verbod zijn zeer beperkt. Voor een gewone burger is een ontheffing niet weggelegd. Dat betekent mijns inziens dat de discretionaire bevoegdheid waarvan de Rechtbank spreekt bijzonder klein is als het gaat op een wapen van Categorie I. Een goede reden om een dergelijk wapen niet aan het verkeer te onttrekken, valt moeilijk te bedenken. Dat betekent mijns inziens dat, nu de Officier van Justitie met een verwijzing naar een technisch onderzoek stelde dat sprake was van een wapen van Categorie I, de Rechtbank zich een oordeel had moeten vormen over de vraag of zulks inderdaad het geval is. Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt niet dat zij dat heeft gedaan. Zij heeft enkel overwogen dat de betrokkene niet op de voet van art. 13 WWM is vervolgd en dat dit steun biedt aan de gedachte dat het voorhanden hebben van het wapen kennelijk geen strafbare handeling is. Als daarin al gelezen kan worden dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat het wapen onder Categorie I valt, is dat oordeel in het licht van het technisch onderzoek waarop de OvJ zich beriep, niet zonder meer begrijpelijk. Hetgeen de Rechtbank voor het overige nog heeft overwogen, maakt dat niet anders.

4.5. Het middel slaagt.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Bij de stukken van het geding bevindt zich de aantekening mondeling vonnis van de Rechtbank Haarlem van 10 december 2010, houdende veroordeling van betrokkene wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. De rechter heeft geen beslissing genomen ten aanzien van het inbeslaggenomen luchtdrukwapen. Gelet op HR 29 november 1994 (LJN ZC9876, NJ 1995/176), in welke zaak de Rechtbank eveneens had verzuimd een beslissing te nemen op het beslag, was de Officier van Justitie gerechtigd om na de einduitspraak te vorderen dat het luchtdrukwapen zou worden onttrokken aan het verkeer.