Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4298

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
11/04200 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4298
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklagzaak. De HR herhaalt relevante overwegingen uit LJN BL2823. Het Hof heeft, door te oordelen dat "het hoger beroep in de hoofdzaak nog niet is behandeld" zodat "niet kan worden gezegd dat het belang van de strafvordering zich (thans) niet tegen de teruggave van het geldbedrag aan klager verzet", de maatstaf in voormeld arrest niet aangelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1091
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/04200 B

Mr. Knigge

Zitting: 29 mei 2012

Conclusie inzake:

[Klager]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 19 september 2011 een namens klager ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv - strekkende tot teruggave van een onder klager inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.900,- - ongegrond verklaard.

2. Tegen deze beschikking is namens klager cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Ontvankelijkheid

4.1. Eerst een prealabele opmerking over de ontvankelijkheid. Het Hof heeft het beklag klaarblijkelijk ontvankelijk geacht. Daarover wordt uiteraard niet geklaagd, maar dit aspect verdient wel de aandacht.

4.2. Op of omstreeks 16 juli 2010 is onder klager in een strafzaak beslag gelegd op onder meer een geldbedrag van € 2.900,-. Klager is op 8 juli 2011 door de Rechtbank te Rotterdam vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten, kort gezegd betreffende invoer van 22,5 kilogram cocaïne en voorbereidingshandelingen daartoe. De Rechtbank heeft daarbij tevens de teruggave aan verdachte gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag. Door de officier van justitie is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank. Bij brief van 2 augustus 2011 heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat vanwege het ingestelde hoger beroep het beslag op het geld blijft liggen, zodat het Hof te zijner tijd daarover kan beslissen. Op 4 augustus 2011 heeft klager een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave van het geldbedrag. Zoals gezegd heeft het Hof bij beschikking van 19 september 2011 het klaagschrift ongegrond verklaard.

4.3. 's Hofs kennelijke oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn beklag, lijkt mij juist. Ik wijs in dit verband op HR 14 juni 2011, NJ 2011, 284, LJN BQ3667, in welke zaak beklag was gedaan nadat in eerste aanleg bewaring ten behoeve van de rechthebbende was gelast. De Hoge Raad overwoog dat door deze beslissing in de strafzaak het beslag nog niet is geëindigd en dat zolang het beslag niet is beëindigd, een belanghebbende op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift kan indienen strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen voorwerpen. De Hoge Raad overwoog voorts dat opmerking verdient dat zich niet voordoet de situatie dat ná de beslissing op het klaagschrift waartegen het cassatieberoep is ingesteld, door de rechter in de strafzaak een beslissing is genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen waarop het klaagschrift betrekking heeft.(1)

4.4. Uit bij het ressortsparket ingewonnen inlichtingen is gebleken dat het hoger beroep in de strafzaak nog niet is behandeld. De situatie dat de rechter in de strafzaak na de bestreden beschikking een beslissing heeft gegeven met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen doet zich dus niet voor.

5. Het eerste middel

5.1. Het middel klaagt over onjuiste uitleg van het begrip "belang van strafvordering".

5.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant in:

"1. Procesgang

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2011 (met parketnummer 10-960154-10 is klager vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten (invoer van cocaïne en de voorbereidingshandelingen daartoe). Voorts heeft de rechtbank de teruggave gelast aan klager van de bij hem in beslag genomen voorwerpen, waaronder een geldbedrag van € 2.950,-.

Tegen dit vonnis is op 22 juli 2011 door de officier van justitie hoger beroep ingesteld. Tot een behandeling in hoger beroep van de strafzaak is het nog niet gekomen, zodat de inbeslagneming van genoemd geldbedrag voortduurt.

Door klager is bij een op 4 augustus 2011 ter griffie van dit gerechtshof ingekomen klaagschrift verzocht om teruggave van het bij hem in beslag genomen geldbedrag van € 2.900,-.

2. Beoordeling van het verzet

Het klaagschrift is op 19 september 2011 door het hof in raadkamer in het openbaar behandeld. Daar zijn gehoord de advocaat-generaal mr. D. Jeras, alsmede de advocaat van klager, mr. Van Paridon die door klager is gemachtigd namens hem in rechte op te treden.

De advocaat-generaal heeft gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie d.d. 30 augustus 2011 van zijn ambtgenoot mr. C.J.M.G. Strack, ertoe strekkende dat het klaagschrift "dient te worden afgewezen" (het hof begrijpt: ongegrond wordt verklaard).

Het hof is, nu het hoger beroep in de hoofdzaak nog niet is behandeld, van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het belang van de strafvordering zich (thans) niet tegen de teruggave van meergenoemd geldbedrag aan klager verzet, zodat het klaagschrift tegen het uitblijven van een last tot teruggave ongegrond is."

5.3. Er van uitgaande dat beklag hangende hoger beroep mogelijk is (zie punt 4.3), meen ik dat het Hof de gewone criteria had dienen aan te leggen. Ingeval het beklag is gegrond op art. 94 Sv, hetgeen het Hof overigens ten onrechte niet vaststelt, moet beoordeeld worden of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.(2) Het Hof heeft derhalve een onjuiste maatstaf aangelegd door het beklag ongegrond te verklaren op de enkele grond dat hoger beroep aanhangig is.

5.4. Het middel slaagt.

6. Het tweede middel

6.1. Het middel klaagt over schending van art. 6 lid 2 EVRM. Het Hof heeft in de bestreden beschikking echter geen oordeel uitgesproken over de schuld van de verdachte. Van een schending van de onschuldpresumptie kan daarom geen sprake zijn. Daarom faalt het middel

7. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. ook HR 6 september 2011, LJN BQ8028, NJ 2011, 417, waarin het beklag was gedaan hangende hoger beroep na verbeurdverklaring in eerste aanleg.

2 HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010, 654.