Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4265

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
11/01357
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4265
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht brandstichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1089
NJB 2012/1961
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/01357

Mr. Knigge

Zitting: 29 mei 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 7 januari 2011 verdachte wegens "opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. A.A.G. Balkenende, advocaat te Katwijk, twee middelen van cassatie voorgesteld. Beide middelen komen op tegen de bewezenverklaring.

4. De bewijsvoering

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 30 december 2007 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in een woning (gelegen aan de [a-straat 1]) een vuurpijl afgestoken in de directe nabijheid van een emmer met een brandbare substantie (te weten een mengsel van kunstmest en basterdsuiker), ten gevolge waarvan de zolder van die woning (te weten de [a-straat 1]) is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning (te weten de [a-straat 1]) en belendende woningen (te weten de [a-straat 2 en 3]), en levensgevaar voor anderen, te duchten was."

4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 december 2010, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik was op 30 december 2007 in mijn woning gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] en heb die dag hangend uit het zolderraam een babyvuurpijl afgestoken. Ik heb voor de veiligheid de vuurpijl in een koker van karton gestoken, ben zo ver als mogelijk uit het raam gaan hangen voordat ik de pijl afstak en heb hem vervolgens afgestoken. U vraagt mij waarom ik dan wel zo ver mogelijk uit het raam ben gaan hangen. Ik kan u daar geen antwoord op geven. Ik heb het automatisch op deze wijze gedaan omdat ik dat veiliger vond. Toen ik mij vervolgens terugtrok uit het zolderraam, zag ik dat het mengsel van kunstmest en suiker dat in een emmer onder het zolderraam stond en waarmee ik rookbommen gemaakt had, begon te smeulen. Nadat dit is gebeurd heb ik met mijn gezin bij mijn schoonouders moeten verblijven. De directe buren hadden last van waterschade.

2. Het proces-verbaal van verhoor nummer PL1613/07-261088 van de politie Hollands Midden, gevoegd in het dossier met nummer PL1610/07-012198 op pagina 25 t/m 28, d.d. 31 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [getuige 1], adres: [a-straat 1] te [plaats] - zakelijk weergegeven -:

Op 30 december 2007 was ik in onze woning gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] aanwezig met mijn man [verdachte] en één van de twee kinderen. Mijn man kwam opeens de trap af stormen en riep tegen mij dat er brand op zolder was.

3. Het proces-verbaal van verhoor nummer PL1613/07-261088 van de politie Hollands Midden, gevoegd in het dossier met nummer PL1610/07-012198 op pagina 18 t/m 19, d.d. 30 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [getuige 2], adres: [a-straat 3] te [plaats] - zakelijk weergegeven -:

Mijn buurman [verdachte] maakt rookbommen. Ik heb wel eens gezien dat hij deze rookbommen in zijn tuin afstak. Vorig jaar maakte hij ook al rookbommen.

4. Een geschrift, zijnde een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2008.09.11.104, d.d. 12 november 2008 opgemaakt en ondertekend door de gerechtelijk deskundige Ing. E.M. Kok, als bijlage gevoegd in het dossier, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Forensisch onderzoek naar aanleiding van een brand in [plaats] op 30 december 2007. Op grond van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat:

1. een mengsel op basis van 70% kas of kalisalpeter en 30% suiker, zoals genoemd in het proces-verbaal 07-012198, waaraan geen andere stoffen zijn toegevoegd, vrijwel zeker niet spontaan kan ontbranden;

2. een mengsel met bovengenoemde samenstelling, kan tot ontbranding worden gebracht door een vonk van een vuurpijl;

3. bij de verbranding van een mengsel met bovengenoemde samenstelling treden hitte, vonken, gasvorming en rookverschijnselen vrijwel gelijktijdig op.

5. Een geschrift, zijnde een Terwee-bijlage, d.d. 22 januari 2008 opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar gevoegd in het dossier met nummer PL1613/07-012198 op pagina 43, waaruit het volgende blijkt - zakelijk weergegeven -:

Feitgegevens: 30 december 2007, te [plaats], brand/ontploffing materiële schade. Gehele zolderverdieping perceel [a-straat 1] te [plaats] afgebrand. Tevens dakspanten van de percelen [a-straat 2 en 3] beschadigd en waterschade. Deze drie woningen zijn door de brand onbewoonbaar. De gezinnen hebben elders onderdak gezocht. Percelen [1, 2 en 3] zijn eigendom van [A]."

4.3. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

"De raadsman heeft betoogd dat de verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld, ook niet in de vorm van voorwaardelijke opzet.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt. Verdachte heeft vanuit zijn zolderraam een vuurpijl afgestoken in de onmiddellijke nabijheid van een emmer die -zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard- een mengsel van kunstmest en suiker bevatte. Een dergelijk mengsel is licht ontbrandbaar. De verdachte was zich hiervan bewust, hetgeen het hof afleidt uit zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd, inhoudende dat hij voordat hij de vuurpijl afstak enkele veiligheidsmaatregelen heeft getroffen omdat hij dat veiliger vond. Zo heeft hij bij het afsteken van de vuurpijl een koker van karton gebruikt en is hij bij het afsteken van de vuurpijl zo ver mogelijk uit het raam gaan hangen. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht, waarbij er minst genomen sprake was van voorwaardelijke opzet. Het verweer wordt dan ook verworpen."

4.4. Voorts heeft het Hof in de aanvulling met bewijsmiddelen nog het volgende overwogen:

"Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zijn buurman [verdachte] rookbommen maakt en dat vorig jaar ook al gedaan heeft. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte ervaring heeft met het maken van rookbommen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich ervan bewust was dat er sprake was van een gevaarlijke situatie. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte zich bewust was van de mogelijkheid dat er door het afsteken van een vuurpijl op de zolder in de nabijheid van een emmer met een licht ontvlambaar mengsel brand kon ontstaan. De verdachte heeft onder die omstandigheden een vuurpijl afgestoken op zijn zolder, terwijl hij slechts uiterst gebrekkige veiligheidsmaatregelen had getroffen, namelijk het gebruik maken van een koker bij het afsteken van de vuurpijl en het zover mogelijk uit het raam hangen. Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op het stichten van brand dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich - minst genomen - willens en wetens heeft blootgesteld aan de naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans dat er brand zou ontstaan in zijn woning en dat daarvan gemeen gevaar voor zijn woning, voor die van zijn directe buren en levensgevaar voor anderen te duchten was en dat derhalve - minst genomen - het opzet van de verdachte in voorwaardelijke zin op de brand was gericht, waaraan niet kan afdoen hetgeen door de raadsman in dit verband voor het overige naar voren is gebracht. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat een mengsel van 70% kas of kalisalpeter en 30% suiker waaraan geen stoffen zijn toegevoegd, blijkens het NFI rapport d.d. 12 november 2008, vrijwel zeker niet spontaan kan ontbranden. Door de verdediging is weliswaar betoogd dat er niet vanuit gegaan mag worden dat het betreffende mengsel zuiver van samenstelling is geweest zoals het NFI heeft aangenomen, maar heeft dat betoog naar het oordeel van het hof onvoldoende met feiten en omstandigheden gestaafd en ook overigens is dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden. Tot slot acht het hof het niet aannemelijk dat juist op het moment dat de verdachte een vuurpijl af stak, voornoemd mengsel spontaan is gaan branden, wat volgens de verdediging van de verdachte niet kan worden uitgesloten. Namens de verdachte zijn bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar het oordeel van het hof ook te dien aanzien onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan zulks aannemelijk is te achten en ook overigens zijn die feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden."

5. Het eerste middel

5.1. Het middel behelst de klacht dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat de brand is veroorzaakt doordat vonken van de door de verdachte afgestoken vuurpijl in de emmer met het mengsel van kunstmest en suiker terecht zijn gekomen.

5.2. In de toelichting op het middel wordt, in navolging van hetgeen door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, betoogd dat gelet op het NFI-rapport spontane ontbranding van het mengsel niet valt uit te sluiten en dat de verdachte niet heeft gezien dat er vonken van de vuurpijl in de emmer met het mengsel terecht zijn gekomen. Voorts wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het Hof ten onrechte in het midden heeft gelaten welk mengsel in de emmer zat: een mengsel van kas (ammoniumnitraat) en suiker of kalisalpeter (kaliumnitraat) en suiker.

5.3. Het tot het bewijs gebezigde NFI-rapport houdt in dat een mengsel op basis van 70% kas of kalisalpeter en 30% suiker, waaraan geen andere stoffen zijn toegevoegd, vrijwel zeker niet spontaan kan ontbranden. Voor zover het middel klaagt dat het Hof had dienen vast te stellen welk mengsel daadwerkelijk in de emmer zat, faalt het. Nu het NFI-rapport inhoudt dat kaliumnitraat en ammoniumnitraat zich in mengsels met suiker vergelijkbaar gedragen, mocht het Hof dit in het midden laten. Daaraan doet niet af de vermelding in het NFI-rapport dat onder extreme omstandigheden de reactie van ammoniumnitraat en suiker explosief heftiger kan verlopen, nu niet blijkt dat van een dergelijke extreme omstandigheid sprake is geweest. Voorts doet daaraan ook niet af de vaststelling in het rapport dat over spontane ontbranding van mengsels op basis van kas en suiker minder bekend is dan over kaliumnitraat-suiker mengsels, nu kennelijk voldoende bekend was om tot de uitspraak te komen dat beide mengsels vrijwel zeker niet spontaan kunnen ontbranden.

5.4. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte vanuit zijn zolderraam een vuurpijl heeft afgestoken, dat onder het zolderraam een emmer stond met daarin een mengsel van kunstmest en suiker, en dat dit mengsel onmiddellijk na het afsteken van de vuurpijl begon te smeulen. Gelet op het tijdsverloop kon het Hof de mogelijkheid van spontane ontbranding als hoogst onwaarschijnlijk terzijde stellen en een causaal verband aannemen tussen het afsteken van de vuurpijl en de ontbranding van het mengsel.(1) Dat de verdachte niet heeft waargenomen dat er vonken in de emmer zijn terecht gekomen, maakt dat niet anders.

5.5. Het middel faalt.

6. Het tweede middel

6.1. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van het opzet.

6.2. Hetgeen het Hof ten aanzien van het opzet heeft overwogen, is hierboven onder 4 weergegeven.

6.3. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte bij het afsteken van de vuurpijl enkele veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, welke volgens het Hof uiterst gebrekkig waren. Zo heeft de verdachte de vuurpijl in een kartonnen koker gestoken en is hij bij het afsteken zo ver mogelijk uit het raam gaan hangen. Het oordeel van het Hof omtrent het opzet van de verdachte komt hierop neer dat de verdachte zich bewust was van het brandgevaar, maar dat hij desondanks de vuurpijl heeft afgestoken zonder afdoende veiligheidsmaatregelen te treffen. Aldus heeft de verdachte naar het oordeel van het Hof minstens gehandeld met voorwaardelijk opzet.

6.4. Anders dan het Hof meen ik dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte de aanmerkelijke kans op brand ook heeft aanvaard. Uit de omstandigheid dat de verdachte veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, volgt immers dat hij heeft getracht gevaar te voorkomen. De verdachte handelde kennelijk in de veronderstelling dat de door hem genomen voorzorgsmaatregelen afdoende waren. Het feit dat later is gebleken dat de verdachte ongelijk had, maakt dat niet anders. Bovendien neem ik in aanmerking dat het de eigen woning van de verdachte betrof en dat zijn vrouw en één van zijn kinderen thuis waren op het moment dat hij de vuurpijl afstak. Ook dit maakt het in mijn ogen onwaarschijnlijk dat de verdachte de kans dat brand zou ontstaan, bewust heeft aanvaard.

6.5. Het middel is terecht voorgesteld.

7. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. in het bijzonder HR 3 juni 2008, LJN BC6907, NJ 2008/343, waarin sprake was van een groter tijdsverloop en waarin mede daardoor andere mogelijkheden minder onwaarschijnlijk waren.