Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4155

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
11/00858
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4155
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO. Ambtshalve: Het Hof heeft overwogen het vonnis te zullen bevestigen behalve t.a.v. de strafoplegging en de motivering daarvan. In het arrest ontbreekt een beslissing t.a.v. de strafoplegging. De HR leest de bestreden uitspraak verbeterd in die zin dat het Hof het vonnis ook t.a.v. de strafoplegging heeft bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1087
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00858

Mr. Knigge

Zitting: 29 mei 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 21 oktober 2010 het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 9 juni 2009, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, "voor het overige" bevestigd "met inachtneming van het hiervoor overwogene".

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. E. Schoneveld, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Ambtshalve

4.1. Alvorens het middel te bespreken merk ik het volgende op.

4.2. Het bestreden arrest houdt in:

"Vonnis waarvan beroep

Het Hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof de overwegingen van de politierechter ten aanzien van het bewijs niet overneemt en daarvoor de navolgende overweging in de plaats stelt."

Bewijsoverweging

De raadsman heeft in hoger beroep -kort gezegd- betoogd dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen nu de aangifte niet door enig ander bewijsmiddel wordt gesteund. Gelet op het in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vervatte bewijsminimum, en nu de verdachte het ten laste gelegde ontkent, dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De verklaring van aangeefster dat de verdachte een arm om haar heen heeft geslagen, vindt verankering achtereenvolgens in hetgeen door de verdachte in zijn verhoor bij de politie op 19 april 2007 is verklaard, en in de verklaring van de getuige [getuige 1], zoals door deze op 20 april 2007 is afgelegd. Aldus is het bestaan hebben van door de verdachte gezocht en gevonden lichamelijk contact met aangeefster in voldoende mate verankerd in de inhoud van ook andere bewijsmiddelen dan de enkele verklaring van de aangeefster.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster in het licht van verdachtes ontkenning haar bil en borst te hebben aangeraakt overweegt het hof als volgt. Na het voorval is aangeefster direct naar haar stagebegeleider [getuige 2] gegaan. Volgens diens verklaring heeft zij gedetailleerd verteld wat er zojuist was voorgevallen. De getuige [getuige 2] heeft voorts verklaard dat aangeefster, toen zij direct na het voorval bij hem kwam, in huilen is uitgebarsten en enige tijd later nog steeds erg overstuur was en hevig huilde, met name toen de verdachte zijn excuses aan aangeefster kwam aanbieden. Niet aannemelijk is geworden dat deze hevige emoties van aangeefster door iets of iemand anders dan de gedragingen van de verdachte zijn veroorzaakt. Deze verklaring van aangeefster ten overstaan van haar stagebegeleider [getuige 2] is consistent met haar verklaring die zij tegenover [betrokkene 1], medewerker van Securitas, heeft afgelegd.

Op grond van het voorgaande gaat het hof voorbij aan verdachtes ontkenning en komt het hof tot de conclusie dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen dient te worden verklaard.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het hem ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis en heeft bevolen dat de verdachte de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die hem in het kader van de tenuitvoerlegging van de taakstraf door of namens de reclassering worden gegeven.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het hem ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk aanranden van de eerbaarheid van een jonge vrouw. Met dit handelen heeft hij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en haar bovendien vrees aangejaagd. In het algemeen mag worden aangenomen dat slachtoffers van aanranding gedurende langere tijd nadelige gevolgen daarvan ervaren. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat die situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet, is niet gebleken.

Ten voordele van de verdachte heeft het hof er rekening mee gehouden dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 7 oktober 2010 niet eerder strafrechtelijk veroordeeld is voor soortgelijke feiten. Voorts heeft het hof rekening gehouden met het tijdverloop sinds het bewezenverklaarde feit.

Gelet op de aard en ernst van het bewezen geachte misdrijf acht het hof geen termen aanwezig, zoals subsidiair door de raadsman is bepleit, de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

Beslissing

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene."

4.3. Ingevolge artikel 358 Sv in verbinding met art. 415 Sv dient het arrest op straffe van nietigheid in te houden welke straf is opgelegd. Dat geldt niet als het gerechtshof het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging bevestigt. Volgens art. 423 lid 1 Sv doet het gerechtshof immers alleen in geval van vernietiging wat de rechtbank had behoren te doen. Daarbij verdient opmerking dat het bij bevestiging gaat om de door de rechtbank genomen beslissingen. Alleen die kunnen worden bevestigd (of vernietigd). Bevestiging (of vernietiging) van motiveringen is er dus niet bij. Het hof kan de door de rechtbank gegeven motiveringen wel overnemen, maar ook verbeteren of aanvullen.

4.4. Het Hof heeft in het bestreden arrest uitdrukkelijk overwogen het vonnis waarvan beroep te zullen bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan en het vonnis in zoverre te zullen vernietigen. Het Hof heeft in het bestreden arrest vervolgens overwegingen opgenomen ten aanzien van de strafoplegging maar een beslissing ten aanzien van de strafoplegging ontbreekt. Het lijkt er echter op dat het Hof het spoor enkel in terminologisch opzicht is kwijtgeraakt. Daarop wijst dat gesproken wordt van het (niet) bevestigen en vernietigen van de strafmotivering, hetgeen juridisch niet mogelijk is. Het zou daarom kunnen zijn dat het Hof met de bevestiging van het vonnis voor het overige, heeft bedoeld het vonnis ook ten aanzien van de strafoplegging te bevestigen. Dat de in eerste aanleg opgelegde en in hoger beroep gevorderde straf niet passend zou zijn, wordt door het Hof niet gesteld, laat staan dat redenen worden aandragen waarom dit niet het geval zou zijn. De strafmotivering van het Hof is nagenoeg gelijkluidend aan die van de Politierechter. Het enige wezenlijke verschil betreft de overweging dat het Hof geen termen aanwezig acht om, zoals de raadsman heeft bepleit, de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Het kan er daarom mijns inziens voor gehouden worden dat in het bestreden arrest ten gevolge van een misslag is overwogen dat de strafoplegging niet zal worden bevestigd en dat het Hof enkel bedoelde dat de strafmotivering van de Rechtbank niet werd overgenomen. De Hoge Raad kan het bestreden arrest in dit opzicht verbeterd lezen.

5. Het middel

5.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring gelet op art. 342 lid 2 en 359 Sv onvoldoende toereikend is gemotiveerd.

5.2. Het Hof heeft door de bevestiging van het vonnis met gedeeltelijke overneming van gronden de door de Politierechter gebezigde bewijsmiddelen aan de bewezenverklaring grondslag gelegd, te weten:

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2007072234-1 van 16 maart 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 4-7). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:

Op 6 maart 2007 te 13.00 uur werd bij het kantoorpand van de ABN-AMRO aan de [a-straat] in Amsterdam het feit gepleegd. Ik loop stage bij de ABN-Amro bank. Op de afdeling waar ik werk mag niet gerookt worden. Daarvoor moet het personeel naar het zogenaamde expeditie-terrein.Op dinsdag 6 maart 2007 ben ik naar beneden gegaan om een sigaret te roken. Op het moment dat ik alleen buiten was, kwam een man van de afdeling 'expeditie' bij mij staan. Deze man heet [verdachte]. Later hoorde ik dat zijn achternaam "[achternaam verdachte]" is. Ik was aan een tafel gaan zitten. [Verdachte] kwam aan mijn rechterzijde zitten. Op een gegeven moment voelde ik dat hij een arm om mij heen sloeg. Zijn arm was toen over mijn schouders. Ik voelde dat [verdachte] met zijn linkerhand over mijn bil wreef. Ik duwde zijn hand weg. Ik wilde niet dat hij aan mijn bil zat. Ik voelde dat [verdachte] opnieuw mijn bil beetpakte en er in kneep. Vervolgens ging hij met zijn linkerarm helemaal over mijn schouders. Ik voelde dat hij mijn borst beetpakte. Ik schrok hier zo van, dat ik direct ben gaan staan.

2. Een proces-verbaal met nummer 2007072234-2 van 27 maart 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 9-11). Dit proces-verhaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Ik begeleid [betrokkene 2] tijdens haar stage periode bij de ABN-AMRO bank. Op 6 maart 2007 rond 13.00 uur liep ik naar de loge van de expeditie van de bank. Ik zag dat [betrokkene 2] direct in mijn richting liep. Ik zag aan haar gezicht dat er iets aan de hand was. Ik vroeg hoe het met haar was. Ze barstte direct in huilen uit. Ik hoorde dat ze zei: "Die man heeft aan mij gezeten". Zij vertelde mij direct dat het [verdachte] was geweest. [Betrokkene 2] vertelde mij dat [verdachte] haar billen had betast. Zij vertelde dat zij bij haar borst werd beetgepakt. Ik zag dat [verdachte] nog steeds buiten was en zat te roken. Ik hoorde dat [verdachte] tegen [betrokkene 2] zei: "Sorry, sorry zo heb ik het niet bedoeld. Sorry, ik bied mijn excuses aan"

3. Een proces-verbaal met nummer 2007072234-4 van 27 april 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 19-20). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

We waren aan het roken bij de expeditieruimte. Ik heb gezien dat [verdachte] een arm om de schouders van [betrokkene 2] (de politierechter begrijpt: [betrokkene 2]) heen sloeg. Ik heb [betrokkene 2] later nog gezien. Ik vond wel dat ze er wat ontredderd uit zag."

4. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg:

U houdt mij voor wat mij wordt tenlastegelegd. Misschien heb ik een schouderklopje gegeven.

5.3. Volgens art. 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling betreft de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich volgens de Hoge Raad niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarom kunnen geen algemene regels worden gegeven over de toepassing van art. 342 lid 2 Sv. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.(1)

5.4. Het Hof heeft in de hiervoor onder 4.2 weergegeven bewijsoverweging gemotiveerd uiteengezet dat en waarom het van oordeel is dat de verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Dat oordeel geeft geen blijk van miskenning van art. 342 lid 2 Sv, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.

5.5. Het middel faalt.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 4 januari 2011, LJN BO4493, NJ 2011, 37