Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4150

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
11/00264
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4150
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing getuigenverzoeken. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BW9036 m.b.t. vereisten voor opgave van getuigen of deskundigen a.b.i. art. 410.3 Sv en de beperkte toetsing door de HR van het oordeel of sprake is van een dergelijke opgave. Het Hof heeft kennelijk de bij appelschriftuur gedane (in algemene bewoordingen gestelde) opgave niet aangemerkt als een verzoek tot oproeping van getuigen a.b.i. art. 410.3 Sv, zodat ingevolge art. 418.3 Sv de noodzaak tot het horen van de getuigen de voor de beslissing toepasselijke maatstaf is. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof geoordeeld dat de aanvullende brief waarin wordt verzocht om twee met name genoemde personen als getuigen op te roepen dit niet anders maakt. Dat het Hof de aanvullende brief kennelijk voorts niet heeft aangemerkt als een overeenkomstig art. 414.2 jo art. 263.2 en 3 Sv gedaan verzoek tot oproeping is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat dit verzoek niet binnen de wettelijke termijn en bij de juiste instantie is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/2043
NBSTRAF 2012/323
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00264

Mr. Knigge

Zitting: 29 mei 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 20 december 2010 verdachte wegens 1A. "een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld dwingen en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, meermalen gepleegd en een persoon aanwerven met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander zich door geweld of een andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen, meermalen gepleegd en een ander door geweld of een andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen, meermalen gepleegd", 1B. "mensenhandel, meermalen gepleegd", 5. "in het bezit van een reisdocument, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, en 6A en 6B "voortgezette handeling van: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en negen maanden en een geldboete van € 100.000,-, subsidiair één jaar hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.(1)

3. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel

4.1. Het middel behelst ten eerste de klacht dat het Hof een verzoek tot het horen van [getuige 4] en "[betrokkene 9]" heeft afgewezen en daarbij een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

4.2. De raadsvrouwe heeft bij appelschriftuur van 6 augustus 2008 verzocht als getuigen te horen "alle personen, onder meer doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt". De raadsvrouwe heeft het verzoek nader gespecificeerd in een tot de voorzitter van het Hof gerichte brief van 16 maart 2009, die bij de griffie van het Hof is binnengekomen op 17 maart 2009. Voorts heeft de raadsvrouwe het verzoek toegelicht ter terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2009.

4.3. Het Hof heeft het verzoek tot het horen van de getuigen afgewezen bij tussenarrest van 6 april 2009. Dit arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Met betrekking tot de gevraagde getuige [getuige 4] is het hof van oordeel dat de motivering van het verzoek haar nader te horen onvoldoende concreet is, in het bijzonder wat betreft de vraagstelling. Het enkele feit dat deze getuige heeft verklaard dat [betrokkene 10] in Vinkeveen heeft gewoond en in Utrecht heeft gewerkt is onvoldoende om haar nader te horen. Hetzelfde geldt voor "[betrokkene 9]", van wie bovendien geen nadere personalia bekend zijn. De verzoeken worden afgewezen, nu het horen niet van belang is voor enige te nemen beslissing."

4.4. De klacht berust op de opvatting dat de beide getuige op voet van art. 410 lid 3 Sv bij (in de brief van 17 maart 2009 aangevulde) appelschriftuur zijn opgegeven. Die opvatting is mijns inziens onjuist. De raadsvrouwe heeft in de appelschriftuur aangegeven "alle personen, onder meer doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt" als getuigen te willen horen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 juni 2007 (LJN AZ1702, NJ 2007/626 m. nt. P.A.M. Mevis) weliswaar geoordeeld dat aan de appelschriftuur geen hoge eisen worden gesteld, maar dat betreft de formulering van de grieven, zodat dat niet wegneemt dat een niet gespecificeerd en op geen enkele wijze beperkt getuigenverzoek bezwaarlijk als een opgave van getuigen in de zin van art. 410 lid 3 Sv kan worden aangemerkt. Het onderhavige verzoek komt erop neer dat "alle personen" (dat is iedereen) als getuigen worden opgegeven. In dit verband merk ik op dat de Rechtbank de verklaringen van [getuige 4] en "[betrokkene 9]" niet voor het bewijs heeft gebruikt. Zou een verzoek om iedereen te horen als opgave in de zin van art. 410 lid 3 Sv worden geaccepteerd, dan wordt het in dit artikellid bepaalde niet alleen van elke betekenis beroofd, maar verkeert het zelfs in het tegendeel van hetgeen de wetgever daarmee beoogde te bereiken. De wetgever wenste dat de onderzoekswensen van de verdediging in een vroeg stadium - veel eerder dan het tijdstip waarin de tien dagen-termijn van art. 263 Sv voorzag - bekend zouden worden. Als een niet gespecificeerde opgave als waarvan in casu sprake is, zou volstaan, hoeft de verdediging immers in feite pas ter terechtzitting - alwaar het bij appelschriftuur gedane verzoek moet worden herhaald - op te geven welke personen zij werkelijk wenst te horen. Dat in dit geval de appelschriftuur door de verdediging is aangevuld, doet aan het voorgaande niet af, nu die aanvulling (ver) na de in art. 410 lid 3 Sv gestelde termijn werd gegeven.

4.5. Ik zie er niet aan voorbij dat onder bepaalde omstandigheden bezwaarlijk van de verdachte kan worden gevergd dat hij een of meer getuigen reeds bij appelschriftuur opgeeft. Voor dat probleem heeft de Hoge Raad in voornoemd arrest van 19 juni 2007 echter een andere oplossing gecreëerd dan het versoepelen van de eisen die aan een opgave van getuigen in de zin van art. 410 lid 3 Sv moeten worden gesteld. Die oplossing is dat de concrete toepassing van het noodzaakcriterium van art. 418 lid 3 Sv onder omstandigheden niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt. Die soepele toepassing geldt daarbij enkel voor het criterium van art. 418 lid 3 Sv, dat alleen betrekking heeft op getuigen of deskundige van wie opgave is gedaan overeenkomstig art. 414 in verbinding met art. 263 Sv (HR 22 december 2009, LJN BJ3295, NJ 2010/192). De verdediging dient dan bovendien uiterlijk op de eerste terechtzitting van het Hof een beroep te doen op omstandigheden die een door de Hoge Raad beoogde strengere toepassing van het noodzaakcriterium kunnen meebrengen (HR 7 december 2010, LJN BN2370, NJ 2010/682).

4.6. In het onderhavige geval kan de brief die de verdediging op16 maart 2009 aan de voorzitter van het Hof schreef niet gelden als een op voet van art. 414 jo. 263 Sv gedane opgave van getuige. Niet alleen is die brief niet gericht tot de advocaat-generaal (die voor oproeping moet zorg dragen), maar die brief is ook niet tien dagen voor de eerste zitting van 5 januari 2009 binnengekomen (en zelfs niet tien dagen voor de regiezitting van 23 maart 2009). De conclusie moet daarom zijn dat in casu het noodzaakcriterium van toepassing is, niet op grond van art. 418 lid 3 Sv, maar op grond van art. 415 jo. 315 Sv. Het verzoek moet namelijk worden aangemerkt als een verzoek dat eerst ter terechtzitting is gedaan.

4.7. Overigens faalt de klacht ook nog om een andere reden. Het Hof heeft het verzoek tot het horen van de getuigen afgewezen en daartoe overwogen dat het horen niet van belang is voor enige te nemen beslissing. Daarin ligt niet alleen besloten dat het Hof het horen van de getuigen niet noodzakelijk acht, maar ook dat de verdediging in redelijkheid niet wordt geschaad door het niet oproepen van de getuigen. Aldus verstaan heeft het Hof hoe dan ook de juiste maatstaf gehanteerd.

4.8. Het middel behelst voorts de klacht dat het Hof een verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [getuige 9] ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

4.9. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2009 overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar ten aanzien van de getuige [getuige 9] het volgende aangevoerd:

"[Getuige 9] (werkzaam als verhuurder van het kamerverhuurbedrijf [B] BV te Utrecht)

[Getuige 9] is werkzaam als verhuurder en chauffeur bij [B] BV te Utrecht. Het bedrijf is eigenaar van de meeste woonboten op het Zandpad. Volgens cliënt heeft [betrokkene 10] veelvuldig gebruik gemaakt van de diensten van [getuige 9] als chauffeur. De verdediging wenst deze getuige te vragen of aangeefster [betrokkene 10] gebruik heeft gemaakt van zijn diensten. In het bevestigende geval is het van belang voor de verdediging om de getuige te vragen op wiens initiatief hij werd ingehuurd en door wie hij werd betaald. Kon [betrokkene 10] gaan en staan waar zij wilde."

De raadsvrouwe van de verdachte heeft voorts nog ter terechtzitting van 6 oktober 2009 gezegd zich met betrekking tot het horen van [getuige 9] te refereren aan het oordeel van het Hof.

4.10. Het Hof heeft het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 9] afgewezen bij tussenarrest van 20 oktober 2009. Dit arrest houdt dienaangaande het volgende in:

"Het verzoek om "[getuige 9]", werkzaam als verhuurder van het kamerverhuurbedrijf [B] B.V. te Utrecht, als getuige te (doen) horen wordt afgewezen, omdat het hof dit niet noodzakelijk vindt. Het hof acht het verzoek om deze persoon als getuige te horen onvoldoende onderbouwd."

4.11. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is, nu de verklaring van [getuige 9] van belang kan zijn voor beantwoording van één van de vragen van art. 348 en 350 Sv.

4.12. Het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 9] is een verzoek als bedoeld in art. 315 Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing is. Aldus geldt ten aanzien van deze getuige het noodzaakcriterium en niet het criterium van het verdedigingsbelang.

4.13. Anders dan de steller van het middel kennelijk van mening is, is aan het noodzaakcriterium niet reeds voldaan als het horen van de getuige van belang kan zijn voor beantwoording van één van de vragen van art. 348 en 350 Sv. Voor het overige geldt dat het oordeel van het Hof dat het horen van de getuige niet noodzakelijk is, in het licht van hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte ter motivering van het verzoek heeft aangevoerd, geenszins onbegrijpelijk is, zodat ook deze klacht faalt.

4.14. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5. Het tweede middel

5.1. Het middel klaagt dat het Hof het verzoek om prof. dr. Bullens dan wel prof. dr. Wagenaar als deskundige te benoemen ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen.

5.2. De raadsvrouwe van de verdachte heeft bij appelschriftuur verzocht prof. dr. Bullens tot deskundige te benoemen. De appelschriftuur houdt dienaangaande het volgende in(2):

"De heer prof. dr. Bullens dan een getuige/deskundige door het Hof te benoemen.

Toelichting

Aangeefster [betrokkene 10] lijdt aan het borderlinesyndroom. Prof. dr. Bullens, die onderzoek heeft gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 7] (slachtoffer in de zaak [medeverdachte 4]), die ook lijdt aan het borderline-syndroom, heeft in die zaak ter zitting als getuige/deskundige gehoord, verklaard dat juist bij mensen die lijden aan een borderlinestoornis, behoedzaamheid op zijn plaats is. De vraagstelling dient kritisch en neutraal te zijn. De verhoren moeten uiterst zakelijk worden gehouden, met distantie. Mensen met borderline zijn kwetsbaar en makkelijk te manipuleren c.q. te beïnvloeden. Ze hebben vaak geen eigen identiteit waardoor ze de schutkleur van de omgeving aannemen. Ze klampen zich vast aan mensen die aardig zijn. Bij deze mensen is de wijze van verhoren van belang voor de betrouwbaarheid van de verklaringen aldus prof. dr. Bullens.

De verdediging merkt op dat de [betrokkene 10] zeer simpel overkomt en de indruk bestaat dat ze de verbalisanten vertelt wat die willen horen. Zij heeft in het opvanghuis voor slachtoffers van loverboys gezeten waar zij met elkaar ervaringen hebben uitgewisseld. (dit zegt zij tijdens haar verhoor in 2005). Het is dus zeer wel mogelijk dat zij de verhalen van anderen (bijvoorbeeld aangifte [getuige 1]) op zich zelf betrekt. Het is ook mogelijk dat zij door haar borderlinesyndroom welwillend is en zich schuldig maakt aan compliance. De verdediging vindt het van belang dat een deskundige onderzoek doet naar de betrouwbaarheid van de door aangeefster afgelegde verklaringen."

5.3. De raadsvrouwe heeft het verzoek bij brief van 16 maart 2009 nader gemotiveerd waarbij zij tevens heeft aangegeven zich te kunnen vinden in het benoemen van prof. dr. Wagenaar als deskundige. De raadsvrouwe heeft het verzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2009 herhaald.

5.4. Het Hof heeft het verzoek bij tussenarrest van 6 april 2009 afgewezen. Het arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Met betrekking tot de benoeming van een getuige-deskundige die zou kunnen rapporteren inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [betrokkene 10] overweegt het hof dat de banden van de verhoren van aangeefster deel uit maken van het dossier. Het hof kan zo nodig de banden bekijken om tot een oordeel te komen over de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Het oordeel daarover is immers aan het hof. Mede gelet op de beslissing om [betrokkene 10] door één van de leden van het hof als raadsheer-commissaris te laten horen in combinatie met een audiovisuele registratie daarvan, ziet het hof geen aanleiding om door een te benoemen getuige-deskundige, zoals door de verdediging verzocht, nader te laten rapporteren omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [betrokkene 10]."

5.5. Het door de raadsvrouwe gedane verzoek is een verzoek als bedoeld in art. 328 in verbinding met art. 330 Sv om gebruik te maken van de in art. 316 lid1 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht, is gebleken.(3)

5.6. Het Hof heeft geoordeeld dat benoeming van de deskundige niet noodzakelijk is. Het Hof acht zich voldoende in staat om zich een oordeel te kunnen vormen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 10], in aanmerking genomen dat [betrokkene 10] door één van de leden van het Hof als raadsheer-commissaris is gehoord en de banden van de verhoren van [betrokkene 10] deel uitmaken van het dossier. Het Hof heeft aldus de juiste maatstaf gehanteerd. In het licht van hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte heeft aangevoerd, is het oordeel niet onbegrijpelijk.

5.7. De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2010 het Hof opnieuw verzocht om prof. dr. Bullens dan wel prof. dr. Wagenaar als deskundige te benoemen en onderzoek te laten doen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 10], mocht het Hof deze verklaringen voor het bewijs gebruiken. Hetgeen de raadsvrouwe ter motivering van het verzoek heeft aangevoerd komt grotendeels overeen met hetgeen de raadsvrouwe ter motivering van het eerste verzoek heeft aangevoerd.

5.8. Het Hof heeft het verzoek afgewezen. Het bestreden arrest houdt dienaangaande het volgende in:

"Het hof wijst het bij pleidooi gedane subsidiaire verzoek om een deskundigenonderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 10] af, omdat dit niet noodzakelijk is. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om de geloofwaardigheid van de verklaringen van [betrokkene 10] te kunnen beoordelen. Door de verdediging is ook eerder om een dergelijk verzoek verzocht, welk verzoek door het hof gemotiveerd was afgewezen. Door de verdediging zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld die tot een dergelijk onderzoek noodzaken."

5.9. Maatstaf voor een verzoek als het onderhavige is wederom of de noodzaak daartoe is gebleken. Het Hof heeft aldus de juiste maatstaf gehanteerd. In aanmerking genomen hetgeen de raadsvrouwe, blijkens de ter terechtzitting overgelegde pleitnota, ter motivering van het verzoek heeft aangevoerd, is het oordeel van het Hof geenszins onbegrijpelijk

5.10. Het middel faalt.

6. Het derde middel

6.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de verklaringen van [betrokkene 10] niet betrouwbaar zijn en dat de verklaringen derhalve niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

6.2. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2010 overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 10] niet betrouwbaar zijn. De raadsvrouwe wijst in haar pleidooi op inconsistenties in de door [betrokkene 10] afgelegde verklaringen en met name op omstandigheden die door [betrokkene 10] voor het eerst bij verhoren in 2007 naar voren zijn gebracht. De raadsvrouwe brengt daarbij naar voren dat [betrokkene 10] lijdt aan een zogenaamd borderlinesyndroom, hetgeen de tegenstrijdigheden zou kunnen verklaren en mogelijk tot gevolg heeft gehad dat [betrokkene 10] bij haar verhoren "welwillend" is geweest "en zich schuldig heeft gemaakt aan compliance".

6.3. Het Hof heeft uitvoerig uiteengezet dat en waarom het de verklaringen van [betrokkene 10] betrouwbaar acht. Het bestreden arrest houdt te dien aanzien het volgende in:

"Het hof hecht - anders dan de verdediging - geloof aan de verklaringen van [betrokkene 10].

- Voor zover zich gebreken in de wijze van verhoren door de politie hebben voorgedaan en in de weergave in een proces-verbaal, acht het hof die - met het openbaar ministerie - niet van zodanige aard of van zodanig gewicht dat daardoor de verklaringen van [betrokkene 10] in hun geheel onbetrouwbaar zouden zijn. De getuige is bovendien daarna nog zowel door de rechter-commissaris als de raadsheer-commissaris als getuige gehoord, zodat bij die gelegenheden eventuele onjuistheden in haar eerdere verklaringen aan de orde gesteld zijn kunnen worden. Voorts heeft het hof opmerkingen van de raadsvrouwe in aanmerking genomen bij de waardering van de processen-verbaal.

- Met de rechtbank is het hof voorts van oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 10] op essentiële punten consistent zijn en authentiek en betrouwbaar overkomen. Het hof is het eens met de volgende motivering van de rechtbank en maakt die tot de zijne:

"De omstandigheid dat [betrokkene 10] in de opeenvolgende verklaringen haar levensverhaal met nieuwe gegevens heeft aangevuld maakt haar verklaring niet ongeloofwaardig.

Daarnaast is er sprake van (schijnbare) inconsistenties op ondergeschikte punten, die de verklaring in zijn geheel niet zonder meer ongeloofwaardig maken.

De rechtbank merkt nog op dat de meest in het oog springende tegenstrijdigheid inmiddels is opgehelderd. Daar waar [betrokkene 10] in haar oorspronkelijke aangifte gedetailleerd verklaart over het in de haast ophalen van haar spullen in Vinkeveen (waarbij zij zegt bijna van de trap te zijn gevallen) leek deze verklaring lijnrecht in strijd met het proces-verbaal van de politie van 18 september 2007. Daarin wordt gerelateerd dat [betrokkene 11] zou hebben verklaard dat niet [betrokkene 10] maar [betrokkene 11] de spullen uit Vinkeveen heeft opgehaald. Uit de onder ede afgelegde verklaring van [betrokkene 11] bij de rechter-commissaris moet worden afgeleid dat de politie dit kennelijk verkeerd heeft begrepen en dit in dit proces-verbaal (dat niet door [betrokkene 11] is ondertekend) onjuist heeft opgetekend. [Betrokkene 11] heeft onder ede verklaard dat [betrokkene 10] is meegereden naar Vinkeveen en de spullen zelf uit het huisje heeft opgehaald. Daarbij heeft zij een verklaring gegeven waaruit volgt dat het relaas van de verbalisanten niet kan kloppen, namelijk omdat zij immers zelf niet wist hoe ze bij het huisje moest komen.

De rechtbank volgt de raadsvrouwe niet in haar bewering dat, daar waar [betrokkene 10] in haar oorspronkelijke aangifte spreekt over het verscheuren van documenten, deze verklaring onjuist moet zijn. De enkele omstandigheid dat een advocaat uit Duitsland in zijn algemeenheid verklaart dat een verblijfsvergunning wordt verstrekt in de vorm van een stempel in een paspoort kan die conclusie niet dragen. In de verklaring spreekt [betrokkene 10] slechts over documenten die kennelijk verband hielden met haar verblijfsvergunning. De verklaring is op dit punt niet erg duidelijk maar dit wekt bij de rechtbank geen twijfel op omtrent het waarheidsgehalte. (...) In het oog springen enige tegenstrijdigheden in de verklaringen van 2005 en 2007. [Betrokkene 10] verklaart in haar oorspronkelijke aangifte na de eerste keer dat zij gevlucht is in december 2004 niet te zijn geslagen door verdachte, terwijl zij in haar latere verhoor op 14 augustus 2007 verklaart dat dit wel is gebeurd. Bij de rechter-commissaris heeft [betrokkene 10] hierover onder ede verklaard dat zij in het tweede verhoor op dit punt gelogen heeft omdat zij boos was, maar dat dit niet wil zeggen dat zij op andere punten waar zij ook spreekt over op haar uitgeoefend geweld ook heeft gelogen.

Daarnaast verklaart zij in 2005, na haar (tweede) vlucht, samen met [betrokkene 12] weer terug te zijn gekeerd naar Nederland, terwijl zij in 2007 zegt dat [betrokkene 12] toen in Duitsland is gebleven. Daarnaar gevraagd bij de rechter-commissaris heeft [betrokkene 10] gezegd dat [betrokkene 12] op dat moment inderdaad nog in Duitsland is gebleven. De rechtbank is van oordeel dat de oorzaak voor deze tegenstrijdigheid is gelegen in de te algemene bewoordingen waarin de eerste aangifte op dit punt is opgesteld. Voorts is een tegenstrijdigheid gelegen in de omstandigheid dat [betrokkene 10] in de oorspronkelijke aangifte heeft verklaard dat zij, toen zij naar Nederland is gekomen rechtstreeks door [betrokkene 13] naar het Zandpad is gebracht. Bij de rechter-commissaris heeft zij onder ede verklaard dat zij op dit punt gelogen heeft, omdat zij aanvankelijk dacht dat de politie niet zou geloven dat zij uiteindelijk gedwongen werd te werken, indien zij zou hebben verklaard dat zij aanvankelijk vrijwillig naar Nederland was gekomen om in de prostitutie te werken.

De rechtbank is van oordeel dat vorenbedoelde afwijkingen in de verklaringen als tegenstrijdigheden geduid moeten worden, maar dat, gelet op de uitleg die daaraan gegeven is, geen sprake is van zodanige inconsistenties dat de verklaring van de getuige in haar geheel als ongeloofwaardig terzijde gesteld moet worden."

- [Betrokkene 10] is op 29 maart 2010 door de raadsheer-commissaris gehoord. Van dat verhoor zijn, zoals met de verdediging ook was afgesproken, beeld- en geluidsopnamen gemaakt. Daarbij heeft zij haar eerdere verklaringen op essentiële onderdelen herhaald en bevestigd.

Kennisname van de dvd van het verhoor van 29 maart 2010 geeft het hof voorts voldoende aanleiding voor het oordeel dat de getuige haar verklaring naar waarheid heeft afgelegd.

De verklaringen van [betrokkene 10] vinden voorts voldoende steun in bewijsmiddelen die (mede) uit andere bron afkomstig zijn. Het hof wijst - naast op de verklaringen van verdachte over contacten met [betrokkene 10] - in het bijzonder op het volgende:

- De verklaringen van [betrokkene 14], die erop neerkomen dat zij [betrokkene 10] van een foto herkende als [betrokkene 10], een Italiaans meisje dat wel eens bij haar was geweest voor een kamer, dat ze een erg ongelukkige indruk op haar maakte, dat [betrokkene 14] haar vaak zag huilen en dat ze bijna alle dagen per week werkte, dat ze erg onrustig was en veel en lang werkte, dat ze wel eens zei dat ze niet genoegd verdiende en dat ze heel af en toe iets liet vallen van "Hij heeft net het geld opgehaald".

- De verklaring van [getuige 2], die erop neerkomt dat [betrokkene 10] haar bekend is als [betrokkene 10], dat [betrokkene 10] een vrouw is van [betrokkene 15], dat zij per dag voor hem 1000 euro moest verdienen met werken als prostituee, dat ze haar verdiende 1000 euro per dag moest afgeven aan verdachte, wat [betrokkene 10] haar zelf had verteld, dat ze haar kende van het Zandpad, dat ze ook in Vinkenveen heeft gewoond, dat ze haar kende omdat ze een werkkamer gedeeld hebben. Hieraan doet niet af dat [betrokkene 10] in haar verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard "[getuige 2]" niet te kennen.

- Het hof heeft verder acht geslagen op de verklaringen van de getuige [betrokkene 11], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris (op 7 januari 2008 en 27 januari 2010). De verklaringen zijn op essentiële punten eensluidend en naar het oordeel van het hof betrouwbaar. De getuige, die schoonmaakster was op "Het Zandpad" in Utrecht, het prostitutiegebied aldaar, kende [betrokkene 10] van het werk. Ze heeft verklaard over de manier waarop [betrokkene 10] is gevlucht en hoe zij haar op haar verzoek daarbij geholpen heeft. [Betrokkene 10] had tegen haar gezegd dat ze bang was voor haar vriend en daarom weg wilde."

6.4. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof geheel voorbij is gegaan aan het argument dat [betrokkene 10] lijdt aan een borderlinestoornis, terwijl dit "het belangrijkste argument" was waarmee de onbetrouwbaarheid van haar verklaringen door de verdediging was onderbouwd. Ik begin met dat laatste. Het Hof heeft het door de raadsvrouwe aangevoerde kennelijk en niet onbegrijpelijk niet zo opgevat dat het beroep op de borderlinestoornis daarin het belangrijkste argument vormde. Die uitleg zou hebben betekend dat het verweer neerkwam op de mijns inziens onhoudbare stelling dat de borderlinestoornis zonder meer meebrengt dat geen enkele verklaring van [betrokkene 10] betrouwbaar kan worden geacht. De uitleg die kennelijk door het Hof is gevolgd, namelijk dat vanwege de borderlinestoornis extra behoedzaamheid is vereist bij de waardering van de tegenstrijdige verklaringen van [betrokkene 10], lijkt mij dan ook niet meer dan redelijk.

6.5. Dat het Hof aan het aldus verstane verweer geheel is voorbijgegaan, mist dan ook feitelijke grondslag. Het Hof stelt voorop dat het de opmerkingen van de raadsvrouwe in aanmerking heeft genomen bij de waardering van de processen-verbaal. Bij die opmerkingen moet ook - zo niet in de eerste plaats - gedacht worden aan hetgeen met betrekking tot de psychische gesteldheid van aangeefster is aangevoerd. Het Hof heeft vervolgens uiteengezet waarom het - ondanks de mogelijke borderlinestoornis - de verklaringen van [betrokkene 10] betrouwbaar acht. Daarbij gaat het Hof in op de gesignaleerde tegenstrijdigheden en wijst het op het aanwezige steunbewijs. Dat het Hof bij die werkwijze niet afzonderlijk is ingegaan op het argument van de stoornis, is niet onbegrijpelijk. Opmerking verdient in dit verband dat het Hof niet gehouden is om bij niet aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie in te gaan.

6.6. Voor het overige geldt dat de overwegingen van het Hof niet onbegrijpelijk zijn. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

6.7. Voor zover het middel voorts nog de klacht behelst dat de verklaringen die het Hof aanhaalt ter ondersteuning van de verklaringen van [betrokkene 10], niet in de aanvulling op het arrest zijn opgenomen, mist het eveneens feitelijke grondslag.

6.8. Het middel faalt.

7. Het vierde middel

7.1. Het middel keert zich met meerdere klachten tegen de motivering van de bewezenverklaring onder 1B met betrekking tot [betrokkene 16].

7.2. Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 1B, voor zover hier van belang, bewezenverklaard dat:

"hij in of omstreeks de periode 1 januari 2005 tot en met 7 februari 2007 te Utrecht en/of Amsterdam en/of te Den Haag en/of te Alkmaar en/of Haarlem en/of Vinkeveen en/of Assendelft en/of elders in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Turkije,

(...)

- [Betrokkene 10] en [betrokkene 16] en [betrokkene 17] door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheid en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht [betrokkene 10] en [betrokkene 16] en [betrokkene 17] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid

en

- opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de uitbuiting van [betrokkene 10] en [betrokkene 16] en [betrokkene 17];

en

- die [betrokkene 10] en [betrokkene 16] en [betrokkene 17] door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht die [betrokkene 10] [betrokkene 16] en [betrokkene 17] heeft gedwongen dan wel bewogen hem, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van die [betrokkene 10] [betrokkene 16] en [betrokkene 17], met of voor een derde;

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

(...)

(met betrekking tot [betrokkene 16]) (in voornoemde periode)

- [betrokkene 16] als prostituee laten werken en

- [betrokkene 16] gedwongen, althans bewogen, om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie en

- [betrokkene 16] gedwongen, althans bewogen, om (een (groot) deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem verdachte af te staan en/of af te dragen en/of

- [betrokkene 16] (voortdurend) gecontroleerd en

- [betrokkene 16] meermalen geslagen; en

- [betrokkene 16] één of meermalen bedreigd [betrokkene 16] iets aan te doen; en

- [betrokkene 16] verboden, (althans bewogen, geen, althans weinig,) contact te hebben met haar vriendin(nen) en/of familie."

7.3. Het Hof heeft, voor zover hier van belang, voorts nog het volgende overwogen(4):

"Feit 1B: mensenhandel ten opzichte van [betrokkene 16] (werknaam: [C])

Aan verdachte wordt - kort gezegd - ten laste gelegd mensenhandel met betrekking tot [betrokkene 16] en wel in de periode 1 januari 2005 tot en met 7 februari 2007 te Utrecht en/of te Amsterdam en/of te Den Haag en/of te Alkmaar en/of Haarlem en/of Vinkeveen en/of Assendelft en/of elders in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Turkije.

De rechtbank heeft verdachte van het ten laste gelegde feit vrijgesproken. Het OM heeft in hoger beroep gerequireerd tot bewezenverklaring. De verdediging heeft verzocht om vrijspraak; verdachte ontkent de beschuldiging.

[Betrokkene 16] is in hoger beroep opnieuw als getuige gehoord. Bij die gelegenheid heeft zij - anders dan eerder tegenover de rechter-commissaris - een voor verdachte belastende verklaring afgelegd. Op 10 september 2007 heeft zij tegenover de rechter-commissaris - kort samengevat - verklaard dat alles wat zij deed vrijwillig was, dat zij één keer door verdachte geslagen was en dat zij niet het door haar verdiende geld behoefde af te dragen aan verdachte. In haar op 3 september 2010 in München afgelegde verklaring heeft zij evenwel verklaard - kort gezegd - dat haar bijnaam "[C]" was, dat het meestal verdachte was die bepaalde hoe het door haar verdiende geld werd verdeeld, dat hij over het meeste geld beschikte, dat het verdachte was die bepaalde dat zij geld aan zijn familieleden moest schenken en dat verdachte haar vaker had geslagen en bedreigd als zij weg wilde gaan. Van dit verhoor is een dvd-opname gemaakt waarvan door het hof kennis is genomen.

Anders dan de verdediging acht het hof de op 3 september 2010 afgelegde verklaring geloofwaardig en niet haar verklaring van 10 september 2007. Het hof acht die verklaring van 3 september 2010 onder meer authentiek vanwege de volgende omstandigheden:

- De door [betrokkene 16] gegeven verklaring voor de reden waarom zij eerder als getuige onder ede anders had verklaard, namelijk dat zij toen nog in het "systeem" van verdachte zat. Dat hield - kort gezegd - in dat hij haar isoleerde van anderen en haar van hem afhankelijk maakte.

- [Betrokkene 16] verklaarde in de zomer van 2009 naar Turkije gegaan te zijn, kennelijk omdat zij bepaalde gevoelens had ten opzichte van verdachte. Er heeft toen een informeel huwelijk plaats gevonden. De getuige heeft verklaard dat aanvankelijk alles koek en ei was, maar dat verdachte daarna weer agressief werd.

- [Betrokkene 16] verklaarde dat het haar niet zwaar viel om een voor verdachte belastende verklaring af te leggen, omdat het tijd was dat de waarheid uitkwam en dat verdachte zich ten onrechte altijd als slachtoffer beschouwde, terwijl hij dat volgens haar niet was.

- Toen haar telefoongesprekken werden voorgehouden waaruit naar voren kwam dat zij niet naar "huis" wilde gaan maar verder wilde werken, verklaarde [betrokkene 16] dat zulks klopte en dat zij dat deed om zoveel mogelijk uit de nabijheid van verdachte te blijven.

- [Betrokkene 18] heeft ter terechtzitting als getuige gehoord onder meer verklaard dat zij indertijd - dat was in de periode na aanhouding van verdachte - van [betrokkene 16] gehoord had dat het geld bij de ouders van verdachte thuis was, dat zij dagelijks gesmeekt werd om niet meer te gaan werken, hetgeen zij hoorde omdat zij aanwezig was bij die telefoontjes en dat zij probeerde om haar geld terug te krijgen. Het hof ziet hierin mede een bevestiging van de verklaring van [betrokkene 16] over de tenlastegelegde periode in verband met de opmerking van [betrokkene 16] dat zij in september 2007 opgesloten zat in het "systeem" van verdachte.

Kennisname van de DVD van het verhoor van 3 september 2010 geeft het hof voorts voldoende aanleiding voor het oordeel dat de getuige haar verklaring naar waarheid heeft afgelegd.

De verklaring van [betrokkene 16] die zij op 3 september 2010 heeft afgelegd vindt in voldoende mate steun in bewijsmiddelen uit andere bron. Het hof wijst - naast op de verklaringen van verdachte over contacten met [betrokkene 16] - in het bijzonder op het volgende:

Uit opgenomen telefoongesprekken tussen [betrokkene 16] en verdachte leidt het hof onder meer af dat [betrokkene 16] in de prostitutie werkte, dat verdachte haar regelmatig belde in verband met haar werkzaamheden en er over geld werd gesproken.

In een opgenomen telefoongesprek op 28 oktober 2006 tussen verdachte en [medeverdachte 4] wordt - kort gezegd - het volgende gezegd: [medeverdachte 4] vraagt welk meisje nu voor [verdachte] in Amsterdam werkt. [Verdachte] antwoordt [C], [C]. [Verdachte] vraagt of zij het geld heeft gestuurd aan [betrokkene 19].

Voor zijn overtuiging acht het hof in dit verband voorts onder meer een opgenomen telefoongesprek van 28 november 2006 tussen verdachte en "[betrokkene 20]" van belang. Kort gezegd houdt dat in: [verdachte] wil dat [betrokkene 20] hier iets aan doet. [Verdachte] vindt dat [betrokkene 20] te goed is voor zijn meisje. Het meisje is telkens vrij. [Verdachte] vindt dat het meisje moet werken. [Betrokkene 20] gaat zorgen dat het meisje de voeten kust van [verdachte].

Aan het voorgaande doet niet af de omstandigheid dat er telefoongesprekken zijn geweest waarin [betrokkene 16] en verdachte op vriendelijke en gezellige toon met elkaar hebben gesproken, zoals door de raadsvrouwe aangevoerd.

Het hof acht bewezen dat verdachte de volgende in de tenlastelegging feitelijk omschreven gedragingen bewezen heeft begaan:

- [betrokkene 16] als prostituee laten werken en

- [betrokkene 16] gedwongen, althans bewogen, om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie en

- [betrokkene 16] gedwongen, althans bewogen, om (een (groot) deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem verdachte af te staan en/of af te dragen en

- [betrokkene 16] (voortdurend) gecontroleerd en

- [betrokkene 16] één of meermalen geslagen en

- [betrokkene 16] één of meermalen bedreigd [betrokkene 16] iets aan te doen en

- [betrokkene 16] verboden, (althans bewogen, geen, althans weinig,) contact te hebben met haar vriendin(nen) en/of familie.

Het hof acht bewezen dat er met betrekking tot [betrokkene 16] sprake is van door dwang en/of geweld en/of andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid dwingen of bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten; het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting; door dwang en/of geweld en/of andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid dwingen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen."

7.4. Het middel behelst ten eerste de klacht dat de bewezenverklaring voor zover behelzende dat de verdachte [betrokkene 16] tot de bewezenverklaarde gedragingen heeft gedwongen.

7.5. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. [betrokkene 16] heeft voor verdachte in de prostitutie gewerkt. Verdachte regelde de kamers van waaruit [betrokkene 16] werkte. [Betrokkene 16] werkte zes tot zeven dagen per week als prostituee. Het was verdachte die bepaalde wanneer zij werkte. [Betrokkene 16] deed wat verdachte van haar verwachtte. Zij was bang voor verdachte, omdat hij had gedreigd haar of haar familie iets aan te doen. Verdachte isoleerde [betrokkene 16] van haar familie en vrienden. Zij mocht buiten verdachte met niemand haar gedachten delen. Verdachte was een controlfreak. Hij wilde alles weten; wanneer [betrokkene 16] opstond, sliep, at, douchte. Verdachte bepaalde hoe het geld dat [betrokkene 16] verdiende, werd verdeeld. Zij kon niet vrijelijk over het door haar verdiende geld beschikken. [Betrokkene 16] bevond zich in het systeem van verdachte wat zoveel betekende dat verdachte haar volledig isoleerde en hij haar als het ware voor zichzelf had, als een marionet.

7.6. Uit de bewijsmiddelen kan onmiskenbaar worden afgeleid dat [betrokkene 16] door verdachte werd gedwongen dan wel bewogen om het door haar verdiende geld (grotendeels) aan hem af te staan. In het middel wordt aangevoerd dat [betrokkene 16] heeft verklaard dat zij het geld vrijwillig aan verdachte afstond en dat er derhalve geen sprake was van dwang. Uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 16] volgt echter wat zij met vrijwillig bedoelde. Deze verklaring houdt te dien aanzien het volgende in:

"Raadsheer-commissaris: Die vraag over vrijwilligheid. U heeft net verklaard, bijvoorbeeld, dat hij meestal bepaalde hoe het geld werd verdeeld en toen heeft u herhaald dat het toch vrijwillig was dat u hem geld gaf. Dat begrijp ik niet goed, kunt u dat ...

Getuige: Ja, dat is een beetje tegenstrijdig. Het was natuurlijk vrijwillig. Maar hij kon alles zo ..., zeg maar, hoe moet ik het uitleggen, ja, hij bracht de manier waarop hij het zag over op de andere persoon en je kreeg dan als het ware zijn gedachten en hij heeft het werkelijk voor elkaar gekregen om je te isoleren, volledig. Ik weet niet...

Raadsheer-commissaris: En toch spreekt u zelf nog over vrijwilligheid?

Getuige: Ja.

Duitse rechter: Misschien gaat het nu om de definitie van het woord vrijwillig. Ik begrijp u zo dat hij het geld niet van u heeft gekregen door u een pak slaag te geven. Dat niet, nee.

Getuige: Dat niet nee.

Duitse rechter: Hij heeft besloten dat u dat geld aan hem moest betalen en toen heeft u het hem vrijwillig gegeven, maar u onderwierp zich daarbij aan zijn beslissing.

Getuige: Ja.

Duitse rechter: Het was niet zo dat u op het idee was gekomen: ik heb vandaag 1.500 euro verdiend en dat geef ik allemaal aan mijn geliefde [verdachte]. Maar hij had besloten dat hij dat geld kreeg en u was het daar tegen wil en dank mee eens.

Getuige: Juist."

Uit deze verklaring volgt dat [betrokkene 16] het geld niet eigener beweging aan verdachte afstond, maar dat de verdachte haar hiertoe aanzette. De klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte [betrokkene 16] ertoe heeft bewogen om het door haar verdiende geld aan hem af te staan nu [betrokkene 16] heeft verklaard dat zij dit vrijwillig deed, faalt derhalve.

7.7. Voor zover de klacht over het ontbreken van dwang betrekking heeft op het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van arbeid, geldt het volgende. [Betrokkene 16] verklaarde blijkens de bewijsmiddelen dat zij "dit werk" (prostitutie) deed voordat zij verdachte leerde kennen, dat zij dit werk deed in de tijd dat zij hem kende en dat zij dit werk nog steeds doet. Ook verklaarde zij dat zij niet met tegenzin in de prostitutie zat, dat zij nooit gedwongen is geweest haar werk te doen en dat zij haar werk altijd vrijwillig had gedaan. Ook verklaarde zij dat verdachte op een gegeven moment wilde dat zij stopte met werken maar dat dat "gewoon puur egoïsme" was van zijn kant. Van enige dwang lijkt aldus geen sprake te zijn geweest. Toch meen ik dat het Hof de bewezenverklaarde dwang uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. De bewijsmiddelen houden namelijk ook in dat [betrokkene 16] zes tot zeven dagen per week van verdachte moest werken, dat het verdachte was die haar werktijden bepaalde en dat zij niet vrij kon nemen om bijvoorbeeld een dagje te gaan winkelen. Dat betekende dat [betrokkene 16] zich ook op dagen dat zij dat niet wilde beschikbaar moest stellen voor het bedrijven van prostitutie. Daar werd zij dus toe gedwongen.

7.8. Voorts klaagt het middel dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte [betrokkene 16] heeft gedwongen, althans bewogen, om vele uren achter elkaar te werken. Inderdaad vermelden de bewijsmiddelen niet expliciet dat [betrokkene 16] vele uren achtereen moest werken. Zulks kan mijns inziens echter wel uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Die houden immers in dat het verdachte was die bepaalde wanneer [betrokkene 16] werkte en dat [betrokkene 16] zes tot zeven dagen per week moest werken. Het Hof kon daaruit opmaken dat het daarbij om hele dagen ging, dagen die bestonden uit een groot aantal aaneengesloten werkuren. Dat [betrokkene 16] heeft verklaard dat verdachte soms wilde dat zij naar huis zou komen, maar dat zij liever wilde blijven werken, omdat ze niet bij hem in de buurt wilde zijn, doet daaraan niet af. Hier geldt iets soortgelijks als in het vorige punt werd opgemerkt. Beslissend is dat [betrokkene 16] niet de vrijheid had om minder uren te werken dan verdachte wilde. Dat zij soms meer uren wilde werken, maakt dat niet anders.(5)

7.9. Het middel behelst tevens de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat, zoals het Hof heeft bewezenverklaard, verdachte [betrokkene 16] één of meermalen heeft geslagen. Uit de door het Hof in de aanvulling op het verkorte arrest weergegeven bewijsmiddelen kan dit inderdaad niet worden afgeleid. Uit 's Hofs nadere bewijsoverweging volgt echter dat het Hof dit heeft afgeleid uit de op 3 september 2010 door [betrokkene 16] in München afgelegde verklaring. Aldus heeft het Hof met voldoende mate van nauwkeurigheid aangegeven waaraan het dit heeft ontleend. De klacht faalt daarom.

7.10. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

8. Alle middelen falen en kunnen, behoudens de eerste klacht van het eerste middel, worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte 4] (11/00025), [medeverdachte 1] (11/00026) en [medeverdachte 3] (11/03941), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

2 Omwille van de leesbaarheid laat ik de voetnoten hier achterwege.

3 Vgl. HR 14 december 2010, LJN BO2966, NJ 2011/313 m. nt. J.M. Reijntjes.

4 Omwille van de leesbaarheid laat ik de voetnoten hier achterwege.

5 Indien de Hoge Raad daarover anders mocht denken, kan hij ermee volstaan de bestreden uitspraak in zoverre vernietigen en de verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde voor wat betreft het dwingen, althans bewegen, van [betrokkene 16] om vele uren achter elkaar te werken. De aard en ernst van hetgeen overigens is bewezenverklaard wordt hierdoor niet aangetast (HR 6 maart 2012, LJN BQ8596, NJ 2012/176).