Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4102

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
11/00026
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4102
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Motivering opgelegde gb. De in het middel vervatte opvattingen dat de strafrechter bij het bepalen van de hoogte van de gb die hij overweegt op te leggen rekening dient te houden met de mogelijkheid dat een eventueel in te stellen vordering tot ontneming van wvv leidt tot toewijzing van die vordering en dat de rechter bij het bepalen van de hoogte van de gb moet motiveren waarom een (mogelijke) toekomstige ontneming van wvv de verdachte niet onevenredig zal treffen in zijn inkomen of vermogen vinden geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1122
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00026

Mr. Knigge

Zitting: 29 mei 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 20 december 2010 verdachte wegens 1A. "een ander door feitelijkheid dwingen en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt, terwijl de feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen" en wegens 3A en 3B "voortgezette handeling van: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en 9 maanden en een geldboete van € 25.000,-, subsidiair 160 dagen hechtenis.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.(1)

3. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, zeven middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof een verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

4.2. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte nu in het vooronderzoek geheimhoudersgesprekken zijn opgenomen en dat deze opnames niet terstond zijn vernietigd. Het Hof heeft het verweer verworpen en daartoe - kort gezegd - overwogen dat er sprake is van vormverzuimen die niet meer kunnen worden hersteld, maar dat dit niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie leidt. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het niet aannemelijk is geworden dat het schenden van de regels ten aanzien van het opnemen en de vernietiging van de geheimhoudersgesprekken doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is gebeurd. De verklaring van de getuige [getuige 8] wijst er, volgens het Hof, veeleer op dat men in een aantal gevallen door een gebrek aan kennis van de procedures foutief heeft gehandeld. Voorts overweegt het Hof dat het niet heeft kunnen vaststellen en het ook niet aannemelijk acht dat de inhoud van de geheimhoudersgesprekken is gebruikt voor de sturing van het onderzoek of een BOB-aanvraag. Het Hof betrok in zijn oordeel dat het niet telkens meteen duidelijk is/kan zijn geweest dat een getapt gesprek een geheimhoudersgesprek betrof en dat er geen sprake is van een grootschalige en stelselmatige inbreuk op het recht om vertrouwelijk te kunnen communiceren met een geheimhouder.

4.3. Het middel berust op de opvatting dat gebrek aan kennis omtrent de procedures primair moet worden aangemerkt als doelbewust handelen en minst genomen moet worden aangemerkt als grove veronachtzaming van de rechten van de verdediging. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht, zodat het middel faalt.

5. Het tweede middel

5.1. Het middel keert zich tegen de motivering van het onder 1A bewezenverklaarde feit.

5.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1A bewezenverklaard dat:

"hij in de periode 1 oktober 2000 tot en met 31 december 2004 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander

- [betrokkene 3], (telkens) door één of meer feitelijkheden en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met (of voor) een derde tegen betaling en/of onder voornoemde omstandigheid/heden enige handeling hebben ondernomen waarvan verdachte en zijn mededader wisten, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat [betrokkene 3] zich daardoor tot het verrichten van die seksuele handelingen beschikbaar stelde;

(met betrekking tot [betrokkene 3]) (in voornoemde periode)

- [betrokkene 3] als prostituee laten werken en

- [betrokkene 3] van/naar haar werkplek gebracht en

- [betrokkene 3] gedwongen, althans bewogen, om (een (groot) deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem verdachte en/of zijn mededader af te staan en/of af te dragen."

5.3. Het middel behelst de klacht dat het Hof in zijn nadere bewijsoverweging heeft overwogen dat verdachte moet hebben beseft dat [betrokkene 3] niet in de prostitutie wilde werken, maar dat het Hof heeft verzuimd aan te geven waaraan het dit heeft ontleend.

5.4. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [betrokkene 3] van [betrokkene 4] woonruimte kreeg aangeboden boven het café van verdachte, dat zij niets voor deze kamer hoefde te betalen, dat [betrokkene 3] in juli 2003 van [betrokkene 4] te horen kreeg dat zij in de prostitutie moest gaan werken, dat zij dat niet wilde en haar spullen is gaan pakken, maar dat [betrokkene 4] haar sloeg en haar niet liet gaan, dat [betrokkene 4] tegen [betrokkene 3] zei dat ze niets te willen had en dat zij moest gaan werken als prostituee, dat [betrokkene 4] een raam voor haar huurde, dat [betrokkene 4] in de buurt bleef, dat verschillende klanten zijn gekomen, maar dat [betrokkene 3] de deur niet voor hen heeft opengedaan, dat dit ruzie met [betrokkene 4] opleverde en dat hij haar sloeg, dat [betrokkene 4] haar toen naar de vriendin van verdachte heeft gebracht, dat deze vriendin ook prostituee was en dat [betrokkene 3] van haar moest leren hoe alles verliep, dat [betrokkene 4] op [betrokkene 3] heeft ingepraat en dat ook verdachte met haar heeft gesproken, waarbij hij haar zei dat het niet zo moeilijk was, dat zij gewoon het geld moest pakken en dat het na tien minuten was gebeurd, dat een klant bij [betrokkene 3] is gekomen, maar dat zij begon te huilen en dat de klant vervolgens is weggelopen, dat zij daarop weer klappen kreeg van [betrokkene 4], dat [betrokkene 4] en verdachte de volgende dag met elkaar hebben gesproken en dat zij verdachte hoorde zeggen dat zij dan maar in een club moest, dat zij door verdachte en [betrokkene 4] naar een club werd gebracht, dat verdachte heeft gesproken met de persoon die daar achter de bar stond, dat zij vervolgens van hen beide te horen kreeg dat zij daar moest blijven en dat [betrokkene 3] bij de club als prostituee heeft gewerkt.

5.5. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof zonder meer kunnen afleiden dat verdachte moet hebben beseft dat [betrokkene 3], die weigerde om de deur voor klanten open te doen en die daarom op initiatief van verdachte en [betrokkene 4] in een club te werk werd gesteld, niet in de prostitutie wilde werken.

5.6. Het middel faalt derhalve.

6. Het derde middel

6.1. Het middel keert zich tegen de motivering van het onder 3B bewezenverklaarde feit.

6.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 3B bewezenverklaard dat:

"hij in of omstreeks de periode van april 2006 tot en met 7 februari 2007 te Amsterdam en te Utrecht en Den Haag en Alkmaar en Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen en elders in Nederland en Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, onder meer bestaande uit verdachte en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en een of meer anderen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van

- mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a Wetboek van Strafrecht (oud) en/of 273a Wetboek van Strafrecht (oud) en/of 273f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het sexueel uitbuiten van vrouwen (prostituees); en

- (zware) mishandeling, als bedoeld in artikel 300 en/of 302 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die zware mishandeling onder ander bestond uit het slaan, stompen, schoppen van (meerdere) personen (prostituees, klanten van prostituees en pooiers); en

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht/bedreiging met zware mishandeling als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en klanten van prostituees); en/of

- afpersing als bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees)."

6.3. Het middel behelst ten eerste de klacht dat het onder 3B bewezenverklaarde opzet niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

6.4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 november 1997 (LJN ZD0858, NJ 1998/225, m. nt. J. de Hullu) geoordeeld dat voor "deelneming" in de zin van art. 140 Sr voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

6.5. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende beeld naar voren. Verdachte maakt deel uit van een groep mannen.(2) De mannen hebben nauw contact met elkaar.(3) Zij dwingen vrouwen om voor hen in de prostitutie te werken en het door hen verdiende geld (grotendeels) aan leden van de groep af te staan.(4) De mannen regelen werkkamers voor de vrouwen en zij houden de vrouwen nauwgezet in de gaten.(5) De vrouwen worden door de leden van de groep bedreigd en veelvuldig en op grove wijze mishandeld.(6) Een van de vrouwen verklaart dat zij door één van de leden van de groep, [medeverdachte 4], in elkaar is geslagen, dat hij haar in blinde woede vijf minuten lang met zijn vuisten heeft geslagen en dat hij een keer heeft geprobeerd om haar middelvinger te breken.(7) Ook prostituees die niet voor de groep werkzaam zijn, worden geïntimideerd en mishandeld.(8) Prostituees of hun pooiers moeten protectiegeld aan de groep betalen.(9) Er zijn loopjongens die boodschappen moeten doen voor de meisjes en die klanten in elkaar moeten slaan als dat nodig is.(10) Daarnaast heeft de groep bodyguards in dienst.(11) Wanneer één van deze jongens wil stoppen met zijn werk voor de organisatie en naar de politie gaat om zijn verhaal te doen, wordt deze door leden van de groep bedreigd.(12)

Uit de bewijsmiddelen kan voorts worden afgeleid dat de verdachte actief deelneemt aan de activiteiten van de organisatie. Verdachte heeft twee vrouwen die voor hem werkzaam zijn in de prostitutie en hij heeft een vrouw bedreigd dat zij voor hem moest werken.(13) Een loopjongen heeft in opdracht van verdachtes broer [medeverdachte 4] een prostituee bedreigd omdat zij geld aan verdachte en zijn broer moest geven.(14) Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte nauw betrokken is bij het reilen en zeilen van de organisatie.(15) Uit de verklaring van [getuige 6] volgt bijvoorbeeld dat verdachte en een ander lid van de organisatie de ruiten van de werkkamer van een prostituee hebben ingegooid en de prostituee onder druk hebben gezet om haar of haar kamer te krijgen.(16) En uit de tot het bewijs gebezigde tapverslagen kan worden afgeleid dat de verdachte zicht houdt op het aantal klanten dat een prostituee per dag heeft en dat hij zich bemoeit met het geld dat aan een bodyguard moet worden betaald.(17)

Aldus kan uit de bewijsmiddelen zonder meer worden afgeleid dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

6.6. Het middel behelst voorts de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte in Duitsland heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Uit een tot het bewijs gebezigd tapverslag (bewijsmiddel 86) volgt dat verdachte aan [betrokkene 5] de opdracht geeft om tegen [betrokkene 6] te zeggen dat hij hierheen moet komen, dat met "hierheen" Mannheim wordt bedoeld en dat [betrokkene 6] in Mannheim 1.500 euro zal ontvangen. Uit de overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [betrokkene 6] als bodyguard werkzaam is voor de organisatie. De klacht faalt eveneens.

6.7. Het middel faalt.

7. Het vierde middel

7.1. Het middel keert zich tegen de motivering van de bewezenverklaring onder - naar ik meen te mogen begrijpen - 1A.

7.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 1A bewezenverklaard dat:

"hij in de periode 1 oktober 2000 tot en met 31 december 2004 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander

- [betrokkene 3], (telkens) door één of meer feitelijkheden en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met (of voor) een derde tegen betaling en/of onder voornoemde omstandigheid/heden enige handeling hebben ondernomen waarvan verdachte en zijn mededader wisten, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat [betrokkene 3] zich daardoor tot het verrichten van die seksuele handelingen beschikbaar stelde;

(met betrekking tot [betrokkene 3]) (in voornoemde periode)

- [betrokkene 3] als prostituee laten werken en

- [betrokkene 3] van / naar haar werkplek gebracht en

- [betrokkene 3] gedwongen, althans bewogen, om (een (groot) deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem verdachte en/of zijn mededader af te staan en/of af te dragen."

7.3. Het middel behelst de klacht dat het bestreden arrest innerlijk tegenstrijdig is, nu het Hof enerzijds heeft overwogen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte zich bewust was van de bedoelingen van [betrokkene 4] met [betrokkene 3] toen hij de kamer boven het café ter beschikking stelde, noch van geweld of bedreigingen of feitelijkheden door [betrokkene 4] ten opzichte van [betrokkene 3] dan wel de kans daarop en het Hof het medeplegen van betreffende gedragingen van [betrokkene 4] niet bewezen acht, en het Hof anderzijds ten laste van verdachte heeft bewezenverklaard dat hij tezamen en in vereniging met een ander [betrokkene 3] door één of meer feitelijkheden en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen. Nu verdachte en [betrokkene 4] geen identiek opzet hadden, zou van medeplegen geen sprake kunnen zijn.

7.4. De klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Ten aanzien van de bewezenverklaarde gedragingen was wel sprake van een gezamenlijk opzet (zie de bespreking van het tweede middel). En dat is voor medeplegen voldoende.

7.5. Het middel faalt.

8. Het vijfde middel (in de schriftuur kennelijk per abuis aangeduid als middel 4)

8.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd de dagvaarding ten aanzien van feit 3A en 3B nietig te verklaren wegens innerlijke tegenstrijdigheid.

8.2. De klacht kan niet tot cassatie leiden omdat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd.(18)

8.3. Het middel faalt.

9. Het zesde middel (in de schriftuur kennelijk per abuis aangeduiid als middel 5)

9.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof geen rechtsmacht had ten aanzien van de feiten 3A en 3B voor zover deze feiten in Duitsland zijn gepleegd.(19)

9.2. De tenlastelegging houdt in dat de feiten 3A en 3B behoudens te Amsterdam en/of te Utrecht en/of Den Haag en/of Alkmaar en/of Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen en/of elders in Nederland tevens in Duitsland zijn begaan. Het in het bestreden arrest besloten liggende oordeel van het Hof dat de Nederlandse strafwet op deze feiten van toepassing is, is, gelet op HR 2 februari 2010 (LJN BK6328, NJ 2010, 89), juist.

9.3. Het middel faalt.

10. Het zevende middel (in de schriftuur kennelijk per abuis aangeduid als middel 6)

10.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof bij de vaststelling van de aan verdachte op te leggen geldboete onvoldoende rekening heeft gehouden met de draagkracht van verdachte.

10.2. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte ten koste van de belangen van anderen persoonlijk financieel gewin heeft nagestreefd. Het hof acht uit een oogpunt van vergelding en preventie daarom in verband met het onder 3A en 3B bewezen verklaarde feit - en dus ongeacht een mogelijke veroordeling van verdachte tot betaling van een bedrag dat strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel - met toepassing van art. 9, derde lid, Sr naast oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegging van een geldboete geboden. Bij de bepaling van de hoogte heeft het hof rekening gehouden met het beperkte aandeel van verdachte in de mensenhandel met betrekking tot [betrokkene 3] en het aandeel van verdachte in de criminele organisatie. Het heeft voorts op de voet van art. 24 Sr rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte niet in staat is de boete te betalen.

Beslissing

Het hof:

(...)

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 160 (honderdzestig) dagen hechtenis."

10.3. Ingevolge art. 24 Sr dient de rechter bij de vaststelling van de geldboete rekening te houden met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin dat nodig is met het oog op een passende bestraffing van de verdachte zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen.

10.4. Het Hof heeft aan de verdachte een geldboete opgelegd van € 25.000,-. Uit 's Hofs motivering volgt voorts dat het van oordeel is dat de verdachte, nog afgezien van het geld dat de verdachte uit misdrijf heeft verkregen, over voldoende middelen beschikt om de boete te voldoen. Het Hof heeft niet nader gemotiveerd waarop het zijn oordeel baseert dat de verdachte beschikt over voldoende niet door misdrijf verkregen vermogen of inkomsten. Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep blijkt voorts dat de draagkracht van de verdachte aldaar niet ter sprake is gekomen. Ik merk daarbij op dat de OvJ in eerste aanleg een ontnemingsvordering heeft aangekondigd(20), dat de Rechtbank geen geldboete heeft opgelegd en dat de Advocaat-Generaal ook geen geldboete heeft gevorderd. De vraag is daarom of van de verdediging mocht worden verwacht dat zij uit eigen beweging op de draagkracht van de verdachte inging.

10.5. Toch meen ik dat 's Hofs oordeel ook zonder nadere motivering - die het Hof niet zou hebben misstaan - niet onbegrijpelijk is. Uit onder meer het proces-verbaal van de zitting van 1 oktober 2010 blijkt dat verdachte een café heeft, genaamd "[A]". Hij verklaart op die zitting dat hij ook nog een eethuis had. Hij stelde dat hij geld verdiende met zijn zaak en dat zijn vrouw ook geld verdiende. Opmerking in dit verband verdient dat de verdachte door het Hof is vrijgesproken van mensenhandel met betrekking tot [betrokkene 7] (zijn ex-vrouw) en met betrekking tot [betrokkene 8] (zijn huidige vrouw). Beide vrouwen verdienden geld in de prostitutie, maar het Hof achtte niet bewezen dat sprake is geweest van dwang. Het Hof heeft aannemelijk kunnen achten dat de inkomsten uit deze prostitutie - die bij een ontnemingsvordering buiten beschouwing zullen moeten blijven - de verdachte als echtgenoot in elk geval deels ten goede zijn gekomen. Al met al kon het Hof aannemelijk achten dat de verdachte over een legaal vermogen van enige omvang beschikte dat niet in rook zal zijn opgegaan. In dit verband is nog van belang dat de verdachte verklaarde dat hij thans in Duitsland in de horeca werkt als bedrijfsleider en ook nog in een garage en op provisiebasis als tussenpersoon bij een verzekeringsmaatschappij.

10.6. Een en ander maakt dat het Hof op grond van verdachtes vermogenspositie en zijn inkomsten aannemelijk kon achten dat verdachte in staat is om een boete van € 25.000,- te betalen.

10.7. Het middel faalt.

11. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte 4] (11/00025), [medeverdachte 2] (11/00264) en [medeverdachte 3] (11/03941) in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

2 Zie o.a. bewijsmiddel 38.

3 Dit blijkt onder meer uit de tot het bewijs gebezigde tapverslagen en de verklaringen van getuigen.

4 Zie o.a. de bewijsmiddelen 13, 14, 29, 36, 37, 39, 41, 49, 59.

5 Zie o.a. de bewijsmiddelen 14, 28, 31, 39, 40, 63.

6 Zie o.a. de bewijsmiddelen 15, 29, 30, 31, 37, 40, 41, 49, 60, 61, 62.

7 Bewijsmiddel 30.

8 Zie o.a. de bewijsmiddelen 15, 16.

9 Zie o.a. de bewijsmiddelen 27, 49, 54.

10 Zie o.a. bewijsmiddel 49.

11 Zie o.a. de bewijsmiddelen 45, 54, 55.

12 Bewijsmiddelen 43, 44, 46.

13 Zie o.a. bewijsmiddel 34, 48, 49.

14 Zie bewijsmiddel 49.

15 Zie o.a. bewijsmiddelen 79, 80, 81, 86, 88, 92, 96, 111, 126.

16 Bewijsmiddel 32.

17 Zie o.a. bewijsmiddelen 79, 80, 81.

18 HR 29 september 2009, LJN BI1171, NJ 2009/541 m. nt. J.M. Reijntjes.

19 In het middel wordt verwezen naar de onder 4A en 4B bewezenverklaarde feiten. Nu in de onderhavige zaak geen feiten onder 4A en/of 4B bewezenverklaard zijn, ga ik ervan uit dat de steller van het middel het oog had op de onder 3A en 3B bewezenverklaarde feiten.

20 Zie het slot van het zich bij de stukken bevindende requisitoir.