Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX4101

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
11/00025
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM1851
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4101
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Saban B. 1. Art. 318.1 Sv, verplaatsing tz. Art. 539a Sv. 2. Art. 420.1 Sv en 316.2 Sv, verzoek horen verdachte door Rh-C. 3. Opnames van getuigenverhoren afgelegd bij de Rh-C. 4. Motivering opgelegde gb. Ad 1. Op gronden als vermeld in HR LJN AA8965 heeft het Hof het verzoek tot tijdelijke verplaatsing van zijn tz naar Turkije terecht afgewezen. De omstandigheid dat de tekst van het nadien gewijzigde art. 318.1 Sv (vervallen van de woorden: “doch binnen haar rechtsgebied”) niet meer in de weg staat aan verplaatsing van de tz buiten het gebied van het gerecht leidt niet tot een ander oordeel. Ad 2. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat art. 420 Sv (jo. art. 316.2 Sv) niet voorziet in het doen horen van een verdachte door een door een Hof uit zijn midden aan te wijzen Rh-C. Ad 3. Het Hof heeft buiten de tz kennis genomen van de opgenomen verhoren van getuigen gehoord door de Rh-C. De opvatting dat de beginselen van een goede procesorde meebrengen dat het Hof de beelden ambtshalve - zonder dat daarom door de verdediging is verzocht - tz zou moeten bekijken vindt geen steun in het recht. Vzv. het middel klaagt over schending van art. 340 Sv miskent het dat van het gebruik als bewijsmiddel van de eigen waarneming van de rechter geen sprake is. Ad 4. De in het middel vervatte opvattingen dat de strafrechter bij het bepalen van de hoogte van de gb die hij overweegt op te leggen rekening dient te houden met de mogelijkheid dat een eventueel in te stellen vordering tot ontneming van wvv leidt tot toewijzing van die vordering en dat de rechter bij het bepalen van de hoogte van de gb moet motiveren waarom een (mogelijke) toekomstige ontneming van wvv de verdachte niet onevenredig zal treffen in zijn inkomen of vermogen vinden geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1151
NJ 2012/540
NJB 2012/2042
NBSTRAF 2012/322
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00025

Mr. Knigge

Zitting: 29 mei 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 20 december 2010 verdachte wegens 1A. "een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld dwingen en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, en opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander zich door geweld of door bedreiging met geweld en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen en een ander door geweld of door bedreiging met geweld en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen", 1B "mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van mishandeling", 3. "in het bezit zijn van een reisdocument, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is" en 4A en 4B. "de voortgezette handeling: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl verdachte aan deze organisatie mede leiding heeft gegeven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en negen maanden en een geldboete van € 150.000,-, subsidiair één jaar hechtenis. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.(1)

3. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, negen middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel

4.1. Het middel keert zich ten eerste tegen 's Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging om de terechtzitting tijdelijk naar het buitenland te verplaatsen.

4.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2010 heeft de raadsman van de verdachte aldaar met betrekking tot de mogelijkheid van een berechting in verdachtes aanwezigheid het volgende aangevoerd: (2)

"Ik heb kennisgenomen van de vertalingen van de brieven van de Turkse autoriteiten. Inmiddels ben ik in Turkije geweest en ik heb contact gehad met cliënt.

De antwoorden van de Turkse autoriteiten zijn helder. Overbrenging naar Nederland is niet mogelijk en er is sprake van een verbod op landverlating.

Ik ben van mening dat het verzoek van het openbaar ministerie niet uitdrukkelijk is gebaseerd op artikel 11 ERV. In het antwoord van de Turkse autoriteiten wordt alleen verwezen naar het nationale Turkse recht dat aan de overbrenging "van een persoon" in de weg zou staan.

De verdediging stelt zich formeel op het standpunt dat het verdragsrechtelijk wel mogelijk moet zijn cliënt over te brengen. Ik verzoek uw hof opdracht te geven aan het openbaar ministerie een nader rechtshulpverzoek, dat uitdrukkelijk is gebaseerd op artikel 11 ERV, aan Turkije te doen uitgaan voor de tijdelijke overbrenging van cliënt naar Nederland ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak.

Alternatieven kunnen ook nog zijn, gelet op artikel 316 van het Wetboek van Strafvordering, het verplaatsen van de zitting naar Turkije en/of het horen van de verdachte door één van de leden van de zittingscombinatie als raadsheer-commissaris."

4.3. Het Hof heeft op deze verzoeken beslist bij tussenarrest van 8 juni 2010. Dit arrest houdt met betrekking tot het alternatieve verzoek om de zitting te verplaatsen het volgende in:

"Alvorens te beslissen op de gedane verzoeken wil het hof allereerst opmerken dat verdachte deze gehele situatie aan zichzelf te wijten heeft omdat hij zich in Nederland heeft onttrokken aan zijn berechting; verdachte is in september 2009 gevlucht naar Turkije tijdens een aan hem verleende schorsing van de voorlopige hechtenis. Vervolgens is hij ter zake van verdenking van strafbare feiten gepleegd in Turkije aldaar in voorlopige hechtenis gesteld in afwachting van de behandeling van die zaak."

(...)

Het hof wijst af het verzoek om de terechtzitting tijdelijk naar Turkije te verplaatsen, omdat het naar Nederlands recht niet mogelijk is de terechtzitting buiten het rechtsgebied van een rechtbank te doen plaatsvinden (vergelijk artikelen 318 en 539a Wetboek van Strafvordering en HR 12 december 2000, NJ 2001, 240)."

4.4. In het arrest waarnaar het Hof verwijst (HR12 december 2000, LJN AA8965, NJ 2001/240 m. nt. J.M. Reijntjes), heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

"4.3. Art. 539a, eerste lid, Sv luidt als volgt: "De bevoegdheden, bij enige wetsbepaling toegekend in verband met de opsporing van strafbare feiten of in verband met het onderzoek daarnaar, anders dan ter terechtzitting, kunnen, voorzover in deze Titel niet anders is bepaald, buiten het rechtsgebied van een rechtbank worden uitgeoefend".

4.4. De wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1964-1965, 7979) houdt ten aanzien van deze bepaling het volgende in:

- de Memorie van Toelichting (nr. 3, p. 9): "Deze bepaling bestrijkt de bevoegdheden niet alleen van de officier van justitie en de overige opsporingsambtenaren, maar ook van de andere bij de strafvordering betrokken personen, zoals de rechter-commissaris, de verdachte en de raadsman. Hierbij gaat het zowel om de bevoegdheden, welke het Wetboek van Strafvordering toekent, als om die welke voortvloeiden uit bepalingen aangaande de strafvordering in bijzondere wetten. De in artikel 539a lid 1 vervatte verwijzing maakt het mogelijk ook buiten het rechtsgebied van de Nederlandse rechter op te treden in elk stadium van het opsporingsonderzoek en eventueel van het gerechtelijk vooronderzoek. Zelfs zal - wanneer dat bij hoge uitzondering nodig mocht blijken - de rechter buiten Nederland in raadkamer kunnen beslissen.

Alleen van bepalingen betreffende de behandeling van de zaak ter terechtzitting blijft de toepasselijkheid tot het rechtsgebied van de Nederlandse rechter beperkt."

- het Voorlopig Verslag (nr. 5, p. 2): "Artikel 539a. Uit dit artikel blijkt, dat een terechtzitting niet buiten het rechtsgebied kan worden gehouden. Kan het evenwel geen aanbeveling verdienen de mogelijkheid open te laten, dat de rechtbank besluit de terechtzitting te verplaatsen (een schouw, vgl. artikel 318 Sv.) naar buiten het rechtsgebied"?

- de Memorie van Antwoord (nr. 6, p. 3): "Artikel 539a. Het lijkt de ondergetekende niet nodig af te wijken van de regeling, vervat in artikel 318 Sv., welke de mogelijkheid een terechtzitting te houden buiten de gewone gehoorzaal beperkt tot het rechtsgebied van de betrokken rechtbank. Indien ter zitting mocht blijken, dat het houden van een schouw of het horen van getuigen of verdachten buiten ons grondgebied gewenst is, kan de rechtbank met toepassing van artikel 316 Sv. de behandeling van de zaak schorsen en het onderzoek opdragen aan de rechter-commissaris. Deze is, zoals blijkt uit artikel 539a, eerste lid, buiten het gebied van het arrondissement wel bevoegd."

4.5. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het Hof zijn terechtzitting voorzover betrekking hebbende op het onder 1 tenlastegelegde in strijd met art. 539a, eerste lid, Sv tijdelijk heeft verplaatst naar Belgisch grondgebied."

4.5. Het middel voert aan dat het Hof met zijn verwijzing naar het arrest van 12 december 2000 heeft miskend dat art. 318 Sv sindsdien is gewijzigd, in die zin dat de woorden "doch binnen haar rechtsgebied" in het eerste lid zijn komen te vervallen. Dat laatste is juist. (3) Art. 318 lid 1 Sv luidt thans:

"Indien de rechtbank het houden van eene schouw of het hooren van getuigen of verdachten elders dan in de gehoorzaal noodzakelijk acht, kan zij te dien einde, met schorsing der zaak, bevelen dat de terechtzitting tijdelijk zal worden verplaatst."

4.6. De Memorie van Toelichting houdt met betrekking tot de bedoelde wetswijziging het volgende in:

"De rechtspraktijk heeft behoefte aan het schrappen van de woorden "doch binnen haar rechtsgebied" met het oog op de wens in grotere zaken ook buiten het gebied van de rechtbank een schouw te houden of getuigen te horen. Deze mogelijkheid bestaat thans reeds indien het gerecht het onderzoek opdraagt aan een rechter-commissaris of uit zijn midden een raadsheer-commissaris aanwijst. Op grond van artikel 178a, eerste lid, Sv is de rechter-commissaris bevoegd onderzoekshandelingen in het rechtsgebied van andere rechtbanken te verrichten. Niettemin is voorstelbaar dat een strafkamer zich zelf van de situatie ter plaatse op de hoogte wil stellen. Schrapping van de desbetreffende passage opent daartoe de mogelijkheid." (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 391, nr. 3, p. 16)

4.7. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 december 2000 geoordeeld dat art. 539a Sv eraan in de weg staat dat een terechtzitting tijdelijk buiten Nederland wordt verplaatst. De Raad verwijst daarbij naar de wetsgeschiedenis van art. 539a Sv, die bevestigt wat in de tekst ervan te lezen valt. De zinsnede "anders dan ter terechtzitting" drukt immers uit dat het artikel geen grondslag biedt voor het in het buitenland uitoefenen van onderzoeksbevoegdheden die gebonden zijn aan het onderzoek ter terechtzitting. Dat in de Mvt werd verwezen naar het toenmalige, destijds toereikend geachte art. 318 lid 1 Sv om aan te geven wat naar geldend recht de mogelijkheden zijn om de zitting te verplaatsen, is daarbij van ondergeschikte betekenis. Het systematische uitgangspunt dat aan art. 539a Sv ten grondslag ligt, is namelijk dat voor de uitoefening van onderzoeksbevoegdheden in het buitenland een wettelijke grondslag nodig is. Verplaatsing van de zitting naar het buitenland vergt dus een wijziging van art. 539a Sv. En dat artikel is niet gewijzigd.

4.8. Daarbij kan worden opgemerkt dat uit niets blijkt dat de wetgever dit bij de wijziging van art. 318 lid 1 Sv anders heeft gezien. Uit de onder 4.6 weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met die wijziging enkel het oog had op verplaatsing van de terechtzitting naar het rechtsgebied van een andere rechtbank. Het zou ook vreemd zijn als het anders was geweest. Het houden van terechtzittingen in het buitenland is, gezien de haken en ogen die daaraan volkenrechtelijk gezien zitten, niet iets wat men tussen neus en lippen door regelt. Zo zal verzekerd moeten zijn dat de voorzitter de orde op de zitting kan handhaven en daartoe de nodige bevelen kan geven (art. 272 lid 1 jo. art. 124 Sv). Dat lijkt mij zonder een specifieke verdragsrechtelijke basis niet te kunnen.

4.9. Ten slotte kan worden opgemerkt dat aan een extensieve uitleg van art. 318 lid 1 Sv weinig behoefte bestaat. Het artikellid ziet uitdrukkelijk alleen op het houden van een schouw dan wel het horen van getuigen of verdachten; zij schept niet de mogelijkheid om het gehele onderzoek ter terechtzitting buiten het rechtsgebeid te laten plaatsvinden. Een rechtbank die het noodzakelijk acht dat bedoelde onderzoekshandelingen in het buitenland worden verricht, kan het onderzoek ter terechtzitting schorsen en het onderzoek in handen stellen van de rechter-commissaris (art. 316 Sv). Die is op grond van art. 539a Sv wel bevoegd om buiten het rechtsgebied van een rechtbank onderzoekshandelingen te verrichten.

4.10. Het oordeel van het Hof dat het arrest van 12 december 2000 eraan in de weg staat dat het onderzoek ter terechtzitting wordt verplaatst naar het buitenland, geeft, gelet op het hiervoor overwogene, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre faalt het middel.

4.11. Het middel keert zich voorts tegen 's Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging om de verdachte door één van de leden van het Hof als raadsheer-commissaris te doen horen.

4.12. Het Hof heeft het in de klacht bedoelde verzoek afgewezen bij tussenarrest van 8 juni 2010 en daartoe het volgende overwogen:

"Het hof wijst eveneens af het verzoek om de verdachte te doen horen door een door het hof uit zijn midden aan te wijzen raadsheer-commissaris, omdat de regeling van artikel 420 Wetboek van Strafvordering niet hierin voorziet."

4.13. Ingevolge art. 415 Sv is, zoals wordt bevestigd door art. 420 lid 1 Sv, art. 316 Sv van overeenkomstige toepassing op de behandeling van de zaak in hoger beroep. Op grond van art. 316 lid 2 Sv kan het Hof de voorzitter of een der raadsheren die over de zaak oordelen als raadsheer-commissaris aanwijzen. Dit kan alleen indien het onderzoek uitsluitend zal bestaan in het horen van getuigen of deskundigen. Daarvan is in casu echter geen sprake nu de verdediging het Hof heeft verzocht om de verdachte te doen horen door de raadsheer-commissaris.

4.14. Het oordeel van het Hof dat art. 420 Sv er niet in voorziet dat de verdachte door de raadsheer-commissaris wordt gehoord, geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.(4)

4.15. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5. Het tweede middel

5.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof een verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

5.2. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte nu in het vooronderzoek geheimhoudergesprekken zijn opgenomen en dat deze opnames niet terstond zijn vernietigd. Het Hof heeft het verweer verworpen en daartoe - kort gezegd - overwogen dat er sprake is van vormverzuimen die niet meer kunnen worden hersteld, maar dat dit niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie leidt. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het niet aannemelijk is geworden dat het schenden van de regels ten aanzien van het opnemen en de vernietiging van de geheimhoudersgesprekken doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is gebeurd. De verklaring van de getuige [getuige 8] wijst er, volgens het Hof, veeleer op dat men in een aantal gevallen door een gebrek aan kennis van de procedures foutief heeft gehandeld. Voorts overweegt het Hof dat het niet heeft kunnen vaststellen en het ook niet aannemelijk acht dat de inhoud van de geheimhoudersgesprekken is gebruikt voor de sturing van het onderzoek of een BOB-aanvraag. Het Hof betrok in zijn oordeel dat het niet telkens meteen duidelijk is/kan zijn geweest dat een getapt gesprek een geheimhoudersgesprek betrof en dat er geen sprake is van een grootschalige en stelselmatige inbreuk op het recht om vertrouwelijk te kunnen communiceren met een geheimhouder.

5.3. Het middel berust op de opvatting dat gebrek aan kennis omtrent de procedures primair moet worden aangemerkt als doelbewust handelen en minst genomen moet worden aangemerkt als grove veronachtzaming van de rechten van de verdediging. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht, zodat het middel faalt.

6. Het derde middel

6.1. Het middel strekt kennelijk ten betoge dat het Hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 6] en [getuige 7].

6.2. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 22 november 2010 overgelegde pleitnota hebben de raadslieden van verdachte met betrekking tot de tenlastegelegde mensenhandel bepleit dat er ten aanzien van [getuige 7] geen sprake is geweest van dwang. Ter motivering wijst de verdediging op verklaringen van [getuige 7], waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte deze [getuige 7] niet heeft gedwongen om voor hem in de prostitutie te werken. Vervolgens voert de verdediging aan dat de verklaringen van [getuige 7] niet betrouwbaar zijn, omdat zij lijdt aan een borderline stoornis en zij zowel ten tijde van de feiten als tijdens haar aangifte onder invloed was van drugs. De verklaringen van [getuige 7] zouden derhalve niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Hetgeen de verdediging aldus ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 7] heeft aangevoerd, had door het Hof niet hoeven te worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv. Daar komt bij dat het Hof niet van dat standpunt is afgeweken aangezien het de verdachte vrijsprak van mensenhandel voor zover die betrekking had op [getuige 7]. Het Hof was daarbij van oordeel (arrest, p. 39) dat "los van de vraag of de verklaringen van [getuige 7] over dit concrete feit al dan niet betrouwbaar zijn" er kort gezegd onvoldoende steunbewijs was. Het middel voert aan dat het Hof de betrouwbaarheid van getuige [getuige 7] niet in het midden mocht laten, nu het Hof de verklaring van deze getuige wel heeft gebruikt ten aanzien van de mensenhandel met betrekking tot [getuige 2]. Het middel ziet er daarbij aan voorbij dat het Hof alleen de betrouwbaarheid van de door de getuige [getuige 7] "over dit concrete feit" afgelegde verklaring in het midden heeft gelaten. De voor het bewijs van de met betrekking tot [getuige 2] gepleegde mensenhandel gebruikte verklaring van [getuige 7] betrof een andere verklaring (zie p. 30 arrest). Ik merk daarbij op dat het in het middel bedoelde verweer op deze verklaring geen betrekking had, terwijl dat verweer bezwaarlijk zo kan worden verstaan dat geen enkele verklaring van [getuige 7] betrouwbaar kon zijn. In het verweer wordt immers aan de hand van de verklaringen van [getuige 7] bepleit dat er ten aanzien van haar geen sprake is geweest van dwang. Het middel faalt in zoverre.

6.3. De klacht met betrekking tot de verklaringen van getuige [getuige 6] is van hetzelfde slechte laken een pak. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verklaringen van [getuige 6] onbetrouwbaar zijn en heeft daartoe aangevoerd dat [getuige 6] er alles aan gelegen is om verdachte in strijd met de waarheid van alles in de schoenen te schuiven en dat de meeste pregnante onwaarheid is die waarin zij verdachte onder ede beticht van valsheid in geschrifte en het vervalsen van haar handtekening. De pleitnota houdt ten aanzien van [getuige 6] voorts in dat de verdediging de verweren handhaaft zoals in eerste aanleg gevoerd en dat de punten 79-106 (waarmee kennelijk wordt bedoeld de punten 79-106 van de pleitnota in eerste aanleg), met instemming van het Hof, als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.(5) Hetgeen de raadslieden van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep wel hebben aangevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 6], had het Hof niet hoeven aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv. Daar komt bij dat het Hof de verdachte van de mensenhandel ten aanzien van [getuige 6] heeft vrijgesproken wegens gebrek aan voldoende steunbewijs (arrest, p. 39 e.v.), zodat in elk geval in zoverre niet van het standpunt van de verdediging is afgeweken. Zo al aangenomen moet worden dat het gevoerde verweer ook betrekking had op de voor het bewijs gebezigde verklaring die [getuige 6] met betrekking tot [getuige 2] aflegde (arrest, p. 30), geldt dat die verklaring bepaald niet op zichzelf staat, maar steun vindt in andere bewijsmiddelen. De bewijsmotivering bevat aldus voldoende aanknopingspunten waaruit kan worden opgemaakt waarom het Hof deze verklaring betrouwbaar heeft geacht. Ook in zoverre faalt het middel.

6.4. Het middel faalt.

7. Het vierde middel

7.1. Het middel klaagt dat het bestreden arrest twee innerlijk tegenstrijdige beslissingen bevat, nu het Hof enerzijds onder 1A en 1B bewezen heeft verklaard dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde personen heeft bewogen tot handelingen als bedoeld in art. 273f Sr, terwijl het anderzijds de verdachte heeft vrijgesproken van de tenlastegelegde omstandigheid dat hij met de bewuste vrouwen een liefdesrelatie heeft gehad.

7.2. Het cassatieberoep stuit niet reeds hierop af dat het ervoor gehouden moet worden dat het cassatieberoep zich niet tegen de gegeven vrijspraak richt. Het gaat immers in casu niet om een vrijspraak van een cumulatief tenlastegelegd feit (vgl. HR 12 oktober 2010, LJN BN4347).

7.3. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van een deel van de in de tenlastelegging omschreven feitelijke uitwerking van de strafbare gedraging. Van enige tegenstrijdigheid is daarbij evident geen sprake. De klacht dat sprake is van

grondslagverlating faalt eveneens, nu daarvan, gelet op de in de tenlastelegging opgenomen "en/of's", evenmin sprake is.

7.4. Het middel faalt.

8. Het vijfde middel

8.1. Het middel keert zich tegen het 's Hofs afwijzing van een verzoek van de verdediging om een proces-verbaal in het strafdossier te voegen.

8.2. Aan het verzoek is het volgende voorafgegaan. Het Openbaar Ministerie heeft bij brief van 15 maart 2010 gevorderd dat processen-verbaal inhoudende verklaringen van getuigen in de Sneep-2 zaak worden gevoegd in het strafdossier van de verdachte en zijn medeverdachten die gelijktijdig terecht stonden. Deze processen-verbaal zouden zowel belastende als ontlastende verklaringen betreffen. De (wat het Hof noemde) "bundel processen-verbaal" was bij de brief gevoegd. Het Hof heeft de raadslieden vervolgens om een schriftelijke reactie gevraagd. Op de zitting van 8 april 2010 voerden de raadslieden van de verschillende verdachten aan dat de vordering van het Openbaar Ministerie in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. De gemachtigde raadsman van de verdachte verzocht het Hof op die grond de vordering af te wijzen.(6)

8.3. Het Hof heeft de vordering bij tussenarrest van 22 april 2010 inderdaad afgewezen omdat de voeging in strijd zou zijn met de beginselen van een goede procesorde en heeft dat oordeel daarbij uitvoerig gemotiveerd. Het Hof heeft bij zijn oordeel betrokken de aard van de over te leggen stukken, de complexiteit van de onderhavige zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf gehanteerd.(7) Het Hof wees er meer in het bijzonder op dat de vordering pas een jaar na de regiezitting werd gedaan en drie weken voor de geplande inhoudelijke behandeling van de zaak, terwijl de getuigenverklaringen minstens vijf maanden oud waren zodat het Openbaar Ministerie de vordering veel eerder had kunnen doen. Het Hof was daarbij beducht voor de consequenties die toewijzing van de vordering zou hebben voor het verdere verloop van de procedure nu aannemelijk was dat die voeging zou leiden tot een groot aantal - door de raadslieden al aangekondigde - verzoeken tot het horen van de desbetreffende getuigen. Een totale vermenging van de Sneep-1 zaak met de Sneep-2 zaak dreigde, temeer daar het openbaar ministerie had gesteld dat het om een (eerste) selectie ging en dat mogelijk ook nog andere verklaringen uit de Sneep-2 zaak in het dossier zouden moeten worden gevoegd. Niet zonder belang bij dit alles is dat het Hof relevant achtte "dat niet gebleken is dat de betreffende stukken waarvan voeging wordt gevorderd van bijzonder belang zijn voor de beoordeling door het Hof van de zaken tegen de verdachten in Sneep-1. Het Openbaar Ministerie heeft dat ook niet gespecificeerd aangevoerd, doch heeft ermee volstaan in algemene termen aan te geven dat er zowel belastende als ontlastende verklaringen zouden zijn".

8.4. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 22 november 2010 overgelegde pleitnota, hebben de raadslieden van verdachte, aldaar het volgende aangevoerd:

"77. Met betrekking tot deze vermeende bedreiging is nog het volgende van belang. De Rechtbank heeft met zoveel woorden overwogen dat zij de ontkenning van cliënt - dat hij niet naar moeder [van getuige 1] heeft gebeld - niet gelooft en het aannemelijk vindt dat deze bedreiging de reden is geweest voor [getuige 1] om haar verklaring gedeeltelijk weer in te trekken. In hoger beroep komt deze bedreiging op losse schroeven te staan, als moeder [van getuige 1] in de zaak tegen verdachte [betrokkene 1] op 5 november 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris verhaalt dat zij nooit heeft verklaard dat zij is gebeld door een Turk die gedreigd zou hebben haar woning op zou blazen als [getuige 1] haar verklaring niet introk. (30) Haar rc-verklaring wijkt op dit voor de rechtbank zo essentiële punt af van hetgeen als bewijsmiddel 4a terzake [getuige 1] is gebruikt. De verdediging houdt het erop dat vanwege deze inconsistentie de verklaring van [moeder van getuige 1] (pv d.d. 1 september 2005, p. 17506 t/m 175130) dat de Turk (in het Engels) heeft gedreigd dat [getuige 1] haar aangifte moest intrekken, onjuist en onbetrouwbaar is en niet kan meewegen voor het bewijs."

De voetnoot (30) houdt het volgende in:

"Verklaring [moeder van getuige 1], 5 november 2009, p. 6 (in de zaak van verdachte [betrokkene 1]), aangehecht aan deze pleitnotitie: 'Ik heb nooit verklaard, dat er een situatie was, dat [moeder van getuige 1] mij belde en diezelfde dag zou die Turk mij gebeld hebben, met wie ik in het Engels zou hebben gesproken en dat hij tijdens ons telefoongesprek zou gedreigd hebben, dat hij mijn woning zou opblazen als [getuige 1] haar verklaringen niet intrekt. Ik heb zeker dit niet bij de politie in Lobez verklaard, omdat ik geen Engels ken ik kon niet in deze taal met die Turk gesproken hebben."

Dit onderdeel van het pleidooi leidde tot een interruptie van de Advocaat-Generaal. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt daarover het volgende in:

"De raadslieden voeren het woord tot verdediging overeenkomstig de pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.

(...)

Na punt 77 interrumpeert de advocaat-generaal, mw. mr. Krol, de raadsman en verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Bij tussenarrest van 22 april 2010 heeft uw hof de vordering van het openbaar ministerie, strekkende tot toevoeging van processen-verbaal van getuigenverhoren in de zogenaamde "Sneep-II" afgewezen. De reden hiervan was onder meer - kort gezegd - dat de splitsing tussen de onderhavige zaak en de Sneep-II zaak zou worden opgeheven.

De verdediging wenst thans toevoeging van de verklaring van [moeder van getuige 1], afgelegd op 5 november 2009, in de zaak tegen de verdachte [betrokkene 1]. Deze [betrokkene 1] is één van de verdachten in de Sneep-II zaak.

Om die reden verzet het openbaar ministerie zich tegen de inbreng van deze verklaring.

Mr van Dijk verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

"Indien uw hof hierover anders denkt verzoek ik u [moeder van getuige 1] nader te horen. Ik verwijs naar het gestelde in de pleitnota onder punt 78."

8.5. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in (p. 35):

"De verdediging heeft bij pleidooi een proces-verbaal van verhoor van de moeder van [getuige 1] door de rechter-commissaris van 5 november 2009 overgelegd. Dit verhoor heeft in Polen plaats gevonden en is afgenomen in het kader van de Sneep-2-zaak in de zaak tegen de verdachte [betrokkene 1]. Voor het geval het hof dit stuk niet bij de processtukken wil voegen verzoekt de verdediging het hof deze getuigen te (doen) horen.

Het openbaar ministerie heeft zich verzet tegen deze in zijn visie ontijdige, want te late voeging van het bewuste processtuk. In de visie van het openbaar ministerie is deze handelwijze in strijd met de beginselen van goede procesorde. Verwezen wordt naar de beslissing van het hof van 22 april 2010, waarbij bepaald is dat de vordering tot voeging van een bundel processen-verbaal uit het Sneep-2-onderzoek werd afgewezen, juist vanwege strijd met voormelde beginselen. De verdediging heeft zich destijds ook verzet tegen de voeging van die bundel processen-verbaal en kan nu naar het oordeel van het openbaar ministerie niet alsnog om voeging van een processtuk uit die bewuste bundel stukken van de Sneep-2-zaak verzoeken. Het openbaar ministerie verzoekt, nu de verdediging zich kennelijk niet meer verzet tegen voeging van verklaringen uit het Sneep-2-onderzoek bij het dossier in de Sneep-1-zaak, heroverweging door het hof van de beslissing van 22 april 2010 en verzoekt voeging van de eerder al overgelegde bundel processen-verbaal uit de Sneep-2-zaak.

Het hof ziet zowel in de door de verdediging als de door het openbaar ministerie aangevoerde argumenten geen grond voor heroverweging van zijn beslissing van 22 april 2010 over het niet voegen van (een bundel) processen-verbaal uit de Sneep-2-zaak. De overwegingen die destijds tot bedoelde beslissing hebben geleid, hebben naar het oordeel van het hof nog steeds gelding. Dit betekent dat het aan de pleitnota gehechte stuk niet bij het strafdossier van verdachte in de Sneep-1-zaak zal worden gevoegd, dat het hof van dat stuk geen kennis zal nemen en dat het verzoek van het openbaar ministerie om eerder genoemde overige processen-verbaal uit de Sneep-2-zaak alsnog aan het dossier in de Sneep-1-zaak te voegen wordt afgewezen.

Het subsidiaire verzoek tot het horen van [moeder van getuige 1] zal eveneens worden afgewezen, omdat daartoe naar het oordeel van het hof geen noodzaak bestaat. [moeder van getuige 1] is in eerste aanleg op verzoek van de verdediging als getuige door de rechter-commissaris gehoord. Het hof acht zich voor het overige voldoende voorgelicht."

8.6. De raadslieden van de verdachte hebben verzocht om de verklaring die [moeder van getuige 1] bij de Rechter-Commissaris op 5 november 2009 heeft afgelegd in de zaak tegen [betrokkene 1], bij de stukken van het geding te voegen. De verklaring maakte naar uit de overweging van het Hof blijkt deel uit van de bundel processen-verbaal waarvan het Openbaar Ministerie reeds eerder had gevorderd dat zij bij het strafdossier van (onder meer) de onderhavige zaak werd gevoegd.

8.7. Anders dan de eerdere vordering van het Openbaar Ministerie betreft het verzoek van de verdediging niet een bundel processen-verbaal, maar één proces-verbaal inhoudende de verklaring van één getuige, waarbij is aangegeven wat het belang van die verklaring voor de beoordeling van de zaak is. De verdediging heeft echter niet aangegeven waarom zij - in een nog veel later stadium van de procedure - is teruggekomen op haar standpunt dat de voeging van ook deze verklaring in het dossier in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. Het komt mij dan ook niet onbegrijpelijk voor dat het Hof de verdediging aan haar eerdere standpunt hield. Ik neem daarbij in aanmerking dat het Hof een sneeuwbaleffect had te vrezen (in die zin dat de toewijzing van het verzoek een lawine van dan moeilijk meer af te wijzen specifieke verzoeken van in het bijzonder het Openbaar Ministerie tot gevolg zou kunnen hebben, met alle consequenties voor de procesgang van dien). Ik laat zwaar wegen dat het Hof ook ten aanzien van de onderhavige verklaring kon oordelen (zoals het in het tussenarrest van 22 april 2010 had gedaan) dat niet gebleken is dat de verklaring "van bijzonder belang" is voor de beoordeling van de zaak is. De intrekking door [moeder van getuige 1] van haar belastende verklaring betrof slechts een onderdeel daarvan, namelijk dat zij was gebeld door een Turk die dreigde haar woning op te blazen als haar dochter [getuige 1] (een van de aangeefsters in deze zaak) haar belastende verklaring niet zou intrekken. Op haar overige belastende verklaringen (waaronder dat zij bezoek had gekregen van drie onbekende mannen die dreigden haar op te blazen als ze niet zei waar [getuige 1] was) is [moeder van getuige 1] - zo mocht het Hof aannemen - dus niet teruggekomen.(8) Daar komt dan nog bij dat de verklaring van [moeder van getuige 1] voor de bewijsvoering niet van cruciale betekenis was.

8.8. Overigens mist het middel mijns inziens redelijk belang. De verdediging heeft aangevoerd dat bedoeld onderdeel van de verklaring van [moeder van getuige 1], gelet op de latere verklaring welke de verdediging aan het strafdossier wenste te voegen, onjuist en onbetrouwbaar is en derhalve niet kan "meewegen voor het bewijs". Blijkens de bewijsmiddelen heeft het Hof bedoeld onderdeel niet voor het bewijs gebezigd. Dit onderdeel heeft evenmin meegewogen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaring van aangeefster [getuige 1] in de uitvoerige bewijsoverweging in het verkorte arrest (p. 35-37). Aan het verzoek van de verdediging is derhalve voldaan.

8.9. Het middel faalt.

9. Het zesde middel

9.1. Het middel valt in twee klachten uiteen. De klacht waaraan (doordat de bewijsoverwegingen van het Hof met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [getuige 1] integraal worden geciteerd) de meeste woorden worden vuilgemaakt, is mij het minst duidelijk geworden. De klacht luidt dat het Hof het verzoek om "[getuige 1]" - dat is aangeefster [getuige 1] - in hoger beroep opnieuw als getuige te horen, onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. In de toelichting wordt evenwel de afwijzing van het subsidiaire verzoek om [moeder van getuige 1] als getuige te horen (zie daarvoor onder 8.4 en 8.5) geciteerd. Na de integrale weergave van de bewijsoverwegingen van het Hof met betrekking de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] - waarin het Hof ingaat op het feit dat [getuige 1] wisselend heeft verklaard - wordt dan gesteld dat het onbegrijpelijk is dat het Hof heeft geoordeeld dat er geen noodzaak is om "[moeder van getuige 1]" opnieuw te horen nu het Hof heeft vastgesteld dat "[getuige 1]" wisselend heeft verklaard. Het onderscheid tussen moeder en dochter lijkt de steller van het middel te zijn ontgaan.

9.2. Van een duidelijke en welomschreven klacht kan mijns inziens niet worden gesproken. Voor het geval daarover anders mocht worden geoordeeld, meen ik dat het ervoor gehouden moet worden dat de klacht betrekking heeft op het niet horen van [moeder van getuige 1], waarbij ik in aanmerking neem dat [getuige 1] - zoals elders in het middel ook wordt vermeld - in hoger beroep wel opnieuw is gehoord (en wel op 15 februari 2010 door de raadsheer-commissaris) en de verdediging nadien niet om het opnieuw horen van deze getuige heeft verzocht. De aldus verstane klacht faalt hoe dan ook. Ik meen hier met een verwijzing naar hetgeen onder 8.7 en 8.8 is opgemerkt, te kunnen volstaan.(9)

9.3. De tweede klacht heeft betrekking op het gebruik voor het bewijs van de belastende verklaringen van [getuige 1], aangezien zij haar belastende verklaringen ten dele zou hebben ingetrokken ten overstaan van de rechter-commissaris en in hoger beroep ten overstaan van de raadsheer-commissaris zonder dat het Hof de beeld- en geluidsopnames van het verhoor bij de raadsheer-commissaris ter terechtzitting heeft vertoond. Daarbij wordt zonder nadere toelichting gesteld dat hetzelfde geldt "voor het gebruik van de ingetrokken verklaringen van [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] wier verhoor door de raadsheer-commissaris ingevolge het door het hof op 6 april 2009 gewezen tussenarrest audiovisueel is geregistreerd, doch niet ter zitting zijn getoond".

9.4. In het genoemde tussenarrest heeft het Hof beslist dat de getuigen door een van de leden van het Hof als raadsheer-commissaris zullen worden gehoord. Kennelijk heeft het Hof uit het proces-verbaal van de zitting van 23 maart 2009 (pp. 9/10) afgeleid dat de verdediging daarmee instemde. Over de begrijpelijkheid van dat oordeel klaagt het middel niet.

9.5. In het verkorte arrest heeft het Hof op p. 42 ten aanzien van het bewijs van mensenhandel met betrekking tot aangeefster [getuige 4] voor zover hier van belang het volgende overwogen:

"Met instemming van het openbaar ministerie en de verdediging is door het hof besloten om, in plaats van een aantal vrouwen (waaronder [getuige 4]) ter zitting van het hof te horen, die vrouwen in het bijzijn van het openbaar ministerie en de verdediging door een van de zittingcombinatie deel uitmakende raadsheer-commissaris te doen horen, waarbij het getuigen-verhoor telkens (naast schriftelijke vastlegging) door middel van zowel beeld- als geluidsopnamen is vastgelegd. Het hof gaat ervan uit dat - zo in dit geval de verklaring van [getuige 4] tegenover de politie dient te worden aangemerkt als het enige bewijsmiddel waaruit verdachtes betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit rechtstreeks kan volgen - met de wijze van uitvoering, verslaglegging en kennisneming door het hof van de van het verhoor gemaakte audiovisuele opnames is voldaan aan de eisen die worden gesteld in het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 1994, NJ 1994,427 m. nt. C, welke erop neerkomen dat een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd tegenover de politie en daarna bij de rechter voor het eerst een ontlastende verklaring aflegt, in hoger beroep ter terechtzitting als getuige dient te worden gehoord. Door kennisneming van de opname heeft het hof zich immers door eigen waarneming van de getuige een oordeel kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Opmerking verdient dat het verhoor in Duitsland heeft plaatsgevonden. De getuige was in Nederland ongewenst verklaard."

9.6. Het middel bestrijdt niet het oordeel van het Hof dat met de gevolgde wijze van horen van de desbetreffende getuigen op zich aan de in NJ 1994, 427 geformuleerde regel is voldaan. De klacht is enkel dat de opnames van de verhoren niet ter terechtzitting zijn vertoond. Gelet daarop laat ik de vraag of en zo ja in hoeverre de bedoelde regel op het gebruik van de bedoelde verklaringen van toepassing is, rusten.

9.7. De klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Aan de achterliggende gedachte van de in NJ 1994, 427 gevolgde regel - namelijk dat het Hof zich door eigen waarneming een oordeel moet kunnen vormen over de betrouwbaarheid van de getuige - is mijns inziens door de door het Hof gevolgde werkwijze geheel voldaan. Niet valt in te zien dat het Hof zich geen goed oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring kan vormen als het de beelden buiten het verband van de terechtzitting bestudeert.(10) De opvatting dat de beginselen van een goede procesorde meebrengen dat het Hof de beelden ambtshalve - zonder dat daarom door de verdediging is verzocht - ter zitting zou moeten bekijken, vindt dan ook geen steun in het recht. Voor zover het middel klaagt over schending van art. 340 Sr - dat inhoudt dat de eigen waarneming ter terechtzitting moet zijn gedaan - miskent het dat van het gebruik als bewijsmiddel van de eigen waarneming van de rechter geen sprake is.

9.8. Het middel faalt.

10. Het zevende middel

10.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof geen rechtsmacht had ten aanzien van de feiten 1A, 4A en 4B voor zover deze feiten in Duitsland zijn gepleegd.

10.2. De tenlastelegging houdt in dat feit 1A behoudens te Utrecht en/of Vinkeveen en/of Assendelft en/of Amsterdam en/of Den Haag en/of Alkmaar en/of elders in Nederland tevens in België en/of Duitsland en/of Turkije is begaan en dat de feiten 4A en 4 B behoudens te Amsterdam en/of Utrecht en/of Den Haag en/of Alkmaar en/of Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen en of (elders) in Nederland tevens in Duitsland zijn begaan. Het in het bestreden arrest besloten liggende oordeel van het Hof dat de Nederlandse strafwet op deze feiten van toepassing is, is, gelet op HR 2 februari 2010 (LJN BK6328, NJ 2010, 89), juist.

10.3. Het middel faalt.

11. Het achtste middel

11.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd de dagvaarding ten aanzien van feit 4A en 4B nietig te verklaren wegens innerlijke tegenstrijdigheid.

11.2. De klacht kan niet tot cassatie leiden omdat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd.(11)

11.3. Het middel faalt.

12. Het negende middel

12.1. Het middel keert zich tegen de strafmotivering.

12.2. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte ten koste van de belangen, de fysieke integriteit van anderen (nagenoeg) nietsontziend zijn persoonlijk financieel gewin heeft nagestreefd. Het hof acht uit een oogpunt van vergelding en preventie in verband met de feiten onder 1A en 1B en 4A en 4B daarom - en dus ongeacht een mogelijke veroordeling van verdachte tot betaling van een bedrag dat strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel - met toepassing van art. 9, derde lid, Sr naast oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegging van een aanzienlijke geldboete geboden. Bij de bepaling van de hoogte heeft het hof rekening gehouden met onder meer het aantal vrouwen dat slachtoffer is geworden van mensenhandel, de mate van uitbuiting, de duur van de uitbuiting en het aandeel van verdachte in de criminele organisatie. Het heeft voorts op de voet van art. 24 Sr rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte niet in staat is de boete te betalen.

Anders dan door de verdediging bepleit ziet het hof in de media-aandacht rond deze zaak geen grond om tot vermindering van de straf te besluiten. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte, die voor een deel zelf die aandacht door zijn handelen heeft gegenereerd, door die aandacht schade heeft ondervonden of benadeeld is.

(...)

Beslissing

Het hof:

(...)

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 150.000,- (éénhonderdvijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) jaar hechtenis."

12.3. Het middel behelst de klacht dat het Hof bij de vaststelling van de aan verdachte op te leggen geldboete onvoldoende rekening heeft gehouden met de draagkracht van verdachte.

12.4. Ingevolge art. 24 Sr dient de rechter bij de vaststelling van de geldboete rekening te houden met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin dat nodig is met het oog op een passende bestraffing van de verdachte zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen.

12.5. Het Hof heeft aan de verdachte een geldboete opgelegd van € 150.000,-. Uit 's Hofs motivering volgt voorts dat het van oordeel is dat de verdachte, nog afgezien van het geld dat de verdachte uit misdrijf heeft verkregen, over voldoende middelen beschikt om de boete te voldoen. Het Hof heeft echter niet nader gemotiveerd waarop het zijn oordeel baseert dat de verdachte beschikt over voldoende niet door misdrijf verkregen vermogen of inkomsten. Ook uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte over geld beschikt, anders dan uit misdrijf verkregen, waarmee hij de opgelegde boete zou kunnen voldoen. Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep blijkt voorts dat de draagkracht van de verdachte aldaar niet ter sprake is gekomen. Ik merk daarbij op dat de OvJ in eerste aanleg een ontnemingsvordering heeft aangekondigd(12), dat de Rechtbank geen geldboete heeft opgelegd en dat de Advocaat-Generaal ook geen geldboete heeft gevorderd. De vraag is daarom of van de verdediging mocht worden verwacht dat zij uit eigen beweging op de draagkracht van de verdachte inging. Gelet op de hoogte van de aan verdachte opgelegde geldboete had het Hof zijn oordeel met betrekking tot de draagkracht derhalve nader moeten motiveren.(13)(14)

12.6. Het middel behelst voorts de klacht dat het oordeel van het Hof dat het in de media-aandacht rond de zaak geen grond ziet om tot vermindering van de straf te besluiten, onbegrijpelijk is.

12.7. De klacht faalt. Gelet op de aan de feitenrechter toekomend vrijheid ten aanzien van de waardering van de factoren die het van belang acht voor de straftoemeting, is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk.

12.8. De eerste klacht van het middel slaagt.

13. Het negende middel slaagt. De overige middelen falen. Zij kunnen, behoudens het eerste middel en wellicht de tweede klacht van het zesde middel, worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte 1] (11/00026), [medeverdachte 2] (11/00264) en [medeverdachte 3] (11/03941), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

2 Deze kwestie kwam eerder aan de orde op de terechtzitting van 8 april 2010.

3 Wet van 26 november 2009, houdende partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met rechtsontwikkelingen, internationale verplichtingen en geconstateerde wetstechnische gebreken en leemten, Stb 2009, 525; inwerkingtreding 1 april 2010, Stb. 2010, 139.

4 Overigens bevindt zich bij de stukken van het geding een proces-verbaal waaruit blijkt dat de verdachte op 25 oktober 2010 in Turkije als getuige is gehoord in de zaken tegen de medeverdachten. Daarbij was aanwezig de rechter-commissaris. Uit het proces-verbaal van de zitting van 19 november 2010 maak ik op dat de verdachte op 25 oktober 2010 ook ten aanzien van zijn eigen zaak is gehoord. Zie tevens tussenarrest van 8 juni 2010 waarin het Hof een dergelijk verhoor noodzakelijk noemt. Het is mij niet duidelijk welk belang verdachte heeft bij de tweede klacht van het middel.

5 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep kan niet worden afgeleid dat het Hof met het verzoek van de raadsman heeft ingestemd. Opmerking verdient dat een rechter niet behoeft te responderen op verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd, maar waarvan niet blijkt dat die ter terechtzitting in hoger beroep door of namens de verdachte uitdrukkelijk zijn herhaald. Als zodanige herhaling kan niet gelden dat de raadsman in algemene zin heeft aangegeven dat hij blijft bij hetgeen is vermeld in de pleitnotitie aan de hand waarvan het woord is gevoerd bij de Rechtbank. Uit het stilzwijgen van het Hof kan overigens niet worden afgeleid dat het Hof de in eerste aanleg gevoerde verweren als in hoger beroep herhaald opvatte. HR 7 mei 2002, LJN AD8914, NJ 2002/428 m. nt. J. de Hullu; HR 30 juni 1998, LJN ZC8329, NJ 1999/60 m. nt. G. Knigge.

6 Proces-verbaal van de zitting van 8 april 2010, p. 7.

7 Vgl. HR 31 mei 2011, LJN BO6332, NJ 2011/275.

8 Zie voor de verklaring van [moeder van getuige 1] (voor zover voor het bewijs gebezigd) bewijsmiddel 66 op p. 25 van de aanvulling op het verkorte arrest.

9 Op hetgeen het Hof in de aanvulling op het verkorte arrest (na bewijsmiddel 66) overweegt met betrekking tot de afwijzing van dit verzoek zal de Hoge Raad geen acht kunnen slaan, nu de aanvulling niet voor dergelijke overwegingen is bedoeld. Over de door het Hof gesignaleerde vergissing klaagt het middel overigens niet.

10 Ik laat daar of niet voldoende is dat het lid van het Hof dat als raadsheer-commissaris optrad zich tijdens het verhoor een indruk heeft kunnen vormen van de betrouwbaarheid van de getuige.

11 HR 29 september 2009, LJN BI1171, NJ 2009/541 m. nt. J.M. Reijntjes.

12 Zie het slot van het zich bij de stukken bevindende requisitoir.

13 Mogelijk heeft het Hof het oog gehad op het feit dat verdachte wegens gebrek aan steunbewijs is vrijgesproken van mensenhandel met betrekking tot de aangeefsters [getuige 7] en [getuige 6]. Het Hof overwoog daarbij met zoveel woorden dat het de verklaringen van [getuige 6] aannemelijk achtte. Het kan dus zijn dat het Hof aannemelijk heeft geacht dat verdachte inkomsten uit de prostitutie heeft verkregen die vanwege de gegeven vrijspraken bij de ontnemingsvordering buiten beschouwing moeten blijven en die groot genoeg zijn om een boete van € 150.000,- te kunnen betalen. Als dat de gedachtegang van het Hof is geweest, had het Hof dat tot uitdrukking moeten brengen en moeten voorzien van een deugdelijke onderbouwing.

14 HR 17 oktober 2006, LJN AY0190, NJ 2006/578.