Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX3862

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
11/04761
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX3862
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bevestiging Promis-vonnis en een aanvulling ex art. 365a.2 Sv. De opvatting dat de wijze waarop het Hof het vonnis waarvan beroep op de voet van art. 423.1 Sv heeft bevestigd met aanvulling van gronden, eraan in de weg staat om de bewijsvoering (tezamen met de in het volgens de zgn. Promis-werkwijze gewezen vonnis aangehaalde bewijsvoering en de aanvulling in het arrest) mede te doen steunen op bewijsmiddelen die zijn opgenomen in een na het gewezen arrest opgemaakte aanvulling als bedoeld in art. 365a.2 Sv, vindt geen steun in het recht. De werkwijze die het Hof t.a.v. de bewijsmotivering heeft gevolgd, komt immers erop neer dat de redengevende f&o waarop de beslissing steunt dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet reeds in een terstond uitgewerkt arrest zijn opgenomen, maar klaarblijkelijk in een verkort arrest, dat kan worden aangevuld op de wijze als i.c. is geschied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 312
RvdW 2012/1062
NJB 2012/1907

Conclusie

Nr. 11/04761

Mr. Hofstee

Zitting: 22 mei 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij arrest van 4 mei 2011 behoudens de strafoplegging en de motivering daarvan bevestigd het promisvonnis van de Rechtbank te Zwolle-Lelystad van 7 oktober 2010 waarbij verzoeker is veroordeeld wegens "verkrachting". Het Gerechtshof heeft verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

2. Namens verzoeker heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat het Hof ten onrechte het vonnis van de Rechtbank heeft bevestigd, nu de verdediging in hoger beroep uitdrukkelijk verweer heeft gevoerd over de omstandigheid dat verzoeker tijdens zijn aanhouding geen onderbroek aan had.

4. In het door het Hof bevestigde vonnis heeft de Rechtbank op grond van het proces-verbaal van aanhouding als vaststaand feit aangenomen dat verzoeker tijdens zijn aanhouding geen onderbroek onder zijn spijkerbroek droeg en dat zijn onderbroek toen in de linkerbroekzak van zijn spijkerbroek werd aangetroffen. Ter terechtzitting in eerste aanleg, zo blijk uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal, heeft verzoeker weliswaar verklaard dat het niet klopt dat de politie een onderbroek in zijn zak heeft aangetroffen, maar niet heeft hij ontkend dat hij geen onderbroek droeg. Gezien het proces-verbaal terechtzitting van het Hof van 21 april 2011 heeft verzoeker in hoger beroep verklaard te blijven bij zijn in eerste aanleg afgelegde verklaring en dat die onderbroek inderdaad niet in zijn broekzak zat. In zijn aan dat proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen is de raadsman van verzoeker specifiek ingegaan op de aangetroffen onderbroek door daarover het volgende aan te voeren:

"De onderbroek van cliënt

Uit de verhoren bij de RC is duidelijk geworden dat niet is vastgesteld dat cliënt ten tijden van zijn aanhouding geen onderbroek zou hebben gedragen. Pas bij de inbeslagname van de kleding zou door verbalisant [verbalisant 1] zijn geconstateerd dat cliënt geen onderbroek zou hebben aangehad. Bij de verslaglegging is bovendien een fout gemaakt ter zake de kleur van de onderbroek. In het PV van aanhouding staat dat het een zwarte onderbroek zou zijn geweest in het PV van inbeslagname dat het een blauwe was. Dit maakt de inhoud van het PV minder betrouwbaar. Niet valt uit te sluiten dat er vergissingen zijn gemaakt. Te meer omdat de kleding van cliënt in beslag is genomen nadat bij hem een zedenkit is afgenomen, waarbij mogelijk de onderbroek van cliënt uit is geweest. Cliënt heeft steeds ontkend ten tijden van zijn aanhouding geen onderbroek aangehad te hebben."

5. Door bevestiging van het promisvonnis van de Rechtbank heeft ook het Hof als vaststaand feit aangenomen dat verzoeker tijdens zijn aanhouding geen onderbroek droeg. Dat oordeel vind ik niet onbegrijpelijk, te minder nu een juiste lezing van de verklaringen van verzoeker, zoals weergegeven in de voornoemde zittingsverbalen, niet tot een andere uitleg noopt. Als gezegd heeft verzoeker bestreden dat zijn onderbroek in zijn broekzak is aangetroffen, maar nergens lees ik dat hij heeft ontkend geen onderbroek te hebben gedragen op het moment van zijn aanhouding.(1) Omdat het door de raadsman over de onderbroek van zijn cliënt aangevoerde zijn weerlegging vindt in de door het Hof bevestigde bewijsbeoordeling van de Rechtbank en het deze bewijsbeoordeling niet kan aantasten, was het Hof niet gehouden tot een nadere motivering.

6. Het middel faalt.

7. Het tweede middel klaagt eveneens over de bewijsmotivering doordat het Hof niettegenstaande zijn bevestiging van het promisvonnis van de Rechtbank een aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft opgemaakt.

8. Het middel berust op de misvatting dat een door het Hof bevestigd promisvonnis niet door hem zou mogen worden aangevuld met een bewijsmiddelenoverzicht in de zin van art. 365a, tweede lid Sv. Volgens de steller van het middel doet zich hier een situatie voor die in hoge mate vergelijkbaar is met de situatie die leidde tot HR 15 maart 2011, LJN BP1284, NJ 2011/137. Ik meen dat deze vergelijking mank gaat. In de zaak waar de Hoge Raad zich in zijn arrest van 15 maart 2011, LJN BP 1284 over boog, had het Hof namelijk een verkort arrest gewezen met een aanvulling en had het Hof in die aanvulling slechts volstaan met een opgave van de vindplaatsen van de bewijsmiddelen (met weglating van de inhoud ervan). Dat was niet toegestaan omdat het niet om een bekennende verdachte ging. In die zaak ontbraken dus - anders dan in het onderhavige geval - zowel in het verkort arrest als in de aanvulling daarop een volledige aanhaling van de gebezigde bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden waren ontleend.

9. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

10. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Een blik over de papieren muur leert dat de verbalisant die bij verzoekers aanhouding aanwezig was op dit punt zeer duidelijk is in zijn tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring.