Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX3849

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
11/03716
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX3849
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1162
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03716

Mr. Silvis

Zitting: 22 mei 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem zitting houdende te Leeuwarden heeft verdachte bij arrest van 26 juli 2011 wegens kort gezegd sociale zekerheidsfraude veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren (subsidiair 50 dagen hechtenis) waarvan 50 uur (subsidiair 25 dagen hechtenis) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verzoeker heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat het Hof heeft verzuimd de inhoud van een schriftelijk stuk, een ID-staat SKDB voor te lezen of de korte inhoud daarvan mee te delen terwijl het stuk wel voor het bewijs is gebezigd.

4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard, dat:

"in of omstreeks de periode van 15 april 2008 tot en met 17 september 2008 in de gemeente Almere opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning aan de [a-straat 1] te Almere en van de in die woning aanwezige voorzieningen, zoals gas en water en electriciteit en opzettelijk eet- en drinkwaren heeft genuttigd, wetende dat de huur van die woning en die voorzieningen en die eet- en drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, welke door [betrokkene 1] - met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde - door misdrijf was verkregen, hebbende verdachte aldus opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken."

5. Vooropgesteld kan worden dat art. 301, vierde lid, Sv bepaalt dat ten bezware van de verdachte geen acht mag worden geslagen op stukken die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet is meegedeeld. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat de verdediging bekend is met de desbetreffende bewijsstukken, alsook dat zij erop bedacht is dat de rechter zijn oordeel op die bewijsstukken kan baseren. Inhoudelijke controle op de naleving van art. 301 lid 4 Sv is alleen mogelijk als het proces-verbaal van de zitting nauwkeurig aangeeft, welke stukken aldaar zijn voorgelezen of van welke stukken aldaar de korte inhoud is meegedeeld. Wanneer het ernstig vermoeden rijst dat het Hof het in art. 301, vierde lid, Sv gegeven voorschrift niet heeft nageleefd, rijst de vraag of de verdachte daardoor in enig rechtens te respecteren belang is geschaad (HR 6 oktober 1998, LJN AB9537, NJ 1998, 881). Van schending van dat belang hoeft niet per se sprake te zijn indien anderszins vaststaat dat de voor het bewijs gebruikte gegevens de verdachte bekend waren (vgl. HR 12 april 2011, LJN BN4351). Een verzuim als in het middel gesteld hoeft niet tot cassatie leiden, indien de bewezenverklaring ook met weglating van het bewijsmiddel, waarvan het gebruik op louter formele gronden wordt aangevochten, overigens toereikend is gemotiveerd (vgl. HR 13 april 2012, LJN BV5571, rov 3.3 en 3.4).

6. Verdachte staat kort gezegd terecht wegens uitkeringsfraude. Hij zou feitelijk bij zijn vriendin in Almere hebben gewoond en inkomsten uit arbeid hebben verworven terwijl zijn vriendin een uitkering ontving van de Sociale Dienst. Verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg verschenen maar in hoger beroep is hij vertegenwoordigd door een uitdrukkelijk gemachtigd raadsman. Net als de dagvaarding in eerste aanleg, is ook de dagvaarding in hoger beroep na tevergeefs te zijn uitgereikt aan het GBA-adres van verdachte op de [b-straat 1] te Amsterdam in persoon uitgereikt op het postkantoor. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep waar zijn uitdrukkelijk gemachtigd raadsman het woord heeft gevoerd, blijkt niet met zoveel woorden dat en zo ja welke stukken zijn voorgehouden.(1) Wel is als adres opgenomen het eerder genoemde GBA-adres. Aan de akte van uitreiking in appel is gehecht een op 18 mei 2011 uitgedraaide ID-staat SKDB, waarin ook als GBA adres van verdachte staat vermeld [b-straat 1] te Amsterdam. Dat verdachte op het laatstgenoemde adres stond ingeschreven gedurende de door het Hof bewezen verklaarde periode is geen onderwerp van controverse.

7. Het bewijs is geheel gebaseerd op stukken die in eerste aanleg verkort zijn voorgehouden, met uitzondering van bewijsmiddel 5, het schriftelijk stuk, een ID-staat SKDB waarin (bijlage 3) staat dat de verdachte op de [b-straat 1] stond ingeschreven sedert 23 februari 1995. In de bewijsconstructie speelt het bewijsmiddel 5 geen andere betekenis dan dat hij in of omstreeks de bewezenverklaarde periode, van 15 april 2008 tot en met 17 september 2008, stond ingeschreven op dat adres [b-straat 1], welke woning volgens bewijsmiddel 4 in feitelijke zin toen niet door verdachte werd bewoond, maar wel door hem werd onderverhuurd aan een ander. Bewijsmiddel 5 heeft dus hooguit een zeer marginale betekenis, aangezien het tenlastegelegde feit een ander adres betreft. Voor zover al niet gezegd kan worden dat geacht moet worden dat in ieder geval de op 18 mei 2011 opgemaakte ID-staat met het gba-adres zich in het dossier heeft bevonden, kan bezwaarlijk worden volgehouden dat de verdediging niet op de hoogte zou zijn geweest van het adres van inschrijving van de verdachte.

8. Hoewel het middel met reden klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet inhoudt dat de opgemaakte ID-staat met verdachtes gba-adres (bewijsmiddel 5) is voorgehouden, staat voldoende vast dat de verdediging van het adres van inschrijving op de hoogte was. Bovendien kan ook met weglating van het bewijsmiddel niet gezegd worden dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. Het middel mist daarom een rechtens te respecteren belang.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt erover dat uit de bewijsmotivering niet kan volgen dat verdachte ook voordeel heeft genoten uit de door [betrokkene 1] middels misdrijf verkregen uitkeringsgelden.

11. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] de auto van de verdachte weleens gebruikt om boodschappen te doen, zij soms samen boodschappen doen en [betrokkene 1] in ieder geval ook weleens brandstof betaalde voor verdachte. Daarmee is voldoende gemotiveerd bewezenverklaard dat verdachte ook voordeel heeft genoten uit de door [betrokkene 1] middels misdrijf verkregen uitkeringsgelden. Het middel faalt eveneens.

12. Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ook ontbreekt een gebruikelijke, overigens weinig informatieve, standaardzin inhoudende dat de stukken die op de zaak betrekking hebben, zijn voorgelezen of verkort voorgehouden.