Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX3666

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-05-2012
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
11/01807 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX3666
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/01807 P

Mr. Hofstee

Zitting: 15 mei 2012

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 6 april 2011 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 284.383,24 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 270.000,00.(1) Voorts heeft het Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering voor zover deze betrekking heeft op de periode tot en met het jaar 2000.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/01806 en 11/01807P. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de betrokkene heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich tegen de motivering van 's Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging tot aanhouding van de behandeling van de zaak op de terechtzitting van 13 oktober 2010, voor zover het Hof daarbij heeft overwogen dat het de verdediging reeds kort na de terechtzitting van 13 oktober 2010 bekend was dat het onderzoek in maart 2011 zou worden hervat, terwijl de betrokkene bovendien door de betekening van de oproeping voor de terechtzitting van 13 oktober 2010 vanaf de datum van die betekening op 14 februari 2011 geacht kan worden op de hoogte te zijn geweest van de exacte zittingsdatum. Met betrekking tot deze punten is volgens de steller van het middel de afwijzing van het aanhoudingsverzoek onvoldoende met redenen omkleed.

5. Het Hof heeft, gezien het zittingsverbaal, ter terechtzitting van 23 maart 2011 overwogen:

"De voorzitter deelt voorts mede:

De oproeping van de verdachte om ter terechtzitting van heden te verschijnen is blijkens een aan die oproeping gehechte akte van uitreiking op 14 februari 2011 op het adres [a-straat 1] te Venlo uitgereikt aan [betrokkene 1], zijnde de echtgenote van de verdachte, die zich bereid verklaarde de oproeping in ontvangst te nemen en onverwijld aan de verdachte te doen toekomen. De oproeping is derhalve juist betekend.

Bij faxbericht d.d. 21 maart 2011, op die datum om 16.59 uur ingekomen ter strafgriffie, heeft de raadsman van de verdachte het hof verzocht de behandeling van de zaak heden aan te houden. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte vanaf heden, 23 maart 2011, voor een periode van een aantal weken in verband met verslavingsproblematiek zal worden opgenomen in de Verslavingskliniek Paschalis, waardoor hij fysiek en psychisch niet in staat zou zijn om heden ter terechtzitting te verschijnen en zodoende zijn aanwezigheidsrecht te effectueren.

Bij dit faxbericht zijn als bijlagen gevoegd:

- een brief van het secretariaat van de Verslavingskliniek Paschalis d.d. 16 maart 2011, inhoudende dat de verdachte vanaf 23 maart 2011 zal worden opgenomen in die kliniek en dat tijdens de opname zal worden bekeken of de opname één of twee weken zal duren;

- een medische verklaring van J.C. Buddingh-Knol, verslavingsarts, d.d. 14 maart 2011, inhoudende dat de verdachte begin januari 2011 is aangemeld in verband met verslavingsproblematiek en dat hij per 23 maart zal worden opgenomen in de kliniek Paschalis ter detoxificatie en diagnostiek;

- een brief van F.M. Jacobs, huisarts, d.d. 15 maart 2011, inhoudende dat vanaf 23 maart 2011 een langdurige opname van de verdachte zal plaatsvinden vanwege medische redenen en dat hij gedurende deze periode niet in staat zal zijn de instelling te verlaten.

Naar aanleiding van dit aanhoudingsverzoek heeft de griffier gisteren, 22 maart 2011 omstreeks 09.50 uur, telefonisch contact gezocht met de raadsman. Deze bleek telefonisch niet bereikbaar. De griffier heeft aan de secretaresse van de raadsman namens de voorzitter van de strafkamer medegedeeld dat het hof voorshands niet voornemens was om de behandeling van de straf- en ontnemingszaak aan te houden, maar beide zaken inhoudelijk te behandelen. De secretaresse zou dit doorgeven aan de raadsman.

Bij faxbericht d.d. 22 maart 2011, op die datum om 16.02 uur ingekomen ter strafgriffie, heeft de raadsman onder meer geschreven dat hij die ochtend heeft vernomen dat het hof op voorhand niet voornemens was de zaak aan te houden en dat wordt gepersisteerd bij het aanhoudingsverzoek. De raadsman heeft voorts bericht dat de verdachte hem uitdrukkelijk niet heeft gemachtigd om de verdediging te voeren indien de verdachte zelf niet ter terechtzitting aanwezig kan zijn en dat de verdediging daarom niet ter terechtzitting zal verschijnen.

(...)

Bij de beslissing op het verzoek tot aanhouding dient het hof een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.

Het hof neemt hierbij allereerst in aanmerking dat in de faxberichten van de raadsman d.d. 21 en 22 maart 2011, noch in de bijlagen bij eerstgenoemd faxbericht, wordt geconcretiseerd waaruit de verslavingsproblematiek zou bestaan, terwijl in de bijgevoegde verklaring van de huisarts slechts in algemene bewoordingen wordt gesproken over "medische redenen". Bovendien leidt het hof uit de faxberichten af dat voor deze opname een wachttijdregeling geldt en de situatie van de verdachte kennelijk toeliet dat de opname uitgesteld kon worden. Van een dringende noodzaak tot de huidige opname die geen uitstel duldde is derhalve niet gebleken.

Voorts acht het hof het procesverloop in hoger beroep van belang. In hoger beroep is het onderzoek van de zaak aangevangen op de regiezitting d.d. 17 juni 2009. De zaak is toen aangehouden teneinde uitvoering te geven aan een aantal onderzoekswensen van de verdediging. Daarbij is de inhoudelijke behandeling van de zaak geagendeerd op de terechtzittingen van 11 en 25 november 2009.

Ter terechtzitting van 11 november 2009 heeft de geplande inhoudelijke behandeling van de zaak geen doorgang gevonden, omdat in deze zaak en in een aantal van de zaken van de medeverdachten het door de verdediging verzochte onderzoek nog niet was afgerond. De terechtzitting van 25 november 2009 heeft daarom evenmin doorgang gevonden. Daarbij is de inhoudelijke behandeling van de zaak geagendeerd op de terechtzittingen van 3 en 10 maart 2010.

Ter terechtzitting van 3 maart 2010 heeft de geplande inhoudelijke behandeling van de zaak wederom geen doorgang gevonden, toen omdat het verhoor van één van de door de verdediging verzochte getuigen nog niet had plaatsgevonden. Het onderzoek is toen voor onbepaalde tijd geschorst. De terechtzitting van 10 maart 2010 heeft daarom evenmin doorgang gevonden.

De inhoudelijke behandeling van de zaak is vervolgens geagendeerd op de terechtzitting van 13 oktober 2010. Op die terechtzitting heeft de geplande inhoudelijke behandeling van de zaak andermaal geen doorgang gevonden, toen omdat de behandeling van de zaak op verzoek van de verdediging werd aangehouden in verband met het verblijf van de verdachte in Turkije wegens de medische situatie van zijn zoon. Het hof heeft op die terechtzitting het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst en daarbij bepaald dat het onderzoek medio maart 2011 zal worden hervat.

De inhoudelijke behandeling van de zaak is vervolgens geagendeerd op de terechtzitting van heden. Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, is de oproeping van de verdachte om ter terechtzitting van heden te verschijnen op 14 februari 2011 uitgereikt aan zijn echtgenote.

Gelet op het vorenstaande was het de verdediging reeds kort na 13 oktober 2010 bekend dat het onderzoek medio deze maand zou worden hervat, terwijl de verdachte bovendien - door de betekening van de oproeping voor deze terechtzitting - op 14 februari 2011 geacht kan worden vanaf die datum op de hoogte te zijn geweest van de exacte zittingsdatum.

Vervolgens heeft de raadsman twee dagen vóór deze terechtzitting van 23 maart 2011 verzocht de geplande inhoudelijke behandeling voor de vierde maal geen doorgang te laten vinden.

Mede gelet op de ouderdom van de ten laste gelegde feiten (daterend van de periode van 1 januari 2001 tot en met 27 januari 2004), de datum van de uitspraak in eerste aanleg (29 februari 2008) en het procesverloop in hoger beroep is het hof van oordeel dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging - ernstig in het gedrang zou komen, indien het onderzoek op deze terechtzitting andermaal zou worden geschorst. Daar komt bij dat de huidige opname van de verdachte, die door de kliniek overigens wordt geschat op slechts één à twee weken, uitstel duldde, zoals uit de overgelegde stukken is gebleken. De verdachte had die opname derhalve kunnen uitstellen en aldus ter terechtzitting aanwezig kunnen zijn en zijn aanwezigheidrecht kunnen effectueren. Gelet op het vorenstaande moet het belang van een goede strafvordering onder de gegeven omstandigheden zwaarder wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn.

Het hof wijst het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak daarom af.

Er wordt geen verstek verleend tegen de verdachte, nu hij ter terechtzitting van het hof van 3 maart 2010 is verschenen en er derhalve sprake blijft van een behandeling op tegenspraak."

6. In het proces-verbaal terechtzitting van 13 oktober 2010 staat het volgende te lezen:

"Het hof schorst daarop, gehoord de advocaat-generaal en gezien het voorgaande, het onderzoek voor onbepaalde tijd, met bepaling dat het onderzoek medio maart 2011 zal worden hervat.

Het hof beveelt de oproeping van de verdachte tegen de nader te bepalen terechtzitting en de kennisgeving daarvan aan de raadsman."

7. Voorts blijkt uit de stukken van het geding dat de oproeping om op 23 maart 2011 ter terechtzitting van het Hof te verschijnen op 14 februari 2011 op het woonadres van de betrokkene aan [betrokkene 1], kennelijk de vrouw van de betrokkene, is uitgereikt en betekend, en dat zij zich bij die gelegenheid bereid verklaarde deze brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de betrokkene te doen toekomen. Voorts bevindt zich onder de gedingstukken een schrijven van de griffier van het Hof d.d. 2 november 2010 aan de raadsman van de betrokkene, waarbij deze (een afschrift van) het proces-verbaal van aanhouding (betreffende de terechtzitting van 13 oktober 2010, naar ik begrijp) is toegestuurd.

8. Ik zal mijn bespreking van het middel kort houden. Anders dan de steller van het middel, die zijn betoog blijkens de toelichting op het middel baseert op de mening van de betrokkene, ben ik - met verwijzing naar hetgeen ik hierboven onder 5, 6 en 7 heb weergegeven - van oordeel dat het Hof heeft kunnen overwegen, gelijk het niet onbegrijpelijk heeft gedaan, dat het de verdediging reeds kort na de terechtzitting van 13 oktober 2010 bekend was dat het onderzoek in maart 2011 zou worden hervat terwijl de betrokkene bovendien door de betekening van de oproeping voor de terechtzitting van 23 maart 2011 vanaf de datum van die betekening op 14 februari 2011 geacht kan worden op de hoogte te zijn geweest van de exacte zittingsdatum. Met betrekking daartoe is de afwijzing van het aanhoudingverzoek toereikend door het Hof gemotiveerd.

9. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

10. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat het geen aanleiding ziet om op het geschatte bedrag het in de eerste helft van 2001 verkregen illegale inkomen (ik begrijp: legale inkomen) in mindering te brengen. Deze overweging is zonder nadere redengeving onbegrijpelijk, zodat de oplegging van de maatregel onvoldoende met redenen is omkleed, aldus de steller van het middel.

11. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, heeft het Hof in zijn bestreden arrest overwogen:

"D. Kosten van levensonderhoud

Het proces-verbaal SFO houdt - zakelijk weergegeven en voor zover hier relevant - het volgende in (pagina's 50-52):

Om de kosten van levensonderhoud te kunnen berekenen dient rekening te worden gehouden met de gezinssamenstelling van [betrokkene]. Gedurende de gehele onderzoeksperiode vanaf 1 januari 1999 is [betrokkene] gehuwd en staande dit huwelijk zijn twee kinderen geboren in 1986 en 1989.

Volgens de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) van de gemeente Venlo heeft het hele gezin [van betrokkene] gedurende de gehele onderzoeksperiode ingeschreven gestaan op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]. Het gezin bestond dus al die tijd uit vier personen.

Na nauwkeurige analyse bleek dat via de bankrekeningen van [betrokkene] extreem weinig uitgaven waren gedaan terzake kosten wegens levensonderhoud.

In onderstaand overzicht wordt het totaal van alle getraceerde kosten wegens levensonderhoud vermeld.

Jaar Getraceerde kosten

2001 € 0

2002 € 18,71

2003 € 1.253,87

De in dit overzicht gepresenteerde kosten van levensonderhoud waren volstrekt ontoereikend om het hele gezin [van betrokkene] te kunnen onderhouden.

Om objectief te kunnen beoordelen hoeveel geld maandelijks nodig was om het gezin [van betrokkene] te kunnen voorzien in het levensonderhoud wordt gebruik gemaakt van de door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD)gepubliceerde gegevens.

Door het NIBUD werd per afzonderlijk jaar gepubliceerd hoeveel geld maandelijks per type huishouden nodig was om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Het gezin [van betrokkene] werd, gelet op de grootte en afkomst, gerangschikt onder "Referentiebudget allochtonen voor vierpersoonshuishoudens - Turken".

De tabel van het referentiebudget voor het jaar 2004 wordt als bijlage 31 bijgevoegd.

Blijkens bijlage 31 bij het proces-verbaal SFO bedroegen in 2004 de totale maandelijkse uitgaven voor een Turkse vierpersoonshuishouden € 2.319,-.

Nu de hiervoor weergegeven getraceerde kosten van levensonderhoud volstrekt ontoereikend waren om het gezin van de veroordeelde te kunnen onderhouden, gaat het hof uit van de kosten van levensonderhoud overeenkomstig voormeld referentiebudget.

Het hof overweegt dat, bij gebreke van referentiebudgetten over de jaren 2001, 2002 en 2003, het hof het referentiebudget over het jaar 2004 zal hanteren. De kosten van levensonderhoud in de jaren 2001, 2002 en 2003 zullen, gelet op de prijsindexering, weliswaar (enigszins) lager zijn geweest dan in 2004, maar dit wordt naar het oordeel van het hof ruimschoots gecompenseerd door de algemene ervaringsregel dat het uitgavenpatroon van een gezin dat kan beschikken over inkomsten uit grootschalige drugshandel hoger ligt dan dat van een gemiddeld Turks vierpersoonshuishouden.

Het totaal aan kosten van levensonderhoud in de jaren 2001, 2002 en 2003 bedraagt derhalve: € 2.319,- x 36 maanden = € 83.484,-.

(...)

I. Samenvatting van de bedragen

Gelet op het voorgaande heeft de veroordeelde in de periode 2001, 2002 en 2003 de beschikking gehad over de navolgende bedragen:

A € 35.274,29

C € 68.436,11

D € 83.484,--

E € 22.500,--

F € 27.375,--

G € 19.440,--

H € 27.873,84

-------------

Totaal €284.383,24

De veroordeelde en zijn echtgenote beschikten in 2002 en 2003 niet en in 2001 slechts over beperkte legale inkomsten (pagina's 81-84 van het proces-verbaal SFO). Evenals de rechtbank ziet het hof geen aanleiding om op het bedrag van € 284.383,24 het door de veroordeelde en zijn echtgenote in de eerste helft van 2001 verkregen legale inkomen in mindering te brengen, aangezien aannemelijk is dat de kosten van levensonderhoud van het gezin [van betrokkene] niet beperkt waren tot de door het NIBUD vastgestelde normbedrag. Immers, in de kringen waarin de veroordeelde zich bewoog, ligt het uitgavenpatroon op een wezenlijk hoger niveau."

12. Bij de berekening van de schatting en vaststelling van de hoogte van het totaal door de betrokkene wederrechtelijk genoten voordeel, heeft het Hof onder D de kosten van levensonderhoud van de betrokkene en diens gezin overeenkomstig het referentiebudget van het NIBUD in ogenschouw genomen. Voorts heeft het Hof onder I geoordeeld dat er geen aanleiding is om op het geschatte en vastgestelde ontnemingsbedrag het door de betrokkene en zijn echtgenote in de eerste helft van 2001 verkregen legale inkomen in mindering te brengen. Voor zover de klacht bedoelt in te houden dat aan dit oordeel redengevendheid ontbreekt, mist zij feitelijke grondslag. Het Hof heeft daarbij immers overwogen dat het aannemelijk is dat de kosten van levensonderhoud van het gezin van de betrokkene niet beperkt waren tot het door het NIBUD vastgestelde normbedrag, nu in de kringen waarin de betrokkene zich bewoog het uitgavenpatroon op een wezenlijk hoger niveau bewoog. Deze redengevende overweging acht ik niet onbegrijpelijk. In dit verband durf ik wel de stelling aan dat de bestreden overweging van het Hof in gevallen als het onderhavige op een algemene ervaringsregel berust. Waarin zou anders het lucratieve van drugshandel en witwassen in een omvang als in deze zaak bestaan? Met welk ander doel dan 'snel het grote geld pakken' pleegt de betrokkene dergelijke misdrijven? Het antwoord op deze vragen laat zich eenvoudig invullen: om zichzelf in betrekkelijk korte tijd te verrijken en met de verkregen hoge inkomsten daaruit 'leuke dingen' te doen.

13. Het middel faalt.

14. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het Hof ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om het ontnemingsbedrag te verminderen tot € 270.000,00.