Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX0333

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-09-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
11/03874
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ6282
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX0333
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Kinderalimentatie. Behoeftebepaling. Verdeling onderhoudslasten tussen biologische vader en stiefvader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1141
JWB 2012/421
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 11/03874

Mr. Huydecoper

Zitting van 29 juni 2011

Conclusie inzake

[De vrouw]

verzoekster tot cassatie

tegen

[De man]

verweerder in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. De verzoekster tot cassatie, [de vrouw], is in september 1989 getrouwd met [betrokkene 1]. Bij in september 1998 ingeschreven echtscheidingsbeschikking werd dit huwelijk beëindigd. Aan [betrokkene 1] werd een alimentatieplicht ten opzichte van de tijdens het huwelijk geboren kinderen opgelegd, waaronder de zoon [de zoon], geboren in 1996.

2. In november 2008 werd een verzoek van [betrokkene 1] dat strekte tot ontkenning van het vaderschap van [de zoon], gegrond verklaard. Bij de toen gegeven beschikking werd ook het vaderschap van de verweerder in cassatie, [de man], met betrekking tot [de zoon] vastgesteld.

De alimentatieplicht van [betrokkene 1] jegens [de zoon] is vervolgens beëindigd.

3. In deze zaak gaat het om de vaststelling van de door [de man] voor het levensonderhoud van [de zoon] te betalen onderhoudsbijdrage.

Na een beslissing daarover in de eerste aanleg, bepaalde het hof in de in cassatie bestreden beschikking die bijdrage, en wel "gestaffeld" over drie in de beschikking aangegeven verschillende periodes.

4. Namens [de vrouw] is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(2). De advocaat van [de man] heeft laten weten dat van verweer in cassatie werd afgezien.

Bespreking van de cassatiemiddelen

5. De middelen stellen twee kwesties aan de orde, die ik samenvat als: of het hof terecht en op toereikende gronden bij de bepaling van de behoefte van [de zoon] alleen het inkomensniveau van [de vrouw] en haar huidige echtgenoot in aanmerking heeft genomen (en daarbij dus geen betekenis heeft toegekend aan de middelen van [de man]); en of het hof terecht en op toereikende gronden de verdeling van de onderhoudslasten voor [de zoon] tussen [de man] en [de zoon]s stiefvader - de huidige echtgenoot van [de vrouw] - op de voet van "50/50" heeft bepaald.

Ik zal beide vragen bespreken in de volgorde waarin ze zojuist werden genoemd.

Behoefte van een minderjarige onderhoudsgerechtigde die nooit in gezinsverband met de onderhoudsplichtige heeft geleefd

6. Het onderwerp dat ik in het "kopje" boven deze alinea aanduid, wordt in de rechtsleer als volgt "behandeld":

- Niets staat er aan in de weg dat de rechter bij de bepaling van de behoefte van een minderjarige in de beschreven omstandigheden, niet slechts rekening houdt met de middelen zoals die in de huishouding waarin de minderjarige opgroeit beschikbaar zijn, maar ook met de middelen waarover de alimentatieplichtige met wie de minderjarige niet heeft samengewoond, beschikt of kan beschikken(3).

De hier geformuleerde regel strekt er - allicht - niet toe, dat de rechter ook verplicht zou zijn om bij de bepaling van de behoefte met de beide genoemde gegevens rekening te houden.

Bij deze beoordeling moeten echter kosten die niet daadwerkelijk voor de minderjarige blijken te worden gemaakt, buiten beschouwing worden gelaten(4).

- De beoordeling van de behoefte op de zojuist bedoelde voet (dus op die manier, dat met de beide bedoelde gegevens rekening wordt gehouden) geldt als feitelijk, of als (in sterke mate) verweven met feitelijke waarderingen(5).

- Zowel in de literatuur als in de rechtspraak in feitelijke instanties, wordt intussen in grote meerderheid aangenomen dat het in de regel aangewezen is dat bij de bepaling van de behoefte van een minderjarige in de hier onder ogen geziene verhoudingen, de middelen waarover de alimentatieplichtige kan beschikken niet (geheel) buiten beschouwing worden gelaten(6).

7. Ik erken dat ik veel voel voor de gedachten die steun vinden in de bronnen die ik bij het laatste "gedachtestreepje" in de vorige alinea heb aangehaald. Het feit dat een minderjarige opgroeit in een gezinssituatie waarin de middelen wezenlijk beperkter zijn dan het geval is aan de kant van een alimentatieplichtige met wie die minderjarige nooit heeft samengewoond(7) - meestal dus een vader die de minderjarige verwekt heeft buiten een vaste relatie met de moeder -, zou ook volgens mij meestal reden moeten opleveren om bij de behoeftebepaling in zekere mate rekening te houden met het hogere niveau van welstand waartoe de alimentatieplichtige toegang blijkt te hebben.

8. Of dat ook spoort met de in alinea 6 aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad, is aan enige twijfel onderhevig. De overwegingen van de Hoge Raad die ertoe strekken dat niets eraan in de weg staat dat met de welvaart van de alimentatieplichtige in het voordeel van de minderjarige rekening wordt gehouden, lijken de rechter meteen ook de ruimte te geven om, als hij daar aanleiding toe ziet, in de tegengestelde zin te beslissen. Ook de in die rechtspraak beklemtoonde verwevenheid met feitelijke waarderingen, kan gemakkelijk de indruk wekken dat er geen in cassatie toetsbare regel bestaat die ertoe strekt dat de rechter, althans in beginsel, wél met de voor de minderjarige voordelige welvaart van de alimentatieplichtige rekening zou moeten houden.

10. Maar zoals ik al liet blijken: in de literatuur en in de rechtspraak in feitelijke instanties wordt een dergelijke in-beginsel-regel wel aanvaard of aanbevolen; en wat mij betreft gebeurt dat op goede gronden.

Ook als men wil aanvaarden dat er (uitzonderings-)gevallen zijn waarin de "feitelijke" rechter voor de andere weg moet (kunnen) kiezen, dringt zich op dat in verreweg de meeste gevallen billijkheidsargumenten erheen leiden, dat de alimentatiegerechtigde minderjarige iets zou moeten "meekrijgen" van de superieure middelen waarover de alimentatieplichtige beschikt.

Daarom zou, wat mij betreft, de rechter die voor de andere benadering meent te moeten kiezen, tenminste moeten motiveren waarom er in het gegeven geval aanleiding is om af te wijken van wat overigens als billijk uitgangspunt de voorkeur lijkt te verdienen.

11. Zou het hof dus inderdaad, zoals in het middel wordt gesteld, zonder daarvoor dragende redenen hebben gekozen voor de bepaling van de behoefte van [de zoon] zonder rekening te houden met de middelen van [de man] - die volgens [de vrouw] een hoger behoefte-niveau zouden indiceren -, dat zou ik de hiertegen gerichte klachten als gegrond aanmerken.

12. Volgens mij heeft het hof echter een dragende en ook steekhoudende motivering gegeven voor het oordeel dat het middel aanvecht: van de kant van [de vrouw] is niet gesteld of onderbouwd dat er voor [de zoon] hogere kosten dienden te worden gemaakt, dan met de welstand van het gezin waarin hij opgroeit in overeenstemming is.

13. Die overweging sluit aan bij de door de Hoge Raad aanvaarde regel waarnaar ik heb verwezen in alinea 6, eerste "gedachtestreepje": bij de behoeftebepaling mag geen rekening worden gehouden met "fictieve" kosten, die in werkelijkheid niet worden gemaakt.

Als dus aanspraak wordt gemaakt op een hoger behoefteniveau met het oog op het feit dat de middelen van de alimentatieplichtige méér ruimte bieden dan overeenstemt met de welstand waarin de onderhoudsgerechtigde minderjarige opgroeit, mag de rechter verlangen dat de betrokkenen laten zien, welke (extra) bestedingen er in het kader van het hogere behoefteniveau zullen plaatsvinden(8).

14. Hoewel ik dus de (vuist)regel waarop in de eerste cassatieklacht een beroep wordt gedaan wil onderschrijven, meen ik dat het hof die regel niet heeft miskend, en zijn oordeel heeft gevormd aan de hand van een met die vuistregel sporende maatstaf.

De klacht lijkt mij daarom ongegrond.

Verdeling van de alimentatie over verschillende alimentatieplichtigen

15. De tweede klacht van het middel betreft, zoals ik al even aangaf, de verdeling van de voor [de zoon] op te brengen lasten tussen [de man] en [de zoon]s stiefvader. In rov. 3.6.3 brengt het hof, aan de hand van een afweging van een reeksje in die rov. toegelichte omstandigheden, 50% van de voor [de zoon] vastgestelde behoefte ten laste van [de man] (zodat, naar in de rede ligt, de andere 50% voor rekening van [de zoon]s stiefvader komen).

16. Verdeling van de onderhoudsplicht "over" meer dan een onderhoudsplichtige, moet plaatsvinden naar rato van de draagkracht van de betrokkenen en van de verhouding waarin ieder van de betalingsplichtigen tot de gerechtigde staat(9). Blijkens de Parlementaire Geschiedenis(10) is de wetgever uitgegaan van het "normaaltype" dat een ouder-bloedverwant gewoonlijk nauwere verwantschap met een kind zal hebben dan een stiefouder; maar blijkens de in voetnoot 9 aangehaalde rechtspraak kan het omgekeerde ook het geval zijn - zelfs in die mate dat de onderhoudsplicht van de "biologische" ouder geheel komt te vervallen.

17. De cassatieklacht onderkent dat het hof aan de hand van weging van een reeks van omstandigheden die met name de verhouding tussen [de zoon] en de beide alimentatieplichtigen betreffen, is gekomen tot de gekozen verdeling. De klacht komt er op neer dat de door het hof gemaakte weging niet "dwingend" tot de door het hof gevonden uitkomst leidt, en dat aan de hand van dezelfde wegingsfactoren ook andere uitkomsten logisch verdedigbaar zouden zijn.

18. Het argument dat deze klacht aanvoert, kan bijna altijd worden aangevoerd als de rechter moet oordelen aan de hand van een aantal wegingsfactoren die zich niet voor kwantificering lenen, maar slechts voor "globale" appreciatie.

Daarmee is ook meteen gegeven dat de klacht niet opgaat: de steller heeft gelijk met het betoog dat in dergelijke wegings-situaties geen "dwingende" motivering van de gevonden uitkomst kan worden gegeven; maar ongelijk, waar hij aanneemt dat de rechter zo'n motivering desondanks - en dus in weerwil van het feit dat dat niet mogelijk is - zou moeten geven.

19. Verder wordt geklaagd dat de afweging er geen blijk van geeft dat de draagkracht van de alimentatieplichtigen daarin is betrokken.

Dat is in zoverre niet juist, dat het hof zich er rekenschap van heeft gegeven dat de draagkracht aan weerszijden de door het hof juist geachte bijdragen (ruimschoots) toelaat.

20. Voor het overige geldt dat de beslissing van het hof duidelijk maakt dat de weging van de omstandigheden die de verhouding van de betrokkenen tot [de zoon] bepalen, het hof aanleiding heeft gegeven om niet de grootte van de wederzijdse draagkrachten als primaire beoordelingsfactor te hanteren. Dat, zoals de klacht suggereert, de rechter er dan tóch nog blijk van zou moeten geven dat hij ook aan de wederzijdse draagkracht betekenis heeft toegekend, lijkt mij een overtrekken van wat de wet op dit punt verlangt.

21. Dat zou mogelijk anders zijn als in het partijdebat klemmende argumenten zouden zijn aangevoerd waarom aan het gegeven "draagkracht" tóch apart aandacht moest worden besteed - het partijdebat vormt immers het belangrijkste referentiepunt voor de motiveringsplicht van de rechter. Er wordt echter niet aangevoerd dat partijen de rechter in dit geval met steekhoudende argumenten op dit thema hadden geconfronteerd. Dan blijft gelden dat wat het middel wil, van overtrekken van de motiveringseisen blijk geeft.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ontleend aan rov. 2.1 - 3.3 van de in cassatie bestreden beschikking.

2 De in cassatie bestreden beschikking is van 24 mei 2011. Het cassatierekest is op 24 augustus 2011 ingediend (per bode en per fax: zie het tijdstip van verzenden bovenaan de fax).

3 Personen- en Familierecht (losbl.), Wortmann, art. 1:404, aant. 3; Asser/De Boer I*, 2010, nrs. 1062 en 1073; al. 2.13 - 2.14 van de conclusie van A - G Wesseling-Van Gent voor HR 8 april 2011, RvdW 2011, 503; al. 2.9 van de conclusie van A - G Langemeijer voor HR 16 mei 2008, RvdW 2008, 522; HR 13 april 2007, NJ 2007, 394 m.nt. Wortmann, rov. 3.3; HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283 m.nt. Wortmann, rov. 3.3.

4 Dat komt in verschillende in de vorige voetnoot aangehaalde vindplaatsen tot uitdrukking, maar misschien het treffendst in HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283 m.nt. Wortmann, rov. 3.3.

5 Nogmaals: Asser/De Boer I*, 2010, nr. 1062; al. 2.13 - 2.14 van de conclusie van A - G Wesseling-Van Gent voor HR 8 april 2011, RvdW 2011, 503; al. 2.9 van de conclusie van A - G Langemeijer voor HR 16 mei 2008, RvdW 2008, 522; HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283 m.nt. Wortmann, rov. 3.3.

6 Rapport alimentatienormen van de NvVR-werkgroep ("Trema-normen"), 2010, nr. 3.2; Raak-Kuiper, noot onder hof Den Haag 23 april 2008, JPF 2008, 105; Heida, EB 2006, p. 98; Wortmann, alinea 4 van de noot bij HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283; zie ook Personen- en Familierecht (losbl.), Wortmann, art. 1:404, aant. 3; en, naast de grote meerderheid van de verder in het artikel van Heida aangehaalde rechtspraak: hof Den Haag 23 april 2008, JPF 2008, 105 m.nt. Raak-Kuiper; hof Arnhem 31 juli 2007, RFR 2007, 137; hof Amsterdam 27 januari 2005, RFR 2005, 76; hof Arnhem 3 april 2001, EB 2001, 22. Zie ook alinea's 2.11 en 2.12 van de conclusie van A - G Keus voor HR 13 april 2007, NJ 2007, 394.

7 Het is deze situatie die in de beschouwingen over dit onderwerp meestal voor ogen staat - niet de situatie dat de alimentatieplichtige op een minder niveau van welstand verkeert, dan het geval is in de gezinssituatie waarin de minderjarige leeft.

8 Dat mag verlangd worden, maar dat hoeft natuurlijk niet altijd te gebeuren. In de nodige gevallen zal het zich als vanzelfsprekend aandienen dat er een relevante behoefte aan extra middelen bestaat. Dat is bijvoorbeeld het geval in de zaken die in voetnoot 6 werden genoemd, en waar de minderjarige opgroeide in een gezin dat "van de bijstand" leefde.

9 Art. 1:397 lid 2 BW, dat ook bij onderhoudsplicht van stiefouders wordt toegepast; zie Personen- en Familierecht (losbl.), Wortmann, art. 395, aant. 1 en art. 1:397, aant. 11; T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 1, 2, 3, 4 en 5, Koens, 2011, art. 1:397, aant. 2; Asser/De Boer I*, 2010, nr. 1092; HR 11 november 1994, NJ 1995, 129, rov. 3.2, mede verwijzend naar HR 28 mei 1993, NJ 1994, 434, rov. 3.3; HR 22 april 1988, NJ 1989, 386 m.nt. EAAL, rov. 3.2.

10 Parlementaire Geschiedenis Invoeringswet Boek 1, 1969, p. 1442 - 1443.