Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BX0132

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
11/03781
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX0132
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a RO. HR wijst overzichtsarrest i.v.m. het op 1 juli 2012 in werking getreden art. 80a RO: de mogelijkheid om het beroep in cassatie n-o te verklaren. De HR geeft aan welke zaken zich daarvoor kunnen lenen en hoe de HR voornemens is met art. 80a RO procedureel gezien om te gaan. De HR zal art. 80a RO toepassen in zaken waarin de cassatieschriftuur is ingekomen op of na 1 juli 2012.

HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1145
BNB 2012/295 met annotatie van J.A.R. van Eijsden
NJB 2012/2044
V-N Vandaag 2012/2922
V-N 2013/2.9
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03781

Mr. Vellinga

Zitting: 3 juli 2012 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "1. Wederspannigheid, 2. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, 3. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, en 5. Diefstal" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 75 uren, subsidiair 37 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens verdachte heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, zes middelen van cassatie voorgesteld.

3. Inhoud

4 Bespreking van de middelen

5 Het nieuwe art. 80a RO

6 Totstandkoming van art. 80a RO

7 Enige parlementaire geschiedenis

8 Noodzaak en nut van de nieuwe bepaling

9 Reikwijdte

10 “onvoldoende belang bij het cassatieberoep”

11 De tekst van de nieuwe bepaling nader bekeken

12 “Niet ontvankelijk”

13 “Klaarblijkelijk”

14 “de klachten (…) niet tot cassatie kunnen leiden”

15 “Onvoldoende belang”

16 Ambtshalve ondanks gebrekkig middel?

17 Redelijke termijn

18 Geheel of ook partieel

19 De positie van de benadeelde partij

20 De reikwijdte van art. 80a en 81 RO

21 Piketpalen

22 Wijze van hantering

23 Aan middelen van cassatie te stellen eisen.

24 Het toezicht op de feitenrechtspraak

25 Verschuiving van het leidinggeven aan de rechtseenheid

26 Rechtsbescherming en kwaliteit van rechtspraak: “missing links”?

27 Strafvordering en partijbelang

28 Zaken die er toe doen

29 Conclusie

4. Bespreking van de middelen

4.1. Het eerste en het vijfde middel zien eraan voorbij dat het Hof de verweren waarop niet zou zijn gerespondeerd, in de aanvulling met bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv onder het hoofdje "Bewijsoverweging" - op overigens niet onbegrijpelijke gronden - heeft verworpen.

4.2. Het tweede middel faalt. Het oordeel van het Hof dat de verbalisanten verdachtes woning rechtmatig hebben betreden is gelet op de daaraan door het Hof ten grondslag gelegde omstandigheden niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

4.3. Het derde middel ziet eraan voorbij dat niet blijkt dat een verweer als in het middel verwoord ter terechtzitting van het Hof is gevoerd.

4.4. Het vierde middel miskent dat het Hof het verweer waaraan het Hof zou zijn voorbijgegaan, in het bestreden arrest(1) heeft verworpen, en deze verwerping niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, noch onbegrijpelijk is.

4.5. Het zesde middel gaat eraan voorbij dat de onder 5 tenlastegelegde diefstal betrekking heeft op niet geregistreerd elektriciteitsverbruik, als gevolg van het ten behoeve van hennepteelt manipuleren van de elektriciteitsmeter. De bewezenverklaring van dit feit kan zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.

4.6. Alle middelen falen.

5. Het nieuwe art. 80a RO

5.1. Op 1 juli 2012(2) treedt in werking de Wet versterking cassatierechtspraak.(3) Deze wet voorziet in het opnemen in de Wet op de rechterlijke organisatie van art. 80a, luidende:

1. De Hoge Raad kan, gehoord de procureur-generaal, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

2. De Hoge Raad neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid niet dan nadat de Hoge Raad kennis heeft genomen van:

a. de dagvaarding of het verzoekschrift, bedoeld in artikel 407 onderscheidenlijk artikel 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, en de conclusie van antwoord of het verweerschrift, bedoeld in artikel 411 onderscheidenlijk artikel 426b, derde lid, van dat Wetboek, voor zover ingediend;

b. de schriftuur, houdende de middelen van cassatie, bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering; dan wel

c. het beroepschrift waarbij beroep in cassatie wordt ingesteld, bedoeld in artikel 28 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en het verweerschrift, bedoeld in artikel 29b, van die wet, voor zover ingediend.

3. Het beroep in cassatie wordt behandeld en beslist door drie leden van een meervoudige kamer, van wie een als voorzitter optreedt.

4. Indien de Hoge Raad toepassing geeft aan het eerste lid, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.

Deze wet maakt het dus mogelijk een cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De bedoeling van de nieuwe bepaling is dat zaken "aan de poort", dus bij de aanvang van de behandeling, op geschiktheid voor cassatierechtspraak kunnen worden geselecteerd opdat zaken die in de termen van de nieuwe bepaling vallen en dus in cassatie kansloos zijn, eerder in het proces en op eenvoudige wijze kunnen worden afgedaan.(4) Omdat de Hoge Raad in de onderhavige zaak uitspraak zal doen na inwerkingtreding van de nieuwe bepaling rijst de vraag of deze bepaling ook reeds in de onderhavige zaak kan worden toegepast. Dat klemt in de onderhavige zaak temeer omdat van de in cassatie opgevoerde klachten, gelet op hetgeen hiervoor over de middelen is opgemerkt, zonder meer gezegd kan worden dat deze van dien aard zijn dat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

5.2. De nieuwe wet kent voor wat betreft de onderhavige bepaling geen regeling van overgangsrecht. Het nieuwe art. 80a is een bepaling van procesrecht. Het is een hoofdregel(5) van overgangsrecht dat een bepaling van procesrecht van toepassing is vanaf de datum van invoering, ook in lopende procedures.(6) In de rechtspraak wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar voor de verdachte gunstige en voor hem ongunstige bepalingen.(7) Dit betekent dat art. 80a in de onderhavige zaak in beginsel toepasbaar is. De vraag rijst echter of onmiddellijke toepassing wel verenigbaar is met de eisen van een eerlijk proces.

5.3. In gevallen waarin de Hoge Raad zijn rechtspraak op het gebied van het procesrecht wijzigde en verdachtes raadsman daarop niet bedacht kon zijn, heeft de Hoge Raad daaraan geen gevolgen verbonden.(8) De Hoge Raad heeft ook gerechten wel in de gelegenheid gesteld hun werkwijze aan te passen aan wijziging van regels van procesrecht. Zo liet de Hoge Raad de bij arrest van 17 juni 2008(9) bepaalde verkorting van de inzendingstermijn voor zaken waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, pas ingaan voor zaken waarin op 1 september 2008 of daarna hoger beroep respectievelijk cassatie zou worden ingesteld. Een en ander brengt mij op de vraag of de onderhavige wetswijziging van dien aard is dat verdachte de gelegenheid zou moeten worden geboden zijn schriftuur aan te passen.

5.4. Volgens het rapport Versterking van de cassatierechtspraak, dat de wetgever bij de invoering van art. 80a tot leidraad heeft gestrekt(10), brengt de invoering van een met art. 80a beoogde selectiemogelijkheid mee, dat aan de balie hogere eisen worden gesteld. "Dan zal immers duidelijk over het voetlicht moeten worden gebracht dat en waarom in de desbetreffende zaak een door de Hoge Raad te beantwoorden rechtsvraag aan de orde is en/of dat significant nadeel is geleden en waarin dit nadeel bestaat."(11) Dit betekent dat een verdachte, wiens raadsman een schriftuur heeft ingediend voordat bekend was dat de nieuwe wet in werking trad en die daarop zijn schriftuur niet heeft afgestemd, belang heeft bij het aanvullen van zijn schriftuur met het oog op de nieuwe wet.

5.5. Op zichzelf vormt de rechtspraak op art. 6 EVRM geen beletsel art. 80a RO toe te passen in zaken waarin de schriftuur is ingediend voordat de nieuwe wet van kracht werd.(12) Ook het EHRM hanteert als hoofdregel "a generally recognised principle that, save where expressly provided to the contrary, procedural rules apply immediately to proceedings that are under way." (13) In zijn decision van 7 mei 2002, Appl. no. 77395/01 (Walczak v. Poland) achtte het EHRM het niet in strijd met art. 6 EVRM dat de tijdens de procedure in cassatie tot stand gekomen regel, dat het beroep in cassatie kon worden afgedaan zonder dat partijen werden gehoord en daarbij hun argumenten naar voren konden brengen, ook in lopende procedures werd toegepast. De omstandigheid dat partijen werden teleurgesteld in hun verwachting hun stellingen nog mondeling te kunnen toelichten stond hieraan dus niet in de weg.

5.6. Een en ander leidt mij tot de volgende conclusie. Voor zover art. 80a RO het toestaat een cassatieberoep niet ontvankelijk te verklaren omdat het klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden leent het zich zonder meer voor onmiddellijke toepassing. Zou art. 80a niet worden toegepast dan zou zo'n zaak worden afgedaan op de voet van art. 81 RO, daarbij de partij die cassatie heeft ingesteld evenzeer in het ongewisse latend waarom het cassatieberoep niet kon slagen als bij toepassing van art. 80a RO het geval zal zijn. Het verschil tussen afdoening op de voet van art. 80a en afdoening op de voet van art. 81 RO bestaat hierin dat het parket - hoewel de wet daartoe niet verplicht(14) - in zaken die zich naar het inzicht van het parket lenen voor afdoening op de voet van art. 81 RO een conclusie pleegt te nemen waarin niet wordt volstaan met een verwijzing naar het bepaalde in art. 81 RO maar wordt uiteengezet waarom de middelen naar het oordeel van het parket niet kunnen slagen. Hoewel afdoening op de voet van art. 81 RO niet betekent dat de Hoge Raad de in de conclusie vervatte redengeving heeft gevolgd, kàn een partij in de conclusie gronden vinden waarop de Hoge Raad het cassatieberoep heeft verworpen. Het parket is echter in zaken, die zijns inziens kunnen worden afgedaan op de voet van art. 80a RO, niet verplicht te concluderen. De nieuwe wet bergt dus het gevaar in zich dat partijen anders dan bij afdoening op de voet van art. 81 RO het geval is nog geen begin van inzicht krijgen in de - mogelijke - gronden die aan de beslissing van de Hoge Raad ten grondslag liggen. De nieuwe wijze van afdoening tast de rechtspositie van een partij echter niet aan.

5.7. Dat laatste ligt anders indien een zaak op de voet van art. 80a RO wordt afgedaan wegens onvoldoende belang. Tot de invoering van art. 80a RO was voldoende belang geen eis voor de ontvankelijkheid van een beroep in cassatie in strafzaken. Er was dus ook geen noodzaak bij schriftuur uiteen te zetten dat en waarom een partij voldoende belang had bij het beroep in cassatie.(15) Thans is die noodzaak er wel. In het rapport Versterking van de cassatierechtspraak wordt daar, zoals ik hiervoor onder 5.4 reeds meldde, uitdrukkelijk op gewezen. De Hoge Raad heeft in het verleden laten zien rekening te willen houden met een ten tijde van de schriftuur onvoorziene wijziging in de rechtspraak. Aan gerechten heeft de Hoge Raad ruimschoots gelegenheid gegeven hun werkwijze aan te passen aan een verkorting van de inzendingstermijn. De wetgever verwacht dat de indieners van reeds lopende cassatieberoepen in de gelegenheid worden gesteld met de nieuwe bepaling rekening te houden. Daartoe, aldus de memorie van toelichting, zou de Hoge Raad al in een vroegtijdig stadium duidelijkheid moeten geven over de wijze waarop hij met art. 80a RO wat betreft lopende zaken wil omgaan.(16) Bij een en ander past niet dat een zaak tot niet-ontvankelijkheid leidt wegens onvoldoende belang zonder dat een partij de gelegenheid heeft gehad in haar schriftuur uiteen te zetten waarom zij voldoende belang heeft bij haar beroep in cassatie. Voor afdoening op de voet van art. 80a RO wegens klaarblijkelijk onvoldoende belang komen daarom alleen die zaken in aanmerking waarin een partij voldoende gelegenheid heeft gehad zijn schriftuur aan de eisen van de nieuwe wet aan te passen.

5.8. Eenvoudigheidshalve zou ik er de voorkeur aan geven voor alle zaken uit te gaan van een vaste datum waarop een zaak ook kan worden afgedaan wegens klaarblijkelijk onvoldoende belang. Een geschikte datum lijkt 1 september 2012 omdat op die dag verzekerd is dat een partij de volle termijn van art. 437 lid 1 resp. lid 2 Sv heeft gehad om in haar schriftuur aandacht te geven aan het belang dat met het beroep in cassatie gemoeid is. Art. 437 lid 1 Sv kent voor het Openbaar Ministerie een kortere termijn voor indiening van een schriftuur dan art. 437 lid 2 Sv voor de verdachte. Van differentiatie naar de termijn voor het indienen van een schriftuur door het Openbaar Ministerie en door de verdachte zou ik echter willen afzien omdat een dergelijke differentiatie hantering in de praktijk nodeloos ingewikkeld maakt en - gelet op het beperkte aantal cassatieberoepen van het Openbaar Ministerie - geen zoden aan de dijk zet.

6. Totstandkoming van art. 80a RO

6.1. De invoering van art. 80a RO moet worden gezien als (voorlopig?) eindpunt in een ontwikkeling waarbij de Hoge Raad zich steeds meer is gaan concentreren op vragen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Het in 1988 ingevoerde art. 101a RO(17), thans art. 81 RO, verschafte de Hoge Raad de gelegenheid een cassatieberoep te verwerpen met de standaardmotivering dat de aangevoerde klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De in het jaar 2000 ingevoerde schriftuurverplichting voor de verdachte in strafzaken (art. 437 lid 2 Sv)(18) bleek de opmaat(19) tot een sterke beperking van ambtshalve vernietiging in cassatie(20), leidend tot het bij hoge uitzondering(21) ambtshalve ingrijpen door de Hoge Raad.(22) De wortels daarvoor lagen vermoedelijk mede in de enige jaren eerder - in 1995 - ingevoerde Wet vormverzuimen(23), waarbij de wetgever een aantal formele nietigheden had opgeruimd. Bij de voorbereiding van deze wet wees de wetgever er namelijk op dat bij de beoordeling van het gewicht van schending van vormvoorschriften een tendens in de rechtspraak viel waar te nemen van een beoordeling in concreto naar een beoordeling in abstracto, en dat de gang van zaken tijdens het proces in grotere mate aan de deelnemers werd overgelaten dan de wetgever voor ogen had gestaan.(24) Gevolg daarvan was, aldus de memorie van toelichting, dat de betrokkenen hun positie meer zelf konden en dus ook dienden te bepalen.(25)

6.2. Door deze ontwikkeling is de rechtsbescherming - naast bevordering van rechtseenheid en rechtsontwikkeling ook een taak van de Hoge Raad - in eerste instantie een zaak van partijen geworden. Wordt over schending van een processueel voorschrift, strekkende tot bescherming van de verdachte, niet geklaagd dan zal de Hoge Raad niet ambtshalve ingrijpen. Het is dus (de kwaliteit van) verdachtes raadsman die bepaalt of en in hoeverre de rechtsbescherming in een concrete zaak op de agenda van de Hoge Raad komt te staan.(26) Dit is mede mogelijk omdat in Straatsburg - in beginsel(27) - over schending van verdragsrechten niet kan worden geklaagd wanneer daarover niet een klacht aan de nationale rechter is voorgelegd.

6.3. De commissie Hammerstein, wier voorstel door de wetgever aan het huidige art. 80a RO ten grondslag is gelegd, wil in zekere zin nog verder gaan. Teneinde de Hoge Raad in de gelegenheid te stellen zich te concentreren op vragen van rechtsontwikkeling en rechtsvorming ziet zij voor de Hoge Raad in het kader van rechtsbescherming alleen een taak weggelegd voor zover een partij - in strafzaken zal dat doorgaans de verdachte zijn maar voor wat betreft het Openbaar Ministerie kan aan schending van art. 359 lid 2 Sv (uitdrukkelijk onderbouwd standpunt) worden gedacht - door een fout van een lagere rechter significant nadeel lijdt.(28) Daartoe zou de wet - anders dan wel wordt verdedigd ten aanzien van art. 81 RO(29) - de mogelijkheid moeten bieden ook af te zien van cassatie indien van bedoeld significant nadeel geen sprake is. Omdat daarmee nog onvoldoende ruimte voor de Hoge Raad wordt geschapen stelt de commissie voor een selectiekamer in te stellen die zaken - ik beperk mij wederom tot strafzaken - op basis van de cassatieschriftuur, zo nodig aangevuld met kennisneming van bepaalde processtukken, beoordeelt op de vraag of de ingediende middelen nopen tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling en of deze middelen klachten bevatten die uit een oogpunt van rechtsbescherming tot cassatie dienen te leiden.(30) Is dat niet het geval dan zou de Hoge Raad een niet-ontvankelijkheid dienen uit te spreken, daarmee tot uitdrukking brengend dat het een zaak is die zich niet leent voor behandeling in cassatie.(31)

7. Enige parlementaire geschiedenis

7.1. De wetgever heeft deze handschoen opgepakt. Bij Koninklijke boodschap van 15 december 2010(32) diende de regering een wetsontwerp in dat ter versterking van de cassatierechtspraak voorzag in voorschriften ter bevordering van de kwaliteit van de advocatuur in cassatie en in een bepaling, op een enkele ondergeschikte uitzondering na, gelijkluidend aan het huidige art. 80a RO. Met een en ander werd beoogd te bevorderen dat de druk die zaken die zich niet lenen voor beoordeling in cassatie op een adequate uitoefening van de kerntaken van de Hoge Raad leggen, wordt verminderd.(33) Daarmee werd tegemoetgekomen aan een probleem dat, door de commissie Hammerstein(34) in het bijzonder voor de strafsector als klemmend werd omschreven.(35) Hoewel dat niet in de tekst van de voorgestelde wettelijke bepaling tot uitdrukking is gebracht beoogde de wetgever met de nieuwe bepaling een selectiemechanisme mogelijk te maken waarbij "aan de poort"(36) inhoudelijk wordt getoetst of de zaak kans van slagen heeft en zich leent voor een (volledige) behandeling in cassatie.(37) Is dat niet het geval dan zou de Hoge Raad een dergelijke zaak zo spoedig mogelijk na binnenkomst moeten kunnen afdoen.(38)

7.2. Het voorontwerp van wet hield aanvankelijk als "belang"-criterium in dat de aangevoerde klachten van te gering belang waren.(39) Door onder andere de Adviescommissie voor Burgerlijk Procesrecht werd dit criterium geacht onvoldoende houvast te bieden aan onder meer procespartijen en cassatieadvocaten voor de beantwoording van de vraag in welke gevallen de Hoge Raad een cassatieberoep niet-ontvankelijk kan verklaren en cassatie dus niet zinvol zou zijn.(40) De Minister heeft naar aanleiding hiervan aansluiting gezocht bij het in het civiele recht bestaande begrip "voldoende belang", in het civiele recht een algemene voorwaarde voor een rechtsvordering (art. 3:303 BW).(41) Bij "voldoende belang" dient het te gaan om een rechtens te respecteren belang van de insteller van het cassatieberoep. Daaronder valt bijvoorbeeld niet het door de cassatieprocedure geschorst zijn van de executie van de bestreden uitspraak.(42) Door de commissie Hammerstein was als criterium voorgesteld dat de betrokkene door fouten van de lagere rechter "significant nadeel" lijdt. Dit criterium is door de wetgever niet overgenomen omdat het een lastig objectiveerbaar criterium is en het tevens onduidelijkheid schept over het niveau van rechtsbescherming dat de Hoge Raad in cassatie beoogt te bieden.(43)

7.3. Bij Nota van wijziging is zowel aan art. 80a als aan art. 81 RO een lid toegevoegd, inhoudende dat op het beroep in cassatie wordt beslist door drie leden van een meervoudige kamer. Achtergrond van deze aanvulling is dat de Minister het niet wenselijk achtte dat toepassing van art. 80a RO of art. 81 RO door één raadsheer zou geschieden.(44)

8. Noodzaak en nut van de nieuwe bepaling

In strafzaken doet de Hoge Raad ongeveer de helft van de zaken met middelen af op de voet van art. 81 RO.(45) Het oude art. 81 RO vormde geen beletsel om de werkstromen zo te organiseren dat meteen na binnenkomst van de schriftuur een - voorlopige - selectie werd gemaakt naar zaken die zich wel en zaken die zich niet leenden voor afdoening op de voet van art. 81 RO. Anders dan in civiele zaken biedt het nieuwe art. 80a RO in strafzaken geen mogelijkheid af te zien van proceshandelingen van partijen. Met het indienen van de schriftuur zijn parket en Hoge Raad aan zet. Waarin bestaat dan noodzaak en nut van de nieuwe bepaling in strafzaken?

Reeds dadelijk kan daarvan worden gezegd dat deze in elk geval ligt in de aan het parket geboden mogelijkheid af te zien van conclusie in zaken die worden afgedaan op de voet van art. 80a RO.(46) In afwijking van art. 439 lid 1 Sv, inhoudende dat de procureur-generaal een conclusie neemt, schrijft de wet immers voor dat de procureur-generaal wordt gehoord (art. 80a lid 1).(47) Dat is "winst" voor het parket maar nog niet voor de Hoge Raad. Nu moet die winst niet worden overdreven want de wet stond reeds toe dat het parket volstond met een conclusie waarin werd geconcludeerd tot verwerping van het beroep louter onder verwijzing naar de in art. 81 RO verwoorde motivering. Dat van die mogelijkheid overigens hoogst zelden gebruik werd gemaakt omdat deze leidde tot een nodeloze verschuiving van het werk van het parket naar de Raad maakt dit niet anders. De vraag is dus of art. 80a RO meer (soorten) gevallen kan omvatten dan art. 81 RO, dus of het nieuwe art. 80a een grotere reikwijdte heeft dan art. 81 RO.

9. Reikwijdte

9.1. De commissie Hammerstein rept van twee beperkingen(48) die kleven aan art. 81 RO. Ten eerste laat art. 81 RO alleen afdoening met de aan art. 81 RO ontleende motivering toe wanneer de middelen niet tot cassatie kùnnen leiden. Er zijn echter ook middelen die terecht zijn voorgedragen maar niet tot cassatie behoeven te leiden, omdat de Hoge Raad een gebrek zelf kan herstellen.(49) In de tweede plaats, aldus de commissie, kan afdoening op de voet van art. 81 RO pas aan de orde komen als de zaak het hele proces heeft doorlopen en ook is gekeken of de uitspraak waarvan beroep ambtshalve moet worden vernietigd.

9.2. In de eerste beperking voorziet het nieuwe art. 80a omdat het beroep in cassatie ook niet-ontvankelijk kan worden verklaard omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Met de tweede beperking lijkt dit anders gesteld. Kennelijk heeft de commissie met die beperking niet het oog op het feit dat in art. 81 RO-zaken steeds een conclusie moet worden genomen. Dat is geen wonder, want - zoals gezegd(50) - die conclusie kan louter bestaan in verwerping van het beroep onder verwijzing naar de in art. 81 RO beschreven motivering. Evenmin vormde art. 81 RO een beletsel voor de gewenste selectie "aan de poort". Kennelijk verwachtte de commissie van een in haar geest opgestelde nieuwe bepaling dat de Hoge Raad in daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende gevallen kon afzien van integrale beoordeling van de middelen alsmede - in strafzaken - van ambtshalve beoordeling van de uitspraak, waarvan beroep. Dit komt ook in zoverre in het voorstel van de commissie tot uiting dat zij een selectie van de zaken voorstaat op grond van de schriftuur, zo nodig aangevuld met kennisneming van bepaalde processtukken. (51)

9.3. Het nieuwe art. 80a onderscheidt twee groepen zaken die voor afdoening op de voet van die bepaling in aanmerking komen:

a. zaken met klachten die geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die cassatie instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, en

b. zaken met klachten die geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

Biedt het nieuwe art. 80a inderdaad de mogelijkheid af te zien van integrale beoordeling van de middelen alsmede - in strafzaken - van ambtshalve beoordeling van de uitspraak, waarvan beroep? Die mogelijkheid zou dan opgesloten moeten liggen in de eerste groep zaken die voor afdoening op de voet van art. 80a RO in aanmerking komen. De tweede groep zaken vergt immers veelal integrale beoordeling van de middelen omdat daarvoor - zoals reeds voor afdoening op de voet van art. 81 RO - wordt geëist dat de klachten (klaarblijkelijk, maar dat is hier niet van belang) niet tot cassatie kunnen leiden.(52) De vraag is dus welke invulling de wetgever aan het begrip "onvoldoende belang bij het cassatieberoep" heeft gegeven.

10. "onvoldoende belang bij het cassatieberoep"

10.1. Het belang van een partij die cassatie instelt dient een rechtens te respecteren belang te zijn. Daaronder valt bijvoorbeeld niet het tijdens de cassatieprocedure geschorst zijn van de executie van de bestreden uitspraak.(53) Van gebrek aan dat rechtens te respecteren belang is volgens de wetgever onder meer sprake wanneer een op zichzelf gegronde klacht niet kan leiden tot een andere uitkomst dan in de bestreden uitspraak al is bereikt(54). Met andere woorden, wanneer het beroep zonder enig belang is hetgeen betekent dat het niet kan slagen.(55) Dit zijn gevallen waarin de motivering van de feitenrechter niet helemaal vlekkeloos is of waarin kleine vormfouten zijn gemaakt die echter op de uiteindelijke beslissing niet van invloed kunnen zijn geweest zodat verdwijnen van rechtsbescherming niet aan de orde is.(56) In de Tweede Kamer gaf de Staatssecretaris aan de hand van de memorie van toelichting(57) als voorbeelden: gevallen waarin niet de juiste wetsartikelen zijn aangehaald of niet de juiste stukken aan de uitspraak zijn gehecht, of waarin geen andere(58) klachten zijn ingediend maar de redelijke termijn in geringe mate is overschreden.(59) Bedoeld belang is volgens de wetgever niet beperkt tot een processueel belang. Een gering financieel belang betekent niet per definitie dat sprake is van onvoldoende belang.(60)

10.2. De kern van het "onvoldoende belang bij het cassatieberoep" moet dus kennelijk worden gezocht in de uitkomst van de zaak. Kan honorering van het door het middel gesignaleerde gebrek niet leiden tot een andere uitkomst, dan heeft een partij - Openbaar Ministerie of verdachte - klaarblijkelijk onvoldoende belang bij zijn beroep in cassatie. Dat kan zijn omdat de Hoge Raad het gebrek kan verhelpen - het arrest alsnog uitspreken in het openbaar waar dat is verzuimd(61), een bewezenverklaring verbeterd lezen(62) etc. - maar ook omdat het gebrek van zo ondergeschikte aard is dat het niet noopt tot cassatie(63) nu bij dat gebrek niet een rechtens te respecteren belang van de partij, die in cassatie is gegaan, in het geding is.

Ook als het door het middel gesignaleerde gebrek niet kan leiden tot een andere uitkomst kan de verdachte een rechtens te respecteren belang hebben bij zijn beroep in cassatie. Het zal dan niet gaan om een materieel belang, maar om een immaterieel belang(64) zoals constatering dat de redelijke termijn is overschreden ter genoegdoening van die overschrijding (zie hierna onder 17).

10.3. Of een door een middel aangesneden gebrek door de Hoge Raad kan worden verholpen vergt integrale beoordeling van het middel. De beantwoording van de vraag of een middel een rechtens beschermd belang betreft niet steeds. Komt een middel bijvoorbeeld op tegen gebreken bij de aanwending van een dwangmiddel tegen een ander dan de verdachte of waarvan de resultaten niet voor het bewijs zijn gebruikt, dan is daarmee de kous af.(65)

10.4. Er is nog een punt dat de aandacht verdient. Zaken waarin nu ambtshalve cassatie plaatsvindt, zullen, aldus de Minister, ook na invoering van art. 80a RO voor ambtshalve cassatie in aanmerking komen.(66) Dat betekent dat ook zaken waarvan de middelen vallen in de termen van art. 80a RO zullen moeten worden onderzocht op de vraag of ambtshalve cassatie aangewezen is. Weliswaar is het aantal redenen voor ambtshalve cassatie inmiddels tot enkele geslonken(67), iedere zaak zal er wel op moeten worden gecontroleerd.

10.5. Tijdens de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer gaven kamerleden van verschillende partijen uitdrukking aan hun ongerustheid over een te royaal hanteren van de mogelijkheden die art. 80a RO de Hoge Raad zou bieden.(68) Ongerustheid, nu toegespitst op de omvang van de toetsing van art. 80a-RO-zaken, stak bij de voorbereiding van de behandeling door de Eerste Kamer opnieuw de kop op.(69) Door de Minister is daarop tegenover de Eerste Kamer verzekerd dat de nieuwe wet er niet aan afdoet dat er in geval van toepasselijkheid van art. 80a RO geen sprake zal zijn van een minder vergaande inhoudelijke toetsing. "De inhoudelijke toetsing blijft een toetsing in volle omvang."(70) Daarmee scherpte de Minister zijn standpunt ten opzichte van de memorie van toelichting aan. Daarin immers schreef hij over afzien van een uitputtende behandeling van zaken waarvan aan het begin van de procedure zonder twijfel kan worden vastgesteld dat de middelen geen kans van slagen hebben of waarvan het cassatieberoep voor de insteller van onvoldoende belang is om in cassatie te behandelen.(71) Uit de opstelling van de Minister en de Eerste Kamer spreekt een zelfde terughoudendheid als aan de orde was toen in het kader van invoering van de schriftuurverplichting in strafzaken werd voorgesteld de ambtshalve toetsing in strafzaken te laten vervallen.(72) Binnen het parlement bestonden tegen dit voorstel nogal wat bezwaren. Daarom zag de Minister er vanaf.(73) Ook uit de voorbeelden van toepassing van de voorgestelde bepaling in strafzaken, voorbeelden die steeds gevallen betreffen waarin ook onder de oude wet een beroep in cassatie strandde omdat een middel niet tot cassatie kan leiden dan wel geen rechtens beschermd belang van degene die cassatie heeft ingesteld in het geding is (zie 15.2), spreekt dat de Minister ervan uitgaat dat de cassatierechtspraak inhoudelijk niet wijzigt maar de nieuwe bepaling slechts een vereenvoudigde wijze van afdoening biedt.

10.6. Uit de parlementaire geschiedenis komt dus naar voren dat de Hoge Raad niet kan afzien van integrale beoordeling van de middelen alsmede - in strafzaken - van ambtshalve beoordeling van de uitspraak, waarvan beroep. Die integrale beoordeling van middelen kan onder omstandigheden zeer beperkt zijn. Maakt het al dan niet slagen van het middel niet uit voor de uitkomst van de zaak dan is het lot van een middel gauw bezegeld. Dat geldt ook voor middelen waarvan in één oogopslag valt te zien dat deze nimmer kunnen slagen omdat deze bijvoorbeeld zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de Hoge Raad feitenrechter is, of uitgaan van inmiddels achterhaalde wetgeving of rechtspraak.

10.7. In de fase van de becommentariëring van een voorontwerp van art. 80a heeft Von Schmidt auf Altenstadt(74) opgemerkt - in de woorden van Asser(75) - dat als de Minister bij zijn voorbeelden van toepassing van de nieuwe bepaling bleef, de voorgestelde bepaling niets nieuws brengt. Asser schrijft dat hij hem daarin eigenlijk wel gelijk moet geven.(76) De Minister is bij zijn voorbeelden gebleven. Op mijn beurt moet ik Asser gelijk geven. Ook overigens spreekt uit de parlementaire behandeling van art. 80a dat de Minister beducht was voor een wezenlijke beperking van hetgeen voor behandeling in cassatie in aanmerking komt. Het mag wel kort en "aan de poort", maar inhoudelijk niet wezenlijk anders. Dat neemt niet weg dat de nieuwe bepaling, anders dan art. 81 RO, de mogelijkheid schept, een middel dat tot cassatie kàn maar niet behoèft te leiden met een sjabloonmotivering af te doen. Dat is - naast de mogelijkheid een conclusie achterwege te laten - "winst". Voorts is het in het licht van de parlementaire behandeling opvallend dat de Minister noch de Kamer reden heeft gezien aanwending van art. 80a uit te sluiten in het geval waarin een partij die cassatie heeft ingesteld wel enig doch onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. De door de Minister gegeven voorbeelden betroffen immers steeds gevallen van "geen belang", aansluitend op de reeds lang in de rechtspraak gehanteerde eis, dat een partij een rechtens te respecteren belang moet hebben bij zijn beroep in cassatie.(77) Hieruit zou kunnen worden geconcludeerd dat een behoedzame(78) hantering van art. 80a RO in gevallen van onvoldoende belang binnen de grenzen van de wet valt, ook wanneer de parlementaire behandeling daarbij in aanmerking wordt genomen. Wel blijft dat de parlementaire geschiedenis geen blijk geeft van de in de aanloop tot het nieuwe art. 80a ontvouwde vergezichten(79) op een beperking van het werk van de Hoge Raad tot vragen van rechtseenheid en rechtsvorming.

11. De tekst van de nieuwe bepaling nader bekeken

Art. 80a RO steekt wat wonderlijk in elkaar. De wet eist middelen van cassatie (art. 437 Sv), de tekst van art. 80a spreekt daarover echter niet. Heeft een partij bij haar cassatieberoep onvoldoende belang, dan kan niet-ontvankelijkheid volgen. Dat is ook het geval wanneer de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Waarom, anders dan in enig voorontwerp(80), het belang aan het cassatieberoep wordt gekoppeld, de klachten aan het niet kunnen slagen, wordt uit de parlementaire geschiedenis niet duidelijk.

12. "Niet ontvankelijk"

12.1. In het licht van de parlementaire geschiedenis is bepaald opvallend dat de wetgever heeft gekozen voor niet-ontvankelijkheid als einduitspraak. Met een door de wetgever voorgestane integrale beoordeling van de zaak lijkt die uitspraak moeilijk verenigbaar en al helemaal met het door de wetgever voorgestane behoud van ambtshalve toetsing. Niet-ontvankelijkheid pleegt immers te betekenen dat de rechter aan de zaak niet toekomt. De wetgever heeft hier kennelijk ook wel nattigheid gevoeld. In de memorie van toelichting wordt namelijk gesteld: "Vanwege de bredere lading van de hier bedoelde niet-ontvankelijkverklaring, moet deze term niet worden verward met de kennelijke niet-ontvankelijkverklaring, zoals deze in het bestuursrecht wordt gehanteerd."(81) Volgens de wetgever betekent niet-ontvankelijkheid tevens inhoudelijk verwerping van het beroep.(82) Kennelijk(83) heeft de wetgever zich bij de keuze voor niet-ontvankelijkheid als einduitspraak laten inspireren door het voorstel van de commissie Hammerstein, die op zijn beurt vermoedelijk weer zal zijn geïnspireerd door - thans - art. 35 EVRM.(84) In de ogen van de commissie Hammerstein dient niet-ontvankelijkheid te volgen omdat het haars inziens gaat om zaken die niet geschikt zijn voor behandeling in cassatie, namelijk zaken waarvan "de aangevoerde klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling en de klachten evenmin uit een oogpunt van rechtsbescherming tot cassatie moeten leiden."(85) Hoe dan ook, het blijft een wat tweeslachtige oplossing, wel inhoudelijke beoordeling, ook ambtshalve, en een uitspraak geven die suggereert dat een en ander niet gebeurt. "Klaarblijkelijk ongegrond" was een voor de hand liggender einduitspraak geweest. De gekozen einduitspraak roept ook de vraag op waarom de wetgever geen duidelijke eisen aan de middelen heeft gesteld en aan het niet voldoen aan die eisen geen niet-ontvankelijkheid heeft verbonden. Dat zou hebben gestrookt met de samen met art. 80a ingevoerde kwaliteitseisen voor de cassatieadvocatuur. Uiteindelijk draait de nieuwe bepaling immers om kwaliteit en zin van de middelen.

12.2. Omdat de in art. 80a voorziene niet-ontvankelijkheid berust op inhoudelijke beoordeling van een zaak komt die niet-ontvankelijkheid pas aan de orde als een partij in haar cassatieberoep kan worden ontvangen, dus wanneer de zaak vatbaar is voor beroep in cassatie (art. 427 resp. 445 en 446 Sv), aan de voor het instellen van cassatie geldende termijn is voldaan (art. 432 resp. 446 Sv), en de voorschriften voor aanwenden van een rechtsmiddel (art. 450 Sv, zoals door de Hoge Raad uitgewerkt in HR 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010, 102(86)) zijn nageleefd. Dat toepassing van art. 80a RO pas aan de orde kan komen als een partij in haar cassatieberoep kan worden ontvangen ligt nogal voor de hand. Het zou immers nogal wonderlijk zijn wanneer een cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens gebrek aan voldoende belang als helemaal geen beroep in cassatie openstaat dan wel de termijn voor het instellen van cassatie is overschreden.

12.3. Criteria

De wet kent drie criteria voor niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a, twee zelfstandige, van elkaar onafhankelijke, - kort gezegd "niet voldoende belang" en "niet tot cassatie kunnen leiden" - en daarnaast een aan deze twee criteria gekoppeld criterium, het "klaarblijkelijk" voldaan zijn aan genoemde twee zelfstandige criteria. Aan de hand van de huidige rechtspraak kan reeds invulling(87) worden gegeven aan beide zelfstandige criteria. Deze bevat immers vele voorbeelden van gevallen waarin een middel niet tot cassatie kan leiden of een middel afstuit op gebrek aan belang. Deze gevallen lenen zich voor een zekere groepering. Vervolgens komt de vraag aan de orde of deze criteria ook met subcriteria kunnen worden ingevuld. Reeds thans moet worden opgemerkt dat de wetgever zich daar niet aan heeft gewaagd en heeft volstaan met aan de huidige rechtspraak ontleende voorbeelden.

Voor invulling van het criterium van de klaarblijkelijkheid biedt de rechtspraak echter geen houvast. Van dit criterium kan slechts worden gezegd dat de Hoge Raad het wel hanteert om tot uitdrukking te brengen dat volgens de Hoge Raad zonder meer duidelijk is hoe een uitspraak, waarvan beroep, dient te worden verstaan.(88)

13. "Klaarblijkelijk"

13.1. Uit de parlementaire geschiedenis komt in zekere mate naar voren hoe het begrip "klaarblijkelijk" moet worden ingevuld. In reactie op het voorstel van de Raad van State om in plaats van het in de wet niet voorkomende begrip "klaarblijkelijk" te kiezen voor "kennelijk" stelt de Minister: "Voor de term "klaarblijkelijk" is gekozen om verwarring met de aanduiding "kennelijk niet-ontvankelijk" te voorkomen. Daarnaast onderstreept de term "klaarblijkelijk", zoals ook de Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht aangeeft, dat het moet gaan om evidente gevallen."(89) Met "klaarblijkelijk" is dus tot uitdrukking gebracht dat het niet voldoende is dat zich "kennelijk" een geval voordoet van onvoldoende belang bij het cassatieberoep of van klachten die niet tot cassatie kunnen leiden, maar dat zich een geval voordoet waarin dat "evident" is. Het gaat daarbij om een zwaardere eis dan de Raad van State afleidt uit de van het bestuursrecht bekende eis van "kennelijk" (art. 8:54 Awb), volgens de parlementaire geschiedenis op art. 8:54 Awb aldus te verstaan dat geen redelijke twijfel mogelijk is.(90) Het zou dus zo moeten zijn dat niet alleen geen redelijke twijfel mogelijk is maar dat dat ook in het oog springt(91), eigenlijk in één oogopslag valt te zien. Zo valt te begrijpen dat de wetgever de Hoge Raad toestaat louter op basis van kennisneming van de schriftuur tot toepasselijkheid van art. 80a te besluiten (art. 80a lid 2 RO), daarbij overigens even vergetend dat de gevraagde ambtshalve toetsing bestudering van meer stukken vraagt dan louter de schriftuur.

13.2. De vraag is vervolgens voor wie evident moet zijn dat de zaak valt in termen van art. 80a lid 1 RO. Aansluiting zou kunnen worden gezocht bij de maatstaf die wordt gehanteerd voor het begrip "offensichtlich unbegründet" in par. 349 StPO, een voorwaarde voor verkorte afdoening in Revision: "Offensichtlich unbegründet ist die Revision, wenn für jeden Sachkundigen ohne längere Prüfung erkennbar ist, welche Rechtsfragen vorliegen, wie sie zu beantworten sind und dass die Revisionsrügen dem Rechtsmittel nicht zum Erfolg verhelfen können." (92) Voor art. 80a RO zou dit betekenen dat maatstaf zou moeten zijn de jurist die goed op de hoogte is van de hoofdlijnen van de (cassatie)rechtspraak en de zaak kent. De uitspraak dient immers ook voor anderen dan de leden van de Hoge Raad - partijen, advocaten, deskundig publiek, de leden van het parket - begrijpelijk te zijn.

13.3. In beginsel kan alleen in gevallen, waarin lezing van de processtukken zonder conclusie van het parket evident maakt waarom de zaak is afgedaan op de voet van art. 80a RO, sprake zijn van de vereiste klaarblijkelijkheid. Is uitleg nodig, dan ligt daarin immers besloten dat niet evident is dat de zaak valt in de termen van art. 80a. Onder omstandigheden kan dit anders zijn. In gecompliceerde zaken kan een conclusie de toegang tot de zaak vergemakkelijken en zo evident maken dat de klachten niet opgaan. Ook anderszins kan de conclusie duidelijk maken waarom een zaak in de termen van art. 80a RO valt. Voorwaarde voor toepassing van art. 80a is wel dat de Hoge Raad, anders dan in zaken die worden afgedaan op de voet van art. 81 RO, er geen onduidelijkheid over laat bestaan dat hij de in de conclusie gevolgde redenering deelt. Blijven op dit punt vragen over dan kan, zeker zolang nog niet duidelijk is hoe de Hoge Raad art. 80a invult, twijfel (blijven) bestaan waarin die evidentie is gelegen.

13.4. Het geval kan zich ook voordoen dat de conclusie niet komt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a maar tot verwerping van het beroep op de in art. 81 RO genoemde gronden dan wel tot vernietiging. Gelet op de hiervoor onder 13.2 bepleite maatstaf ligt de vereiste evidentie dan niet voor de hand.

14. "de klachten (...) niet tot cassatie kunnen leiden"

14.1. Bij de parlementaire behandeling zijn als voorbeelden gegeven van gevallen waarin de klachten niet tot cassatie kunnen leiden:

a. klachten waarin een beroep wordt gedaan op feiten die niet bij de feitenrechter zijn aangevoerd maar voor het eerst in cassatie(93);

b. klachten over kennelijke misslagen van ondergeschikt belang(94);

c. de bestreden uitspraak berust op twee zelfstandig dragende gronden waarvan in cassatie slechts één wordt bestreden(95).

14.2. In zijn conclusie bij HR 25 januari 2005, LJN AR7190, NJ 2006, 411 heeft mijn voormalig ambtgenoot Jörg een opsomming gegeven van gevallen waarin de Hoge Raad in uitspraken van feitenrechters geconstateerde gebreken herstelt of zodanig beschouwt dat zij niet tot cassatie behoeven te leiden. Daaronder zijn gevallen waarin de Hoge Raad niet genoopt was een gebrek in het dictum van de uitspraak, zoals bijvoorbeeld in de opgelegde straf, te herstellen. Die gevallen zijn verwerkt in het hierna opgenomen overzicht van door mij aan recente rechtspraak ontleende categorieën gevallen waarin de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.(96) Ik noem de volgende:

a. middelen kunnen niet als cassatiemiddelen worden aangemerkt(97) (als dit ten aanzien van alle middelen geldt, zal dit overigens zonder meer leiden tot niet-ontvankelijkheid wegens schending van het bepaalde in art. 437 lid 2 Sv);

b. middelen klagen over een verzuim waarover in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd;(98)

c. middelen komen op tegen een beslissing die zich niet leent voor een toetsing in cassatie(99) c.q. een beslissing waartegen geen cassatie openstaat;(100)

d. middelen stuiten af op vaste rechtspraak;(101)

e. middelen huldigen een opvatting die geen steun vindt in het recht;(102)

f. middelen zijn tardief voorgesteld, nu de klachten aan de feitenrechter hadden kunnen worden voorgelegd;(103)

g. middelen klagen over iets waartegen in feitelijke instantie desgevraagd geen bezwaar is gemaakt;(104)

h. middelen miskennen dat niet voor het eerst in cassatie een beroep kan worden gedaan op het gebrek;(105)

i. middelen zijn gebaseerd op feiten die in cassatie niet vaststaan en/of waarop in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan;(106)

j. middelen berusten op een verkeerde c.q. onjuiste lezing van het bestreden arrest;(107)

k. middelen missen feitelijke grondslag;(108)

l. middelen komen op tegen de aan de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van bewijsmateriaal;(109)

m. middelen stuiten af op de aan de feitenrechter toekomende vrijheid in straftoemeting;(110)

n. middelen betreffen gebreken van ondergeschikte aard;(111)

o. middelen klagen over de verwerping van verweren, zonder dat met voldoende precisie wordt aangegeven op welke verweren de klachten zien;(112)

p. middelen klagen over een verzuim te beslissen op een verweer dat tot mislukken gedoemd is;(113)

q. middelen betreffen (blijkens de bewijsvoering) een kennelijke misslag;(114)

r. middelen betreffen gebreken die eenvoudig kunnen worden hersteld.(115)

s. middelen klagen over het aanhalen van een niet toepasselijk wetsartikel;(116)

t. middelen klagen over de verwerping van een verweer dat zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsvoering;(117)

u. middelen klagen dat de motivering van de bewezenverklaring c.q. vrijspraak niet verenigbaar is met de motivering van een gegeven vrijspraak c.q. bewezenverklaring, terwijl de vrijspraak c.q. bewezenverklaring en de daaraan gegeven motivering niet aan het oordeel van de Hoge Raad zijn onderworpen;(118)

v. middelen klagen over schending van het motiveringsvoorschrift van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, terwijl het gevoerde verweer een verweer als bedoeld in art. 358, derde lid, Sv betreft.(119)

14.3. In welke van de hiervoor opgesomde gevallen kan nu worden gezegd dat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden? Dat is een lastige vraag. Die klaarblijkelijkheid hangt immers af van het de concrete zaak, hoe de middelen in elkaar zijn gestoken, hoe de uitspraak is gemotiveerd en wat in het proces-verbaal van de terechtzitting valt terug te vinden. Toch leert de ervaring dat in enkele van de hiervoor in 14.2 opgesomde soorten gevallen bij kennisneming van de stukken van het geding doorgaans spoedig in het oog springt dat het beroep in cassatie niet kan slagen omdat elementaire regels van cassatierecht zijn geschonden of vaste rechtspraak over het hoofd is gezien. Dan denk ik aan (in de hiervoor gevolgde nummering):

(d.) middelen stuiten af op vaste rechtspraak;

(i.) middelen zijn gebaseerd op feiten die in cassatie niet vaststaan en/of waarop in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan;

(k.) middelen missen feitelijke grondslag;

(l.) middelen komen op tegen de aan de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van bewijsmateriaal;

(m.) middelen stuiten af op de aan de feitenrechter toekomende vrijheid in straftoemeting;

(t.) middelen klagen over de verwerping van een verweer dat zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsvoering.

Ook in de aan elkaar verwante soorten gevallen onder q. en r. bevindt zich een groep middelen die klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. Met het oog op de vereiste klaarblijkelijkheid dienen die gevallen als volgt te worden omschreven:

(q.) middelen betreffen een onmiskenbare misslag;

(r.) middelen betreffen gebreken in de motivering waarvan op grond van bestaande rechtspraak duidelijk is dat deze door de Hoge Raad eenvoudig kunnen worden hersteld.

Voorts kan als groep gevallen op grond van de tijdens de parlementaire behandeling gegeven voorbeelden nog worden toegevoegd:

klachten over misslagen van ondergeschikt belang.

Deze groepen gevallen lenen zich voor invulling van het in art. 80a verwoorde 'klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden' in die zin dat deze zich doorgaans lenen voor afdoening op de voet van art. 80a RO, zij het dat in concreto het ontbreken van de vereiste klaarblijkelijkheid kan meebrengen dat daarvan moet worden afgezien.

Van de overige groepen gevallen kan niet worden gezegd dat doorgaans "klaarblijkelijk" is dat de middelen niet kunnen slagen. Deze zijn te veel verbonden aan het concrete geval, missen in de regel de vereiste klaarblijkelijkheid, of kunnen zowel gevallen omvatten die niet "klaarblijkelijk" zijn als gevallen die dat wel zijn, zoals groep e, middelen vinden geen steun in het recht. Dat laatste geldt voor alle falende rechtsklachten, of het falen nu klaarblijkelijk is of niet.(120) Dit gemis aan onderscheidend vermogen kleeft ook aan de door Van Schendel genoemde gevallen van onjuiste lezing van de bestreden uitspraak of niet-onbegrijpelijkheid van het oordeel van de rechter.(121) Het berusten op onjuiste lezing kan klaarblijkelijk zijn maar kan, zoals vele arresten van de Hoge Raad laten zien, ook (uitgebreide) uitleg vergen.(122) Achter een "niet onbegrijpelijk"-oordeel gaan gevallen schuil waarin onmiskenbaar duidelijk is dat het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk is, maar evenzeer gevallen waarin heel wel anders geoordeeld kan worden. In dat oordeel ligt bovendien soms besloten hoeveel ruimte de Hoge Raad aan de rechter in feitelijke aanleg wil laten. Deze soorten gevallen bieden dus niet voldoende houvast om invulling te geven aan het vereiste 'klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden'.

15. "Onvoldoende belang"

15.1. Hiervoor (10.2) heb ik uiteengezet dat de kern van het "klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het cassatieberoep" kennelijk moet worden gezocht in de uitkomst van de zaak. "Bij klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het cassatieberoep kan (...) worden gedacht aan gevallen waarin na verwijzing toch geen andere beslissing zou kunnen volgen en het cassatieberoep zou moeten afstuiten op gebrek aan belang."(123) Dit zijn, aldus de memorie van toelichting, gevallen waarin de motivering van de feitenrechter niet helemaal vlekkeloos is of waarin kleine vormfouten zijn gemaakt die echter op de uiteindelijke beslissing niet van invloed kunnen zijn geweest zodat verdwijnen van rechtsbescherming niet aan de orde is, gevallen waarin niet de juiste wetsartikelen zijn aangehaald, niet de juiste stukken aan de uitspraak zijn gehecht, of waarin geen andere klachten zijn ingediend, maar wel de redelijke termijn in geringe mate is overschreden.(124)

15.2. In de jurisprudentie van de afgelopen jaren(125) is onder meer in de volgende gevallen aangenomen dat de steller van het middel geen (rechtens te respecteren) belang had bij het voorgestelde middel dan wel de voorgestelde (deel)klacht(126), en wel omdat:

15.2.1. (gewone strafzaken)

a. een gewraakte "Salduz-verklaring", ondanks het onjuiste oordeel van het Hof dat geen sprake was van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, door het Hof niet tot het bewijs was gebezigd;(127)

b. wordt opgekomen tegen iets wat het Hof (klaarblijkelijk c.q. onmiskenbaar) ten overvloede heeft overwogen;(128)

c. de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet werden bepaald door de door het Hof ten onrechte als handelingen die "mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" aangemerkte gedragingen;(129)

d. de zaak - ondanks de mogelijke rechtsgeldige intrekking van verdachtes hoger beroep - door het onbeperkt ingestelde hoger beroep van de officier van justitie in volle omvang aan het oordeel van het Hof was onderworpen;(130)

e. een verweer waarop beweerdelijk niet is beslist ziet op een gedeelte van de tenlastelegging waarvan de verdachte is vrijgesproken;(131)

f. een aan het middel ten grondslag liggende opvatting onjuist is;(132)

g. toepassing van art. 56 Sr niet tot een ander strafmaximum zou leiden;(133)

h. de verwerping van een verweer op twee gronden berust en de niet bestreden grond de verwerping zelfstandig kan dragen;(134)

i. het Hof is uitgegaan van de toepasselijkheid van art. 30 EG-verdrag;(135)

j. art. 423 lid 2 Sv het Hof - ook indien de Politierechter ten onrechte zou hebben nagelaten het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde alsnog een vertaling van de dagvaarding aan verdachte te kunnen verstrekken - niet noopte tot verwijzing van de zaak naar de Politierechter;(136)

k. verdachte vrijwillig afstand had gedaan van het door het Hof verbeurdverklaarde geldbedrag;(137)

l. het Hof ten onrechte tot het oordeel kwam dat de doorzoeking onrechtmatig was;(138)

m. uit de bewijsmiddelen in ieder geval kon volgen dat de verdachte het feit samen met anderen - zoals bewezenverklaard - had gepleegd;(139)

n. in een geval waarin door het Openbaar Ministerie in eerste aanleg vrijspraak voor het primair tenlastegelegde was gevorderd, het Openbaar Ministerie tegen de vrijspraak voor dat feit niet in hoger beroep was gekomen, het recht tot strafvordering ter zake het subsidiair tenlastegelegde feit wegens verjaring was vervallen, en de schriftuur niet inhield dat en waarom nochtans verdere vervolging ter zake van het primair tenlastegelegde zou zijn aangewezen;(140)

o. door de verdachte wordt geklaagd over (het ontbreken van) de nadere motivering van een afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van het Openbaar Ministerie, dan wel door het Openbaar Ministerie over (het ontbreken van) de nadere motivering van een afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdachte;(141)

p. het verzoek waarop in de einduitspraak een uitdrukkelijke beslissing ontbrak louter een herhaling was van een eerder door het Hof bij tussenbeslissing afgewezen verzoek, terwijl deze tussenbeslissing in cassatie niet werd bestreden;(142)

q. het voorschrift dat de Advocaat-Generaal bij het Hof bij de uitspraak aanwezig dient te zijn uitsluitend strekt ter behartiging van de belangen van het openbaar ministerie;(143)

r. het middel opkwam tegen de beslissing van het Hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en de verdachte - die beiden het hoger beroep hadden ingetrokken - in het hoger beroep.(144)

15.2.2. (ontneming)

a. de beslissing in de hoofdzaak wegens een aan de vrijspraken ten grondslag gelegde onjuiste rechtsopvatting door de Hoge Raad was verwezen naar het Hof, en voor de veroordeelde op grond van art. 577b lid 2 Sv de bevoegdheid tot vermindering of kwijtschelding van het vastgestelde ontnemingsbedrag bestond;(145)

b. het wederrechtelijk verkregen voordeel door het Hof niet hoger was vastgesteld dan door de verdediging in hoger beroep was betoogd;(146)

c. de bestreden grond de afwijzing van de getuigenverzoeken zelfstandig kon dragen;(147)

d. ondanks het verzuim van het Hof in de ontnemingszaak een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing te geven op een redelijke termijn verweer, met de verwerping van het verweer in de hoofdzaak aan de betrokkene in voldoende mate was uiteengezet op welke grond het Hof ook in de ontnemingszaak het beroep op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie had verworpen.(148)

e. de inhoudelijke behandeling van de zaak na de terechtzitting waarvan het proces-verbaal rechtskracht mist had plaatsgevonden, en het Hof bij de bepaling van het bedrag van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof bij conclusiewisseling gevorderde bedrag is uitgegaan.(149)

15.2.3. (beschikkingen (leidend tot niet-ontvankelijkverklaring)

a. het bevoegde gerecht na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad de klager slechts niet-ontvankelijk kan verklaren in zijn beklag, omdat het beslag door het onherroepelijk worden van de beschikking ten aanzien van een andere klager - waarbij de teruggave aan die klager van het gewraakte voorwerp werd gelast - reeds was geëindigd;(150)

b. het beslag c.q. de beslagen ten tijde van de behandeling van de zaak door de Hoge Raad inmiddels was c.q. waren opgeheven;(151)

c. de inbeslaggenomen honden bij onherroepelijk vonnis in de strafzaak tegen klager, tevens beslagene, zijn onttrokken aan het verkeer;(152)

d. het bevoegde gerecht na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij het oordeel dat klager zich terecht op zijn verschoningsrecht heeft beroepen tot geen ander oordeel kan komen dan dat de gegrondheid van het beklag niet tot teruggave van de voorwerpen aan klager kan leiden omdat die voorwerpen gelet op de beschikking van de Hoge Raad in een andere zaak onder beslag zullen blijven;(153)

e. bij onherroepelijke uitspraak in de strafzaak beslissingen - te weten verbeurdverklaring, onttrekking aan het verkeer en teruggave aan klaagster - zijn genomen met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen;(154)

f. het inbeslaggenomen rijbewijs inmiddels aan de klager was teruggeven.(155)

15.2.4. (beschikkingen overig)

a. het oordeel van de Rechtbank in overeenstemming was met het ingenomen standpunt van de officier van justitie;(156)

b. door de klager niet was aangegeven in welk opzicht hij was geschaad door de wijze waarop het klaagschrift was behandeld en daarop was beslist;(157)

c. uit de gedingstukken niet zou kunnen worden afgeleid dat ten aanzien van X zou zijn voldaan aan de door art. 552a, vijfde lid, Sv gestelde eis.(158)

15.2.5. (WOTS)

a. het aan het (voorwaardelijk) verzoek - waarop niet uitdrukkelijk was beslist - ten grondslag gelegde niet tot het oordeel kan leiden dat bij de totstandkoming van de veroordeling sprake is geweest van flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging;(159)

b. niet werd geklaagd over de juistheid van de weergave door het Hof van een door de verdediging - zich niet bij de stukken bevindend - overgelegd document.(160)

15.3. De diversiteit van de hiervoor opgesomde gevallen van "geen belang" maakt nadere categorisering ter invulling van het 'klaarblijkelijk onvoldoende belang' van art. 80a in mijn ogen niet goed mogelijk. Dat gebrek aan belang moet immers "klaarblijkelijk" zijn. Dat is het geval wanneer duidelijk is dat ook als een klacht terecht is voorgedragen, dit voor de uitkomst van de zaak niet uitmaakt. Vooralsnog denk ik daarom dat het moet blijven bij de aan de parlementaire stukken te ontlenen maatstaf dat het al dan niet slagen van de klacht voor de uiteindelijke uitkomst niet ter zake doet. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het van de concrete zaak afhangt of dat "klaarblijkelijk" is en voorts dat de verdachte ook een immaterieel belang kan hebben bij het beroep in cassatie ook al doet het al dan niet slagen van de klacht voor de uiteindelijke uitkomst niet ter zake.

Het niet ter zake doen voor de uiteindelijke uitkomst en het ontbreken van enig immaterieel belang zou ik zonder meer durven aannemen voor klachten over het negeren van samenloopbepalingen als de straf ver is gebleven onder hetgeen met inachtneming van die bepalingen mocht worden opgelegd, als wordt geklaagd over inbeslagneming terwijl het goed al is teruggegeven e.d.

16. Ambtshalve ondanks gebrekkig middel ?

Zoals ik hiervoor onder 10.4 reeds heb uiteengezet verschoont een middel dat in de termen valt van art. 80a RO de Hoge Raad niet van de plicht te beoordelen of een uitspraak ambtshalve dient te worden vernietigd. Er zal dus onder meer(161) dienen te worden nagegaan of een vervolgingsuitsluitingsgrond van toepassing is (geworden), zoals verjaring(162), of het feit waarvoor de verdachte veroordeeld is strafbaar is(163), of de opgelegde straf volgens de wet geoorloofd is(164), of er wel beslist is op de vordering van de benadeelde partij(165) en of in cassatie - maar dat valt met de beoogde wijze van snelle afdoening niet te verwachten(166) - de redelijke termijn is overschreden.(167)

17. Redelijke termijn

17.1. De uitspraak "niet ontvankelijk" in een zaak die valt in de termen van art. 80a RO zou kunnen doen vermoeden dat de zaak niet ten gronde wordt beoordeeld omdat niet aan de voorwaarden voor toelating van het beroep in cassatie, zoals het tijdig instellen van het beroep, is voldaan en de Hoge Raad dus niet aan inhoudelijke beoordeling van de zaak toekomt. Zoals ik hiervoor onder 12.1 en 12.2 heb uiteengezet is dat niet het geval. Een middel klagende over overschrijding van de redelijke termijn, lijkt dus niet buiten bespreking te kunnen worden gelaten ook al vallen de overige middelen in de termen van art. 80a RO.

17.2. Een zaak waarin een middel is ingediend dat louter - doch terecht - klaagt over overschrijding van de redelijke termijn (inzendingstermijn) lijkt op het eerste gezicht niet op de voet van art. 80a RO te kunnen worden afgedaan. Het slaagt en de verdachte heeft daarbij een rechtens beschermd, immers door art. 6 EVRM erkend belang. Toch acht ik deze redenering niet juist. De vraag is niet of de verdachte een rechtens beschermd belang heeft, maar of hij een rechtens te respecteren belang heeft. Dat laatste heeft hij niet wanneer zijn enige belang hierin bestaat dat na het instellen van cassatie de inzendingstermijn wordt overschreden.(168) Dan heeft hij belang bij overschrijding van de inzendingstermijn, niet bij het beroep in cassatie. Bestaat het middel in louter een klacht over de inzendingstermijn dan kan de zaak dus worden afgedaan op de voet van art. 80a, zij het dat wel dient te worden nagegaan of de bestreden uitspraak ambtshalve moet worden vernietigd.

Deze korte afdoening zou een breuk betekenen met de rechtspraak tot nu toe. Wordt in cassatie alleen geklaagd over schending van de redelijke termijn in cassatie, dan pleegt een gegrond middel over overschrijding van de inzendingstermijn niet te worden afgedaan op de voet van art. 81 RO, ook niet wanneer kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Zie de hierna in 17.4 genoemde rechtspraak.

17.3. Hoe nu wanneer de verdachte behalve een middel over overschrijding van de inzendingstermijn ook een of meer andere middelen heeft ingediend? Heeft de verdachte, wiens middelen - afgezien van het middel over overschrijding van de redelijke (inzendings) termijn - niet kunnen leiden tot cassatie en/of die bij zijn cassatieberoep - eerst even afgezien van het middel over schending van de redelijke termijn - geen belang heeft, ook bij het cassatieberoep voor wat betreft overschrijding van de inzendingstermijn geen rechtens te respecteren belang? Ik denk het niet. Hij heeft immers voor wat betreft de middelen, voor zover deze geen betrekking hebben op overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, een rechtens te respecteren belang bij een beslissing op zijn beroep in cassatie binnen redelijke termijn, ook al heeft zijn raadsman slechts notoir kansloze middelen weten te verzinnen. Dat laatste komt niet zonder meer voor verdachtes rekening.(169)

17.4. De vraag dient zich nog aan hoe te handelen in die gevallen waarin de termijnoverschrijding van dien aard is dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.(170) Pesselse oordeelt dat een middel dat over een dergelijke termijnoverschrijding klaagt, valt in de termen van art. 80a RO.(171) Afdoening op de voet van art. 80a RO betekent echter wel dat de termijnoverschrijding niet wordt gecompenseerd door de uitdrukkelijke constatering daarvan. Daarom kan een arrest waarbij die termijnoverschrijding wordt geconstateerd, in wezen een vorm van genoegdoening door erkenning van de staat dat zij is tekortgeschoten, niet worden gemist. We zien dan ook dat de Hoge Raad in zijn arrest van 8 juni 2010, LJN BM0760 (niet gepubl.) het enige middel, dat klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, niet afdeed op de voet van art. 81 RO hoewel het bleef bij het oordeel dat de redelijke termijn - zowel qua inzending als qua afdoening in cassatie - was overschreden doch niet behoefde te leiden tot strafvermindering.(172) Daarmee erkende de Hoge Raad dat verdachte in een dergelijk geval een (immaterieel) belang heeft bij zijn beroep in cassatie (zie 10.2).

18. Geheel of ook partieel

Het geval kan zich voordoen dat een deel van de middelen valt in de termen van art. 80a voor wat betreft het niet kunnen slagen daarvan. Dat roept de vraag op of art. 80a ook ten aanzien van een deel van de middelen kan worden toegepast. Mij lijkt van niet. Dat zou immers betekenen dat het cassatieberoep tegelijkertijd niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard en (on)gegrond, en dat nog wel terwijl het over één en hetzelfde feit kan gaan. Onverenigbaarheid van einduitspraken staat hieraan dus in de weg. In dit verband wijs ik erop dat de commissie Hammerstein voorstaat dat in geval een deel van de middelen voor behandeling in cassatie ongeschikt is, deze middelen dienen te worden afgedaan op de voet van art. 81 RO, zij het dat deze bepaling ook dient te voorzien in gevallen waarin een middel niet tot cassatie behoèft te leiden.(173) Die laatste wens is overigens niet in vervulling gegaan.

19. De positie van de benadeelde partij

19.1. Art. 437 lid 3 Sv bepaalt dat de benadeelde partij binnen een maand nadat haar de kennisgeving is verzonden dat de griffier van de Hoge Raad de stukken van het geding heeft ontvangen (art. 435 lid 1 Sv), harerzijds bij de Hoge Raad een schriftuur kan doen indienen, houdende middelen van cassatie uitsluitend betreffend een rechtspunt dat haar vordering betreft. Kan echter de verdachte respectievelijk het Openbaar Ministerie niet in het beroep in cassatie worden ontvangen dan is de Hoge Raad niet bevoegd te oordelen over de schriftuur van de benadeelde partij (HR 25 maart 2003, LJN AF4207, NJ 2003, 329). De vraag is of een dergelijk gevolg ook verbonden is aan een cassatieberoep dat op de voet van art. 80a niet ontvankelijk wordt verklaard. Zoals hiervoor onder 12.1 reeds aan de orde is gekomen is deze niet-ontvankelijkheid in wezen een verwerping van het cassatieberoep. Daarom zou ik menen dat een niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO geen belemmering vormt voor het bespreken van middelen van de benadeelde partij.

19.2. In beginsel is art. 80a RO ook van toepassing op de middelen van de benadeelde partij. Probleem is dat de benadeelde partij niet in cassatie kan gaan doch slechts middelen mag indienen. Een niet-ontvankelijkheid in het - door haar niet ingestelde - beroep in cassatie past dus niet. Afdoening op de voet van art. 81 RO lijkt daarom de eenvoudigste oplossing.

19.3. Hiervoor onder 16 is reeds aangesneden dat ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak aan het licht kan brengen dat verzuimd is op de vordering van de benadeelde partij te beslissen en in zoverre ambtshalve vernietiging van de uitspraak waarvan beroep aangewezen is. Is art. 80a van toepassing dan kan een niet-ontvankelijkheid in het cassatieberoep worden uitgesproken behalve voor zover niet is beslist op de vordering van de benadeelde partij en kan de zaak vervolgens worden afgewerkt volgens het patroon van art. 440 lid 2 Sv.

20. De reikwijdte van art. 80a en 81 RO

20.1. Uit het voorgaande volgt dat art. 80a RO op drie punten een uitbreiding geeft aan de op grond van art. 81 RO bestaande mogelijkheid van vereenvoudigde afdoening in cassatie:

a. een conclusie is niet vereist;

b. indien de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie behoeven te leiden kan de zaak ook vereenvoudigd - op de voet van art. 80a RO - worden afgedaan;

c. een zaak waarin van enig rechtens beschermd belang wel sprake is maar de partij die cassatie heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft, kan vereenvoudigd - op de voet van art. 80a RO - worden afgedaan.

De wet voorziet niet in een wijziging van art. 81 RO in die zin dat deze bepaling ook van toepassing is in geval de middelen niet tot cassatie behoeven te leiden.

21. Piketpalen

21.1. Wil het voornemen zaken "aan de poort" te selecteren op de mogelijkheid deze al dan niet af te doen op de voet van art. 80a RO vruchtbaar tot uitvoering kunnen worden gebracht, dan zal er, zoals het voorgaande laat zien, door de Hoge Raad een aantal vragen, die de nieuwe bepaling doet rijzen, op ondubbelzinnige en onmiskenbare wijze moeten worden beantwoord. Ik som er enkele op:

a. al dan niet een vorm van overgangsrecht (zie 5);

b. al dan niet voldoen aan formele vereisten voor ontvankelijkheid alvorens afdoening op de voet van art. 80a aan de orde kan komen (zie 12.2 e.v.);

c. al dan niet afdoening op de voet van art. 80a RO van middel dat klaagt over schending inzendingstermijn (zie 17);

d. al dan niet ambtshalve oordelen in 80a-zaken (zie 10.4 e.v.);

e. hoe om te gaan met de (middelen van) de benadeelde partij (zie 19).

21.2. Voorts is het wenselijk dat zoveel mogelijk inhoud wordt gegeven aan de in de wet genoemde criteria al was het (eerst) alleen maar door, zoals onder 14.3 voorgesteld, opsommen van soorten gevallen die voldoen aan één van de criteria voor toepassing art. 80a RO. Dat zou dienen te geschieden op een wijze waardoor in conclusie of arrest eenvoudig kan worden verwezen naar het soort geval dat in de voorliggende zaak aan de orde is en daarom de toepassing van art. 80a zonder veel omhaal van woorden verklaart.

22. Wijze van hantering

22.1. De Hoge Raad heeft art. 81 RO zo gehanteerd dat uit zijn arrest vrijwel nooit valt op te maken op elke gronden hij oordeelt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Van Schendel(174) schrijft wel dat die gronden doorgaans indirect uit de conclusie zijn af te leiden maar of de Hoge Raad in concreto de in de conclusie gehanteerde gronden deelt blijft in het vage. Omdat voor die gronden niet uitdrukkelijk naar de conclusie wordt verwezen blijft de mogelijkheid immers open dat de Hoge Raad zijn oordeel toch op (deels) andere gronden heeft gebaseerd. Het wordt nog ondoorzichtiger wanneer wordt bedacht dat de Hoge Raad de meeste op de voet van art. 81 RO gewezen arresten niet publiceert, doch sommige wel, zonder dat steeds duidelijk is wat de reden van publicatie is. Wil de Hoge Raad in de wel gepubliceerde gevallen op de conclusie de aandacht vestigen omdat hij de in de conclusie ontvouwde inzichten deelt? Moet uit achterwege blijven van publicatie worden opgemaakt dat de Hoge Raad zich met de in de conclusie gevolgde redenering niet of niet geheel kan verenigen?

22.2. Na invoering van de schriftuurverplichting is de Hoge Raad de mogelijkheid van ambtshalve cassatie slechts gaan toepassen in een enkel uitzonderlijk geval zonder daaraan in zijn arresten ook maar één woord te wijden. Pas uitgebreid onderzoek van de rechtspraak bracht een ingrijpende wijziging in de hantering van de mogelijkheid van ambtshalve vernietigen aan het licht.(175) Ook dat heeft de rechtspraak van de Hoge Raad voor de "buitenwacht" nogal ondoorzichtig gemaakt en wekt misverstanden. Wie de ingrijpende beperking in de hantering van het middel van de ambtshalve cassatie is ontgaan kan uit een op de voet van art. 81 RO gewezen arrest licht de conclusie trekken dat de Hoge Raad van oordeel is dat de uitspraak waarvan beroep niet onjuist is. Toch kunnen in die uitspraak legio gebreken zitten die de Hoge Raad laat liggen omdat daarover niet wordt geklaagd. De uit het arrest van de Hoge Raad getrokken conclusie is dan niet juist.

22.3. Het valt niet uit te sluiten dat de hiervoor beschreven ondoorzichtigheid van de rechtspraak van de Hoge Raad in de hand heeft gewerkt dat cassatie wordt ingesteld op gronden waarmee in cassatie uit de aard der cassatierechtspraak niets valt aan te vangen. Helderheid van de rechtspraak van de Hoge Raad kan dergelijke zinloze beroepen in cassatie voorkomen.(176) Daarom sta ik voor dat in arresten die worden gewezen op de voet van art. 80a wordt aangegeven op welke grond het cassatieberoep wordt verworpen. Dat kan onder verwijzing naar een categorie, genoemd in een te wijzen standaardarrest, of, indien er een conclusie is genomen, door te verwijzen naar de conclusie. (177) Dan kan een advocaat zijn cliënt uitleggen waarom het cassatieberoep geen kans van slagen had en wordt duidelijk welke cassatieberoepen niet zinvol zijn.(178)

22.4. Ter vergroting van de kenbaarheid en de inzichtelijkheid van de hantering van art. 80a zou het aanbeveling verdienen regelmatig een selectie van uitspraken te publiceren en wel, anders dan thans op rechtspraak.nl het geval is, onder bijvoeging van de cassatieschriftuur. Pas uit arrest, eventuele conclusie en schriftuur tezamen kan duidelijk worden waarom de zaak is afgedaan op de voet van art. 80a RO. Het aldus verkregen inzicht kan bijdragen aan een vermindering van zinloze cassatieberoepen en dus aan vermindering van de werklast van de Hoge Raad. Uiteindelijk gaat het immers niet om een zo efficiënt mogelijke afdoening van vanuit een oogpunt van cassatie zinloze beroepen, maar om het zoveel mogelijk voorkomen van dergelijke beroepen.

Er zijn ook andere mogelijkheden voor de Hoge Raad om te laten weten hoe met art. 80a RO wordt c.q. zal worden omgegaan, zoals publicatie in een jaarverslag(179), maar dit betekent in mijn ogen niet dat een selectie van uitspraken - meer van hetzelfde hoeft natuurlijk niet - achterwege kan blijven. De Hoge Raad spreekt toch bij uitstek door zijn arresten en biedt zo aan derden - ik denk hier met name aan beoefenaren van de rechtswetenschap - de gelegenheid die rechtspraak zelfstandig te beoordelen zonder daarbij beperkt te zijn tot een beleidsdocument.

23. Aan middelen van cassatie te stellen eisen.

23.1. Zoals hiervoor onder 5.4 reeds is opgemerkt brengt het nieuwe art. 80a mee dat hogere eisen aan het opstellen van middelen van cassatie worden gesteld dan vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe bepaling het geval was. Reeds dadelijk springt in het oog dat de wetgever die eisen niet in de wet tot uitdrukking heeft gebracht. Dat verrast temeer omdat in het nieuwe art. 80a lid 2 besloten ligt dat reeds op grond van enkel kennisneming van de schriftuur tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a zou kunnen worden besloten.

23.2. In dat laatste ligt echter ook een aanknopingspunt voor eisen waaraan een schriftuur idealiter zou moeten voldoen. Naar vaste rechtspraak kan als middel van cassatie in de zin van art. 437 Sv slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen (HR 19 november 2002, LJN AE1171). Wil kennisneming van de schriftuur duidelijk maken dat het om een serieus te nemen klacht gaat dan is het dienstig dat de aangevochten overweging uit de uitspraak, waartegen het cassatieberoep zich richt, in de toelichting op het middel wordt opgenomen. Dat biedt de opsteller van het middel tevens de mogelijkheid nog eens te controleren of hij zijn klacht voldoende precies heeft toegesneden op hetgeen de rechter in de uitspraak, waarvan beroep, niet goed heeft gedaan. Voor zover in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan op een proceshandeling, op een gevoerd verweer of op in cassatie vaststaande feiten valt het, niet alleen met het oog op genoemde door de wetgever mogelijk geachte werkwijze van de Hoge Raad, maar ook ter controle op het bestaan van feitelijke grondslag voor de klacht, te overwegen om de passage(s) weer te geven waarop de klacht steunt.

23.3. Bij gebreke van een daartoe strekkende wettelijke verplichting zou ik niet zover willen gaan te eisen dat in de toelichting op het middel wordt uiteengezet dat en waarom een door de Hoge Raad te beantwoorden rechtsvraag aan de orde is.(180) Wenselijk lijkt mij dit overigens - gelet op de mogelijkheden die art. 80a RO biedt - wel, met dien verstande dat dit ook impliciet uit de toelichting op het middel kan blijken. Voorts maakt de mogelijkheid van niet-ontvankelijkheid bij gebrek aan voldoende belang het noodzakelijk uiteen te zetten dat en waarin het belang bij het cassatieberoep is gelegen, voor zover dat niet reeds in de klacht besloten ligt.(181)

23.4. Middelen kunnen al dan niet welwillend worden uitgelegd. Deze welwillendheid kan op de proef worden gesteld, bijvoorbeeld in geval de toelichting niet op het middel is toegesneden maar in wezen een klacht van andere aard bevat dan het middel. De kwaliteitseisen die thans aan een raadsman in cassatie worden gesteld kunnen meebrengen dat minder welwillend zal worden omgesprongen met rommelig of niet "to the point" toegelichte middelen, zoals de invoering van de schriftuurverplichting heeft geleid tot het beperken van de ambtshalve cassatie.

24. Het toezicht op de feitenrechtspraak

24.1. In de memorie van toelichting op art. 80a wordt gesteld dat de met invoering van art. 80a beoogde selectie van zaken "aan de poort" meebrengt dat het toezicht op de feitenrechtspraak minder gedetailleerd zal worden voor de categorie van zaken met kleine gebreken die op de uiteindelijke beslissing niet van invloed zouden zijn geweest.(182) Daarom worden, aldus de memorie van toelichting, aan de feitenrechtspraak kwaliteitseisen gesteld, die hun neerslag hebben gevonden in de kernwaarden van de appelrechtspraak als geformuleerd door de Commissie kernwaarden appelrechtspraak. De commissie Hammerstein formuleert het iets anders. Haars inziens dienen zaken buiten de poort te blijven waarin op de rechtsbeschermende taak van de Hoge Raad een beroep wordt gedaan maar de rechtsbescherming niet wezenlijk in het geding is.(183)

24.2. De rechtspraak laat gevallen zien waarin Hoven uit een oogpunt van werkbesparing en - soms - ten koste van rechtens te respecteren belangen van de verdachte, de grenzen van de wet opzoeken of daarover heen gaan en de Hoge Raad moet ingrijpen. In HR 24 mei 2005, LJN AT2980, NJ 2006, 433, m.nt. P.A.M. Mevis maakte de Hoge Raad een einde aan de praktijk niet - zoals de wet (art. 365a jo. 138b Sv) ondubbelzinnig voorschrijft - een verkort arrest te wijzen maar te volstaan met een 'uittreksel' waarin slechts zijn opgenomen de kwalificaties van de bewezenverklaarde feiten, de data waarop en de plaatsen waar zij zijn begaan, de toepasselijke wetsartikelen alsmede het dictum. Aan HR 17 april 2012, LJN BV9223 lag ten grondslag een geval waarin de verdachte niet-ontvankelijk was verklaard in zijn hoger beroep omdat hij geen schriftuur had ingediend en zijn hoger beroep ook niet ter terechtzitting had toegelicht (art. 416 lid 2 Sv). Bij (standaard)brief was hem echter medegedeeld dat de zaak op een "rolzitting" zou worden behandeld, dat de zaak aldaar niet zou worden voorgedragen en derhalve aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman in beginsel niet noodzakelijk was. Hoewel deze brief de verdachte onmiskenbaar op het verkeerde been zette, zag het Hof daarin geen beletsel de verdachte niet ontvankelijk te verklaren omdat hij zijn hoger beroep niet ter terechtzitting had toegelicht. Daarbij was het Hof er ook nog eens aan voorbijgegaan dat art. 416 lid 2 Sv pas aan de orde komt wanneer de zaak is voorgedragen.(184)

24.3. In zijn conclusie bij HR 25 januari 2005, LJN AR7190, NJ 2006, 411 heeft mijn voormalig ambtgenoot Jörg een opsomming gegeven van gevallen waarin de Hoge Raad in uitspraken van feitenrechters geconstateerde gebreken herstelt of zodanig beschouwt dat zij niet tot cassatie behoeven te leiden. Hij deelt de door mr. Willems op de interne conferentie van de Hoge Raad "De Hoge Raad gespiegeld" geuite zorg ten aanzien van de zich schijnbaar aftekenende ontwikkeling dat de kwaliteit van de rechtspraak in hoogste feitelijke instantie afneemt.

24.4. Elders(185) heb ik verslag gedaan van een onderzoek naar de vraag in hoeveel gevallen de Hoge Raad moet ingrijpen omdat de feitenrechter een substantiële kunstfout heeft gemaakt. Deze vraag was ingegeven door de gedachte dat besparing van werk mogelijk is op zaken waarin de Hoge Raad thans een gemotiveerd arrest wijst, hoewel geen vragen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling aan de orde zijn maar de Hoge Raad toch moet ingrijpen. Dan gaat het om zaken waarin de appelrechter een door een cassatiemiddel gesignaleerde substantiële kunstfout heeft gemaakt, dat wil zeggen elementaire regels van rechterlijk vakmanschap heeft geschonden, zoals het negeren van de wet of vaste rechtspraak, tegenstrijdig motiveren e.d. Een steekproef, toegepast op niet louter met verwijzing naar art. 81 RO gemotiveerde uitspraken van de Hoge Raad gewezen in de periode september tot en met december 2010 en betrekking hebbend op arresten van hoven(186), liet het volgende zien. Een aantal uitspraken beantwoordde een rechtsvraag, verduidelijkte bestaande rechtspraak of was van belang voor de (verdere) rechtsontwikkeling, zoals uitspraken over het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (art. 359 lid 2 Sv). Bijna de helft van de gewezen uitspraken behelsde een vernietiging van een arrest wegens een kunstfout in bovenbedoelde zin. Ik heb niet de indruk dat hierin nadien wijziging van betekenis is gekomen. Dat betekent dat als een appelrechter zijn werk technisch-juridisch gesproken goed zou doen de Hoge Raad substantieel werk zou worden bespaard.

24.5. Er is dus nog steeds reden tot zorg over de kwaliteit van de rechtspraak in hoogste feitelijke instantie. Gerekend naar de geluiden die mij uit de appelrechtspraak bereiken(187) en gezien de aard van de gemaakte kunstfouten, die nogal eens lijken te kunnen worden teruggevoerd op eenvoudige slordigheid, moeten deze kunstfouten in belangrijke mate worden toegeschreven aan voortdurende en substantiële overbelasting van de appelrechter. Het is onbegrijpelijk dat deze overbelasting niet een rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van art. 80a RO. Enerzijds immers kan door goed werk van de appelrechter worden bereikt dat de Hoge Raad zich meer op zijn kerntaken kan concentreren, het doel van de invoering van art. 80a RO(188), anderzijds brengt art. 80a in de ogen van de wetgever mee dat meer van de feitenrechtspraak moet worden verwacht terwijl de appelrechter nu al onvoldoende bewerktuigd lijkt, met nodeloos werk voor de Hoge Raad als gevolg.

24.6. In zijn uitspraak van 13 juli 2010, LJN BM0256, NJ 2011, 294, m.nt. P.A.M. Mevis(189) neemt de Hoge Raad al enig voorschot op het in de memorie van toelichting gesignaleerde gevolg van invoering van art. 80a RO, een minder gedetailleerd toezicht op de feitenrechtspraak. Daarin legt de Hoge Raad er immers de nadruk op dat van invoering van het voorgenomen art. 80a RO het gevolg zal zijn dat het leidinggeven aan de rechtseenheid ten dele verschuift van de Hoge Raad naar de hoven, waardoor hun zorg voor de bescherming van de rechten en belangen van de partijen aan betekenis wint.(190) Daarmee sluit de Hoge Raad aan op wat door de Commissie kernwaarden appelrechtspraak - naast de herstelfunctie - als belangrijkste bestaansreden van het appel wordt genoemd: de bewaking van de uniforme rechtstoepassing en de rechtseenheid.(191)

24.7. Dat minder gedetailleerde toezicht komt ook tot uitdrukking in de in het kader van de door de Hoge Raad uitgesproken voorkeur voor bevestigen of gemotiveerd vernietigen. In dat verband houdt de Hoge Raad de appelrechter voor dat vormverzuimen, begaan in eerste aanleg, door de behandeling in hoger beroep kunnen worden hersteld en daarom nadien niet meer relevant zijn(192) en die vormverzuimen veelal in cassatie niet aan de orde komen omdat daarover hetzij bij de behandeling in hoger beroep, hetzij bij de behandeling in cassatie niet is geklaagd dan wel betrokkene niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad.(193)

24.8. De hiervoor aangestipte problemen in de feitenrechtspraak laten zien dat de tijd er nog niet rijp voor is dat de Hoge Raad zijn toezicht op de feitenrechtspraak vermindert. De Hoge Raad mag dan geen kwaliteitsinspecteur zijn, hij bepaalt wel de inhoudelijke kwaliteitseisen voor rechterlijke beslissingen.(194) Dat dient tot uitdrukking te komen in een behoedzame hantering van de mogelijkheid het cassatieberoep niet alleen op gebrek aan belang maar ook op gebrek aan voldoende belang te laten stranden. Genoemde problemen laten ook zien dat zowel het stellen van kwaliteitseisen aan de advocatuur in cassatie als ook investeringen in de feitenrechtspraak in capaciteit en kwaliteit kunnen bevorderen dat de Hoge Raad zich meer kan concentreren op zijn kerntaken. Die investeringen zijn dringend noodzakelijk wil de Hoge Raad art. 80a RO zo ruim kunnen toepassen dat het doel van de nieuwe bepaling, de Hoge Raad de gelegenheid bieden zich meer dan thans het geval is te concentreren op zijn kerntaken, tot zijn recht kan komen.

24.9. In dit verband is niet zonder betekenis dat de commissie Hammerstein in concentratie van de Hoge Raad op vragen van rechtseenheid en rechtsvorming versterking zag van het gezag van de Hoge Raad.(195) Aan het gezag van de rechtspraak, ook dat van de Hoge Raad, komt niet ten goede dat de Hoge Raad veelvuldig uitspraken moet vernietigen wegens kunstfouten dan wel zich in (te grote(196)) bochten moet wringen om een uitspraak overeind te houden.

25. Verschuiving van het leidinggeven aan de rechtseenheid

25.1. Is het inderdaad zo dat - zoals de Hoge Raad in laatstgenoemd arrest overwoog - van invoering van het art. 80a RO het gevolg zal zijn dat het leidinggeven aan de rechtseenheid ten dele verschuift van de Hoge Raad naar de hoven? Elders heb daar mijn twijfel wel eens over uitgesproken.(197) Volgens de memorie van toelichting worden aan de feitenrechtspraak kwaliteitseisen gesteld omdat het in art. 80a RO besloten selectiestelsel mee zal brengen dat het toezicht van de Hoge Raad minder gedetailleerd zal worden voor de categorie van zaken met kleine gebreken die uiteindelijk op de beslissing niet van invloed zijn geweest.(198) Over verschuiving van rechtseenheid gaat dat niet echt, wel om vermindering van toezicht op kleine gebreken. Reeds thans is dat toezicht door veelvuldige hantering van art. 81 RO, herstel van gebreken door de Hoge Raad(199) en interpretatiegewijs verbeteren van de motivering van uitspraken etc. beperkt. Gezien hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt over de kwaliteit van de feitenrechtspraak lijkt mij de tijd nog niet rijp dat toezicht verder te beperken.

25.2. De kwestie van de verschuiving van het leidinggeven aan de rechtseenheid naar de hoven speelt in de parlementaire geschiedenis verder geen rol. Wil van daadwerkelijke verschuiving van het leidinggeven aan de rechtseenheid sprake kunnen zijn dan zal de hoven een instrument in handen moeten worden gegeven dat krachtiger is dan afspraken in LOVS-verband. Deze vormen immers geen recht in de zin van art. 79 RO.(200) Dat betekent dat deze afspraken de rechters niet kunnen binden en partijen de beoogde rechtseenheid niet met een beroep op tussen hoven gevormd beleid in cassatie kunnen afdwingen.

26. Rechtsbescherming en kwaliteit van rechtspraak: "missing links"?

26.1. In één der voorontwerpen van art. 80a(201) was voorzien in het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep in cassatie wanneer de aangevoerde klachten vanuit het belang van de rechtsbescherming en het belang van de bewaking van de kwaliteit van de rechtspraak van onvoldoende gewicht moesten worden beoordeeld voor behandeling in cassatie. In de ontwerp-memorie van toelichting stond daarover onder meer geschreven: "Niet elke oneffenheid in een beslissing van een lagere rechter behoeft de aandacht van de Hoge Raad (rapport(202), blz. 12). Aan de andere kant dient de Hoge Raad ook oog te hebben voor fouten van de lagere rechter die niet leiden tot significant nadeel van betrokkene, maar die om andere reden geredresseerd dienen te worden, bijvoorbeeld indien het cruciale elementen van openbare orde betreft." In deze visie wordt het belang bij het cassatieberoep niet beperkt tot het partijbelang maar wordt dit een wijdere strekking gegeven die erop neerkomt dat ook indien een partij bij het cassatieberoep geen belang heeft, afdoening op de voet van art. 80a niet kan volgen omdat er belangen van rechtsbescherming en/of kwaliteit van de rechtspraak in het geding zijn.

26.2. In het tot wet geworden art. 80a RO keren rechtsbescherming en kwaliteit van rechtspraak niet terug. Betekent het ongenoemd laten van rechtsbescherming en kwaliteit van rechtspraak nu dat deze belangen in het kader van het huidige art. 80a alleen in het geding zijn wanneer daarbij tevens enig partijbelang speelt? Met andere woorden, kunnen zaken worden afgedaan op de voet van art. 80a wanneer een partij niet voldoende belang heeft bij zijn beroep in cassatie, ook al spelen belangrijke vragen van rechtsbescherming of van kwaliteit van rechtspraak?

26.3. De commissie Hammerstein neemt onder meer als uitgangspunt dat de Hoge Raad als laatste rechter optreedt in een individuele zaak en waar nodig rechtsbescherming kan bieden aan individuele rechtzoekenden, ook als met een uitspraak de rechtsontwikkeling verder niet wordt gediend. Zij wijst erop dat de Hoge Raad ten opzichte van de lagere rechtspraak in zoverre ook een normstellende functie heeft en dat hij de beginselen van een behoorlijke rechtspleging moet bewaken. Van deze functie gaat, aldus de commissie, door herstel van soms ernstige fouten een kwaliteitsverbeterende werking uit, terwijl mag worden aangenomen dat reeds het bestaan van dit toezicht een positieve impuls geeft aan de kwaliteit van het werk van de lagere rechter. De commissie houdt vast aan de rechtsbeschermende functie van de Hoge Raad(203), met dien verstande dat de rechtsbescherming in het individuele geval meer de functie krijgt van het bewaken van de kwaliteit van de rechtspraak.(204) Kennelijk verbindt de commissie daaraan de gevolgtrekking dat dit betekent dat wanneer het gaat om het bieden van zuiver individuele rechtsbescherming, voor terugtreden van de Hoge Raad ruimte dient te zijn.(205) Asser ziet bewaken van de kwaliteit van de rechtspraak ook uitdrukkelijk als taak van de Hoge Raad, doch brengt daarop - kennelijk gezien vanuit het civiele procesrecht - wel een beperking aan tot zaken waarin de betrokken partij significant nadeel heeft geleden (206)

26.4. Zoals ik hiervoor onder 24 heb uiteengezet kan toezicht op de kwaliteit van het werk van de feitenrechter door de Hoge Raad node worden gemist. Ook al is het belang van een partij niet in het geding dan nog kan er reden zijn de zaak in cassatie niet op de voet van art. 80a RO af te doen en duidelijk te maken welk gebrek kleeft aan de uitspraak waarvan beroep. Het hiervoor genoemde "uittreksel-arrest"(207), waarbij de Hoge Raad een einde maakte aan de praktijk van het verstrekken van een uitreksel uit een arrest in plaats van, zoals de wet voorschrijft, een verkort arrest, biedt daarvan een fraai voorbeeld. Hoewel verdachtes belang door verstrekken van een uitgewerkt arrest inmiddels in wezen was komen te vervallen - hij wist uit het uitgewerkte arrest immers op welke gronden hij was veroordeeld en kon daarop zijn middelen baseren of het cassatieberoep intrekken - casseerde de Hoge Raad het arrest van het Hof omdat sprake was van schending van een wezenlijke vorm van het strafproces.

26.5. Art. 80a RO biedt niet de mogelijkheid de rechtsbescherming voor wat betreft de rechtens te respecteren belangen in cassatie enigszins terug te draaien omdat geen vragen van rechtseenheid en rechtsvorming in het geding zijn. Zoals Franken schrijft is rechtsbescherming bij uitstek hetgeen een burger van de Hoge Raad verwacht.(208) Ook als de Hoge Raad een fout in een uitspraak van een lagere rechter door, in de woorden van de commissie Hammerstein(209), een mineure ingreep kan herstellen, kan - anders dan de commissie lijkt te veronderstellen(210) - de rechtsbescherming en het rechtens te respecteren belang van een partij in het geding zijn. Aan de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg ontleen ik (samengevat) daarvan de volgende voorbeelden:

- verbetering van de bewezenverklaring/bewijsvoering;

- voorzien in motivering van de verwerping van een responsieplichtig verweer;

- verbetering van diverse fouten in de strafoplegging;

- verbetering van fouten in de ontnemingsmaatregel;

- verbeterde lezing van onjuiste c.q onbegrijpelijke overwegingen van de feitenrechter.

Fouten in uitspraken van feitenrechters, zeker voor zover deze bestaan in onjuiste beslissingen, zullen niet kunnen worden "uitgeselecteerd" ter afdoening op de voet van art. 80a RO, ook al gaat het om een kleine fout die door een "mineure ingreep" kan worden hersteld. Het rechtens te respecteren belang van de verdachte bij herstel staat immers buiten kijf: duur van de vrijheidsstraf, hoogte van het te ontnemen bedrag, aftrek van de voorlopige hechtenis, aftrek wegens overschrijding van de redelijke termijn, begrijpelijkheid van een uitspraak.(211)

Rechtsbescherming blijft dus een zelfstandige functie van het beroep in cassatie, ook al noemt de wet de rechtsbescherming in afwijking van een voorontwerp van wet niet.

26.6. Het voorgaande laat nog eens zien hoe belangrijk de kwaliteit is van de uitspraken die de Hoge Raad worden voorgelegd. Vele "mineure" ingrepen kunnen achterwege blijven als de rechter in feitelijke aanleg zijn werk technisch-juridisch gesproken goed heeft gedaan. Ook daarom doet de Hoge Raad er goed aan zijn toezicht op de kwaliteit van de feitenrechtspraak niet te verminderen. Hetgeen de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 13 juli 2010, LJN BM0256, NJ 2011, 294, m.nt. P.A.M. Mevis, te weten dat hoven niet te zwaar moeten tillen aan de aan bevestigen verbonden kans van overnemen van fouten van de eerste rechter omdat vormverzuimen, begaan in eerste aanleg, door de behandeling in hoger beroep kunnen worden 'geheeld' danwel veelal in cassatie niet aan de orde komen is in mijn ogen dan ook een verkeerd signaal naar de hoven. Kwaliteitsbevorderend is dit immers bepaald niet.

27. Strafvordering en partijbelang

27.1. Wetgeving en rechtspraak laten zien dat het procesrecht in de laatste decennia hoe langer hoe meer toegesneden is geraakt op het partijbelang. In het onderzoeksproject Strafvordering 2001 is aangestuurd op versterking van de contradictoire vorm van het strafproces, erin resulterend dat de behandeling kan worden toegesneden op die punten die openbaar ministerie en verdachte verdeeld houden. Deze gedachte vinden we terug in het bepaalde in art. 415 lid 2 Sv.(212) Ik wijs ook op art. 416 Sv, dat het mogelijk maakt een hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren als geen bezwaren naar voren worden gebracht tegen de uitspraak waartegen het beroep is gericht. Dit contradictoire karakter van het strafproces heeft ook uitdrukking gevonden in art. 359 Sv, voor zover daarin is bepaald dat een verwijzing naar de bewijsmiddelen volstaat als verdachte het feit heeft bekend. Ook in de verplichting te responderen op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten heeft het streven naar versterking van het contradictoire karakter van het strafproces uitdrukking gevonden.

De gedachte van het partijbelang vinden we voorts terug in de regel dat de rechter aan een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs voorbij kan gaan wanneer het bewijs dat onrechtmatig verkregen zou zijn, niet voor het bewijs gebezigd is. Ik wijs ook op de hiervoor reeds genoemde uiterst beperkte hantering van het middel van ambtshalve cassatie.

27.2. De vraag is of de grenzen van het toesnijden van het strafproces op de belangen van partijen niet al wel zijn bereikt of niet reeds zijn overschreden.(213) Het strafproces is nu eenmaal niet een civiel proces waarin de belangen van partijen (vrijwel) allesbepalend zijn. Het strafprocesrecht beoogt niet de onderlinge verhouding van partijen te regelen maar vormt uitdrukking van de wijze waarop de samenleving met inachtneming van belangen van openbare orde, verdachte, slachtoffer en burger wenst om te gaan met onderzoek naar en berechting van strafbare feiten. Eenzijdige oriëntatie op het partijbelang betekent dat wezenlijke vragen van rechtsbescherming en van kwaliteit van rechtspraak kunnen blijven liggen wanneer partijen deze niet aan de orde stellen dan wel hun belang daarbij niet of onvoldoende in het geding is. Voor vragen van rechtseenheid en rechtsvorming geldt - behoudens een enkele uitzondering - hetzelfde. Een dergelijke eenzijdige oriëntatie ligt niet voor de hand voor recht dat een wijdere strekking heeft dan het regelen van een verhouding tussen partijen.

28. Zaken die er toe doen

Vanuit het perspectief van de verdachte zijn alle zaken waarin beroep in cassatie is ingesteld en middelen zijn ingediend, zaken die er toe doen(214), vanuit het perspectief van de cassatierechter alleen die zaken waarin vragen van rechtseenheid en rechtsvorming spelen.(215) De wetgever lijkt in deze een middenpositie in te nemen. Zaken waarin, gelet op de beperkingen die aan de cassatierechtspraak eigen zijn, uit een oogpunt van rechtsbescherming, rechtseenheid en rechtsvorming duidelijk geen enkel perspectief zit, mogen verkort worden afgedaan, mits de zaak ten gronde, zowel naar aanleiding van de middelen als ambtshalve, is onderzocht. Daar ben ik niet ongelukkig mee. Meer nog dan de Hoge Raad steekt het parket door het in alle zaken schrijven van gemotiveerde conclusies tijd in zaken die in cassatie overduidelijk tot niets kunnen leiden.

Bewerkelijker dan dergelijke zaken zijn - in elk geval voor het parket - zaken die uiteindelijk leiden tot verwerping van een beroep op de voet van art. 81 RO, maar die door een gebrekkige motivering een afweging vragen of dit moet leiden tot vernietiging dan wel aldus kan worden begrepen dat het gebrek wordt geretoucheerd. Nu voorts art. 80a RO niet kan worden toegepast in zaken waarin fouten in het dictum staan - ik verwijs naar hetgeen ik opmerkte onder 26.5 - is er alle reden om in te zetten op verbetering van de kwaliteit van de appelrechtspraak. Daardoor valt voor de Hoge Raad nog een aanzienlijke besparing van werk te bereiken. De Hoge Raad moet niet van zijn èchte werk worden gehouden door onzinnige middelen, maar ook niet door misslagen en slordigheden van overbelaste feitenrechters.

29. Conclusie

Hiervoor heb ik uiteengezet dat mijns inziens in een zaak als de onderhavige waarin de middelen, zoals uit de bespreking daarvan moge blijken, klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden, art. 80a RO van toepassing is, ook al was de schriftuur reeds ingediend voordat art. 80a RO in werking trad. Daarom strekt deze conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep in cassatie.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie p. 6 bestreden arrest.

2 Besluit van 18 april 2012, Stb. 2012, 175.

3 Wet van 15 maart 2012 tot wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (versterking cassatierechtspraak), Stb. 2012, 116.

4 Kamerstukken II 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 5, 6, verwijzend naar Rapport Versterking van de cassatierechtspraak (zie met name p. 41 e.v.).

5 O.a. HR 18 april 1995, NJ 1995, 566, rov. 4.1.4.

6 O.a. HR 18 april 1995, NJ 1995, 566, rov. 4.1.4.

7 HR 31 mei 2005, LJN AT2729, NJ 2005, 408, HR 11 oktober 1994, NJ 1995, 156, HR 20 oktober 1979, NJ 1980, 93. Vgl. ook: HR 29 november 1977, NJ 1978, 239. Zie voorts: Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 22 op art. 1 (suppl. 89, juli 1994); G. Knigge, Verandering van wetgeving, diss. Groningen 1984, Arnhem: Gouda Quint, p. 232, 233 en 343; Stolwijk, Verandering van strafprocesrecht, in: Bij deze stand van zaken, p. 506; J.M. van Bemmelen, Strafvordering, Leerboek van het Nederlandse Strafprocesrecht, zesde herziene druk, 's-Gravenhage: Martinus Nijhoff 1957, p. 74 en 75, G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Kluwer 2011, zevende druk, p. 32.

8 O.a. HR 14 november 2000, LJN AA8296, rov. 6.3.

9 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.3 en 3.17.

10 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 6.

11 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 45.

12 In deze zin ook Van Kempen in zijn noot bij HR 17 mei 2012, NJ 2012, 307 onder 9.

13 O.a. EHRM 19 december 1997, Appl. no. 155/1996/774/975 (Brualla Gómez de la Torre v. Spain), par. 35 (civiele zaak), EHRM 18 oktober 2000, Appl. nos. 32492/96, 32547/96, 32548/96, 33209/96 and 33210/96 (Coëme and others v. Belgium), par. 148 (strafzaak), EHRM 2 november 2006, Appl. no. 29182/03 (Kozlica v. Croatia), par. 33, EHRM 1 juli 2010, Appl. no. 48101/07 (Vusic v. Croatia), par. 39.

14 Kamerstukken II, 1986-1987, 19 953, nr. 3, p. 3 en nr. 5, p. 7.

15 In geval van cassatie tegen een vrijspraak dient wel te blijken van een rechtens te respecteren belang: HR 16 november 2010, LJN BN0007.

16 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 21.

17 Wet van 16 juni 1988, Stb. 1988, 286, in werking getreden 1 juli 1988.

18 Wet van 28 oktober 1999, Stb. 1999, 467, in werking getreden 1 oktober 2000.

19 Jaarverslag Hoge Raad 2003 en 2004, p. 35.

20 Zie de conclusie bij HR 24 februari 2004, LJN AN9907, NJ 2004, 477, (m.nt. YB onder nr. 476) en het jaarverslag van de Hoge Raad over de jaren 2003 en 2004, p. 35.

21 In het rapport dat ten grondslag lag aan het voorstel tot invoering van de schriftuurverplichting, De toegang tot de cassatierechter in strafzaken, Rapport van de Commissie Werkbelasting Strafkamer Hoge Raad (commissie Haak), december 1996, p. 38, wordt gesproken van ambtshalve cassatie in uitzonderingsgevallen.

22 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2009, zesde druk, p. 89-91, en jaarverslag Hoge Raad 2003 en 2004, p. 34, 35.

23 Wet van 14 september 1995, Stb. 1995, 441.

24 Zie daarover ook de rapporten van het onderzoeksproject Strafvordering 2001, voor wat betreft cassatie in het bijzonder het eindrapport, p. 478 e.v. (E.F. Stamhuis).

25 Kamerstukken II, 1993-1994, 23 705, nr. 3, p. 3.

26 In deze zin ook A.A. Franken, DD 2012/34, p. 364 e.v.

27 Zie voor uitzonderingen op de algemene regel EHRM 22 september 1994, Appl. no. 14861/89 (Lala v. the Netherlands), par. 34, EHRM 6 november 1980, Appl. no. 7654/76 (Oosterwijck v. Belgium), par. 39, EHRM 12 oktober 2007, Appl. no. 74613/01 (Jorgic v. Germany), par. 82, EHRM 29 januari 2002, Appl. no. 37328/97 (A.B. v. the Netherlands), par. 73, alsmede M.I. Veldt, Het EVRM en de onpartijdige strafrechter, diss. Tilburg, Arnhem: Gouda Quint 1997, p. 296 e.v.

28 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 12, 42.

29 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 38.

30 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 43.

31 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 41.

32 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 1.

33 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 1.

34 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 14-38.

35 Zie over de discussie, voorafgaand aan het wetsontwerp o.a. G.J.M. Corstens, De toekomst van cassatie, Strafblad 2007, p. 31-38, A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, Warme gevoelens en irritaties in cassatie, Strafblad 2007, p. 39-46, B.F. Keulen, Cassatie op een breekpunt?, Themis 2009, p. 201-213, de verschillende bijdragen aan de bundels Versterking van de cassatierechtspraak door de Hoge Raad (N.J.H. Huls red.), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009 en aan De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2011, alsmede M.A. Loth, Versterking van de cassatierechtspraak èn de appelrechtspraak, Trema 2009, p. 410-415, en Beslissen te beslissen, hoe de Hoge Raad zijn agenda bepaalt, in Het zwijgen van de Hoge Raad (A.G. Castermans e.a. red.) Deventer: Kluwer 2009, p. 3-16, A. Hammerstein, De Hoge Raad ondersteboven, NJB 2010, p. 548-552, J. van Duijvendijk-Brand, Waartoe is de Hoge Raad op aarde?, NJB 2010, p. 553-560.

36 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 15.

37 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 6, p. 3.

38 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 5.

39 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 4, p. 5.

40 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 12.

41 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 18 en Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 4, p. 5.

42 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 18.

43 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 19.

44 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 6, p. 6.

45 Jaarverslag 2011, p. 72.

46 Wordt geen conclusie genomen, dan hoeft ook niet de gelegenheid te worden geboden een Borgers-brief te sturen. Art. 439 lid 5 Sv koppelt de Borgersbrief immers aan verzending van een afschrift van de conclusie. Aldus A.J.M. Machielse in De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 111.

47 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 19, nr. 6, p. 14.

48 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 38, 39.

49 Zie Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 33, voor voorbeelden. Zie voor voorbeelden ook de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg bij HR 25 januari 2005, LJN AR7190, NJ 2006, 411 onder 21.

50 Zie par. 8.

51 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 43, 44.

52 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 6, p. 16.

53 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 18.

54 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 6.

55 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 6, p. 16.

56 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 6, 18, 19.

57 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 19.

58 Dit "andere" ontbrak in het betoog van de staatssecretaris maar dat berust gelet op de memorie van toelichting kennelijk op een vergissing.

59 Handelingen Tweede Kamer 28 september 2011, 5-4-44.

60 Kamerstukken I, 2011-2012, 32 576, nr. C, p. 4.

61 Zie bijv. HR 15 februari 2011, LJN BP0067 (beschikking; niet gepubliceerd), HR 16 november 2010, LJN BN8214 (beschikking), HR 21 september 2010, LJN BM0754 en HR 15 december 2009, LJN BJ7799, NJ 2010, 610, m.nt. YB (beschikking).

62 Zie bijv. HR 20 maart 2012, LJN BT6468, HR 20 september 2011, LJN BQ4313, NJ 2011, 436, HR 19 september 2006, LJN AX9410 en HR 15 november 2005, LJN AU3482.

63 Zie bijv. HR 4 oktober 2011, LJN BR2216 (bewijsmotivering), HR 5 juli 2011, LJN BQ5731, NJ 2011, 452, m.nt. J.M. Reijntjes (bewijsmotivering), HR 5 juli 2011, LJN BP7851 (strafmotivering) en HR 1 september 2009, LJN BI4735 (bewijsmotivering).

64 Het immaterieel belang wordt ook in het bestuursrecht als procesbelang erkend: M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, vierde druk, Kluwer Deventer 2011, p. 360-377, in het bijzonder p. 364.

65 Vgl. HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004, 376 m.nt. YB, rov. 3.5 slot en 3.7 slot.

66 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 20.

67 Zie de conclusie bij HR 24 februari 2004, NJ 2004, 477, (m.nt. YB onder nr. 476), en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2009, zesde druk, p. 89-91.

68 Handelingen Tweede Kamer 28 september 2011, 5-4-36, 5-4-39, 5-4-41.

69 Kamerstukken I, 2011-2012, 32 576, nr. B, p. 2.

70 Kamerstukken I, 2011-2012, 32 576, nr. C, p. 1, 2. Zie ook Kamerstukken I, 2011-2012, 32 576, nr. D, waar de CDA-fractie haar tevredenheid betuigt met de mededeling van de Minister dat geen sprake zal zijn van een minder vergaande inhoudelijke toetsing.

71 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 14.

72 Kamerstukken II, 1997-1998, 26 027, nr. 3, p. 13.

73 Kamerstukken II, 1998-1999, 26 027, nr. 5, p. 6.

74 In J.F. de Groot en H.M. Slaghekke (red.), Frank en Vrij, Thunissenbundel, Den Haag: Instituut voor Bouwrecht 2009, p. 18.

75 H.D.W. Asser in De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 84.

76 H.D.W. Asser in De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 84.

77 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2009, zesde druk, p. 53 noemt HR 22 februari 1994, NJ 1994, 306, waarbij deze eis - een rechtens te respecteren belang - is gesteld. Zie over gebrek aan belang reeds o.m. HR 29 januari 1985 NJB 1985, p. 362, nr. 36, HR 9 oktober 1985, NJ 1985, 251, m.nt. 'tH.

78 Zie Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 43, en Van Schendel, De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 21 over het volgen van wegen van geleidelijkheid bij de invulling van de nieuwe bepaling.

79 Naast het Rapport Versterking van de cassatierechtspraak noem ik M.A. Loth, Reparaties aan de cassatiemotor in Versterking van de cassatierechtspraak door de Hoge Raad (N.J.H. Huls red.), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, p. 5-10 (met name voor zover hij het optimistische scenario schetst).

80 Zie De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 86.

81 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 19.

82 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 6, p. 2. Zo ook H.D.W. Asser in De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 89. Zie ook G. Pesselse, Selectie in cassatie. De werkbelasting van de strafkamer van de Hoge Raad na invoering van art. 80a RO. Tilburg: Celsus juridische uitgeverij 2012, p. 38, die wijst op het verschil met het verlofstelsel van art. 410a Sv.

83 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 6, p. 2.

84 Vgl. Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 33, noot 64.

85 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 44, voorstel voor een nieuw art. 81 lid 1 RO.

86 Zie voor een relativering van deze eisen HR 29 mei 2012, LJN BW6670.

87 In de memorie van toelichting wordt deze invulling door de Hoge Raad in het vooruitzicht gesteld: Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 15.

88 O.a. HR 12 juni 2012, LJN BU7644 (conclusie anders), HR 15 mei 2012, LJN BW5166 (conclusie anders), HR 5 juli 2011, LJN BP6461 (conclusie anders), HR 8 september 2009, LJN BI5739.

89 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 4, p. 6

90 Kamerstukken II, 1991-1992, 22 495, nr. 3, p. 135 (zie derde alinea).

91 De grote Van Dale (veertiende uitgave) geeft als betekenis van evident: "zeer duidelijk, in het oog springend, geen bewijs behoevend", als synoniem "klaarblijkelijk".

92 Meyer-Goßner, Strafprozessordnung, München: Verlag C.H. Beck 2011, par. 349, aant. 10.

93 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 3.

94 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 3.

95 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 6.

96 Bij de selectie van zaken is ook in het oog gehouden hetgeen interne steekproeven hebben geleerd; zie daarover Van Schendel in De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 27.

97 Bijv. 1) klachten waarin niet tegen een handeling of beslissing van een rechter als bedoeld in art. 95, eerste lid, (oud) RO c.q. art. 78, eerste lid, RO wordt opgekomen: HR 4 juli 2000, LJN AA6375, NJ 2000, 581 en HR 27 februari 2001, LJN ZD2311 (niet gepubliceerd) (geen afschrift van (bepaalde) processtukken ontvangen), HR 4 december 2001, LJN AD5183 (klacht over ontbreken pagina's toegezonden arrest), HR 15 juni 2004, LJN AO8819, NJ 2004, 465 (ontbreken vordering A-G bij de toegezonden stukken), HR 24 juni 2008, LJN BD0448 en HR 26 januari 2010, LJN BK5506 (niet gepubliceerd) (klachten over geldigheid betekening aanzegging ex art. 435, eerste lid, Sv),

2) klachten waarin niet wordt aangegeven waarom het bestreden oordeel onbegrijpelijk is: bijv. HR 11 januari 2005, LJN AR5101,

3) te algemeen geformuleerde klachten: HR 8 maart 1977, NJ 1978, 178 en HR 2 maart 1999, NJ 1999, 739 en

4) klachten waarin niet wordt geklaagd over verzuim van vormen of schending van het recht: bijv. HR 8 april 1986, NJ 1986, 708.

98 Bijv. HR 9 november 2004, LJN AQ8470 (klacht dat de feitenrechter het recht van een andere staat verkeerd heeft uitgelegd en aldus heeft geschonden), HR 3 maart 2009, LJN BG8962, NJ 2009, 142 (de klacht een verzuim van de griffier betreft) en HR 15 november 2011, LJN BT2686 (de klacht dat een rechterlijke beslissing in strijd is met een niet bestaande wetsbepaling).

99 Bijv. HR 20 april 2004, LJN AO0616, NJ 2005, 241 (beslissing tot splitsing van gevoegde zaken).

100 Bijv. HR 7 oktober 2008, LJN BC3741, NJ 2009, 107 (beslissing om zaken niet langer gelijktijdig te behandelen).

101 Bijv. HR 12 juni 2012, LJN BW7951 (middelen die eraan voorbijzien dat ten aanzien van feiten en omstandigheden ter weerlegging van een verweer inzake betrouwbaarheid van bewijsmiddelen niet de eis geldt dat met voldoende mate van nauwkeurigheid moet worden vermeld aan welk wettig bewijsmiddel die feiten zijn ontleend) en HR 30 september 2008, LJN BE9808 (middelen die opkomen tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat schending van de redelijke termijn tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden).

102 Bijv. HR 12 juni 2012, LJN BW7954 (profijtontneming), HR 20 december 2011, LJN BQ6758, NJ 2012, 30 en HR 20 september 2011, LJN BQ6723, NJ 2011, 517, m.nt. J. Reijntjes.

103 Bijv. HR 31 mei 2011, LJN BQ0757 en BQ0758 en HR 1 april 2003, LJN AF4128 (niet gepubliceerd; betekening inleidende dagvaarding), HR 3 februari 2009, LJN BG6534 (termijnoverschrijding vóór de bestreden uitspraak) en HR 18 maart 2008, LJN BC3553, NJ 2008, 452, m.nt. J.M. Reijntjes (afwijzing verzoek bij tussenarrest).

104 Bijv. HR 10 januari 2012, LJN BR1143.

105 Bijv. HR 22 mei 2012, LJN BW6174, HR 26 januari 2010, LJN BK5619, HR 30 juni 2009, LJN BH3081 en LJN BH3084, NJ 2009, 351 m. nt. T.M. Schalken (Salduz-klachten).

106 Bijv. HR 28 september 2010, LJN BN8465 en HR 23 januari 2007, LJN AZ3128.

107 Bijv. HR 4 oktober 2011, LJN BQ8627, HR 24 juni 2008, LJN BD4941, NJ 2008, 377.

108 Bijv. HR 16 februari 2010, LJN BK3370, NJ 2010, 121, rov. 2.4. Het missen van feitelijke grondslag kan ook berusten op verkeerde lezing van een arrest; daarin ligt verwantschap met j.

109 Bijv. HR 5 juli 2011, LJN BP6461, HR 29 mei 2007, LJN BA1644, NJ 2008, 395, HR 19 december 2006, LJN AZ2101 (OM-cassatie), HR 6 december 2005, LJN AU5444, HR 4 mei 2004, LJN AO5061, NJ 2004, 480 (OM-cassatie).

110 Bijv. HR 31 mei 2011, LJN BP6429, HR 12 september 2006, LJN AX7458 en HR 10 januari 2006, LJN AU7092.

111 Bijv. HR 4 oktober 2011, LJN BR2216 (bewijsmotivering), HR 5 juli 2011, LJN BP7851 (strafmotivering) en HR 1 september 2009, LJN BI4735 (bewijsmotivering).

112 Bijv. HR 18 april 2006, LJN AU8913 (en LJN AU8914, LJN AU8915), NJ 2006, 395, HR 16 mei 2006, LJN AU8920 en HR 16 mei 2006, LJN AU8917.

113 Bijv. HR 8 december 2009, LJN BK0898, HR 12 februari 2008, LJN BC3509, HR 6 juni 2006, LJN AW2430, NJ 2006, 330, HR 12 april 2005, LJN AS6095 en HR 16 december 2003, LJN AN7635.

114 Bijv. HR 31 januari 2012, LJN BU3992, HR 16 november 2010, LJN BN8211 en HR 1 februari 2011, LJN BO4512.

115 Bijv. HR 12 januari 2010, LJN BK2133 (HR: 81 RO).

116 Bijv. HR 10 januari 2012, LJN BU3459.

117 Bijv. HR 25 mei 2010, LJN BL9126, HR 29 juni 2010, LJN BL1493, NJ 2010, 514, HR 21 april 2009, LJN BH5177, NJ 2009, 213, HR 18 november 2008, LJN BD6359, NJ 2009, 117 en HR 29 mei 2007, LJN BA1644, NJ 2008, 395.

118 Bijv. HR 29 september 2009, LJN BI4736, HR 16 februari 2010, LJN BK3370, NJ 2010, 121 en HR 5 juli 2011, LJN BQ6690, NJ 2011, 466.

119 Bijv. HR 15 mei 2012, LJN BW3677, HR 10 januari 2012, LJN BU3474, HR 27 september 2011, LJN BS1708, NJ 2011, 518 en HR 29 april 2008, LJN BB8977, NJ 2009, 130, m.nt. Y. Buruma.

120 Zie daarover ook W.A.M. van Schendel, De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 28.

121 De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 27. Zie ook W.A.M. van Schendel, De werkwijze van de hoogste rechtscolleges, preadvies voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007, p. 134.

122 Zie bijv. HR 1 november 2011, LJN BT1667, LJN BT1804, LJN BT1805, rov. 2.3, HR 29 juni 2010, LJN BK8530, rov. 3.6, HR 20 januari 2009, LJN BG1645, NJ 2009, 73, rov. 2.5. en HR 16 oktober 2007, LJN BA8508, rov. 3.5.

123 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 18, 19. Zie ook Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 6, p. 16, waarin wordt gesproken van "zonder enig belang".

124 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 19.

125 Ik beperk me hierbij tot de door de Strafkamer van de Hoge Raad gewezen arresten in de periode vanaf 2004 tot heden.

126 In HR 16 mei 2006, LJN AV2354, NJ 2007, 312 en HR 2 oktober 2007, LJN BA5831, NJ 2007, 545; werd reeds gesproken van geen rechtens te respecteren belang bij het (instellen van) beroep in cassatie.

127 HR 10 april 2012, LJN BV8241.

128 HR 3 januari 2012, LJN BU3973 en HR 23 oktober 2007, LJN BA5858, NJ 2008, 70, m.nt. M.J. Borgers.

129 HR 15 november 2011, LJN BQ6709. De zinsnede dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast komt los van een koppeling aan het belang ook voor; o.a. HR 15 april 2003, LJN AF5257, NJ 2003, 364.

130 HR 28 juni 2011, LJN BP2709.

131 HR 22 maart 2011, LJN BP0760.

132 HR 13 januari 2009, LJN BG1656.

133 HR 11 december 2007, LJN BB6220.

134 HR 3 april 2007, LJN AZ6680.

135 HR 9 januari 2007, LJN AZ1703.

136 HR 18 april 2006, LJN AV1156.

137 HR 27 september 2005, LJN AT4094, NJ 2006, 17.

138 HR 30 november 2004, LJN AR1993.

139 HR 29 maart 2005, LJN AS2752.

140 HR 18 december 2007, LJN BB5386, NJ 2008, 398 (OM-cassatie).

141 HR 3 oktober 2006, LJN AX5479, NJ 2006, 549 (in de regel geen belang).

142 HR 5 juli 2005, LJN AT5727, NJ 2005, 366.

143 HR 15 november 2011, LJN BT2107, NJ 2011, 543.

144 HR 18 december 2007, LJN BA7239.

145 HR 24 mei 2011, LJN BP4399.

146 HR 19 januari 2010, LJN BJ3571 en LJN BJ3575.

147 HR 24 april 2007, LJN AZ4724.

148 HR 19 april 2005, LJN AS9409, NJ 2005, 263.

149 HR 27 september 2011, LJN BP0761.

150 HR 27 maart 2012, LJN BT8757, HR 19 juni 2012, LJN BW8723.

151 HR 26 april 2011, LJN BO6349, LJN BO6352, LJN BO6354, LJN BO6357, LJN BO6359, LJN BO6361 (allen niet gepubliceerd).

152 HR 17 februari 2009, LJN BG8968.

153 HR 30 oktober 2007, LJN BA5665, LJN BA5666, LJN BA5667 (onvoldoende belang).

154 HR 23 januari 2007, LJN AZ3560.

155 HR 23 november 2004, LJN AR3270 (niet gepubliceerd).

156 HR 26 mei 2009, LJN BG5979 (cassatieberoep Officier van Justitie).

157 HR 18 januari 2005, LJN AR6597.

158 HR 20 september 2005, LJN AT8049, NJ 2006, 26.

159 HR 1 november 2011, LJN BT1875.

160 HR 25 januari 2011, LJN BN7088.

161 Vgl. HR 10 januari 2012, LJN BT8932 voor een ander geval dan de hierna opgesomde.

162 Zie bijv. HR 5 juni 2012, LJN BW7368, HR 3 januari 2012, LJN BU2901, HR 13 oktober 2009, LJN BJ3695, NJ 2009, 533 en HR 16 september 2008, LJN BD3701.

163 Bijv. HR 20 december 2011, LJN BT6433, NJ 2012, 236, m.nt. P.A.M. Mevis, HR 20 april 2010, LJN BL6696 en HR 22 september 2009, LJN BI1427.

164 HR 1 februari 2011, LJN BO6486 en BO6690, HR 21 december 2010, LJN BO4021, HR 11 mei 2010, LJN BL7662 en HR 20 april 2010, BL4038, HR 8 april 2008, LJN BC6006.

165 Zie bijv. HR 29 mei 2012, LJN BW6662, HR 17 maart 2012, LJN BV9062, HR 14 februari 2012, LJN BU7628, HR 14 juni 2011, LJN BQ3901, HR 1 juni 2010, LJN BM0153 en HR 16 maart 2010, LJN BK6159.

166 Aan schending van de inzendingstermijn pleegt de Hoge Raad niet ambtshalve gevolgen te verbinden.

167 HR 14 februari 2012, LJN BU7625, HR 25 oktober 2011, LJN BR6601 en LJN BT2178.

168 In de memorie van toelichting worden in dit kader als voorbeeld genoemd gevallen van een geringe overschrijding van de redelijke termijn: Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 19.

169 Anders Pesselse, a.w., p. 71, die verdedigt dat een dergelijk cassatieberoep na deugdelijke afweging niet had mogen worden doorgezet en daarom de termijnoverschrijding voor rekening van de indiener van het cassatieberoep komt.

170 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.2 slot.

171 A.w., p. 70.

172 Zie tevens HR 18 januari 2011, LJN BO6147 en HR 18 januari 2011, BO6345 (beiden niet gepubliceerd).

173 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 42.

174 De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 21.

175 Zie de conclusie bij HR 24 februari 2004, LJN AN 9907, NJ 2004, 477, (m.nt. YB onder nr. 476) en jaarverslag Hoge Raad 2003 en 2004, p. 35.

176 Zie over het belang van helder motiveren ook Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 12.

177 In dezelfde geest G. Pesselse, a.w., p. 40, 41.

178 Zo ook J. van Duijvendijk-Brand, NJB 2010, p. 558.

179 Van Schendel, De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 21.

180 W.A.M. van Schendel in De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 20 suggereert dat deze eis zonder meer aan een middel van cassatie moet worden gesteld.

181 G. Pesselse, a.w., p. 66 e.v., oppert dat ook de eis zou kunnen worden gesteld dat het middel een bijdrage kan leveren aan rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Dat gaat inderdaad te ver.

182 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 14.

183 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 33.

184 Zie ook HR 25 mei 2010, LJN BL6741, NJ 2011, 80 (negeren bijsluiter door Hof) en LJN BL7668, NJ 2011, 79 (negeren opgeven bezwaren door gemachtigd raadsman), beide met noot C.P.M. Cleiren.

185 Met het oog op cassatie, DD 2011, 53, p. 774-796.

186 In deze periode wees de strafkamer van de Hoge Raad - peken niet meegerekend - 761 uitspraken, 62 beschikkingen en 29 uitspraken in herzieningszaken. Onder de 761 uitspraken bevonden zich ca. 175 uitspraken gewezen naar aanleiding van beroep in cassatie tegen arresten van Hoven en resulterend in een uitgewerkt arrest. Voor het overige betreffen de 761 uitspraken in hoofdzaak zaken die zijn afgedaan op de voet van art. 81 RO, eventueel aangevuld met een voorziening wegens overschrijding van de redelijke termijn, voorts gevallen van niet-ontvankelijkheid, uitspraken in WOTS- en uitleveringszaken e.d.

Genoemde 175 uitspraken vormen de basis van de steekproef; ca. 80 daarvan betroffen een kunstfout in de in de tekst bedoelde zin.

187 Zie ook de Procureur-Generaal in het jaarverslag van de Hoge Raad over het jaar 2011, die rept van geluiden over een al maar oplopende en inmiddels onverantwoorde werkdruk.

188 Procureur-Generaal Fokkens maakt melding van ervaringen van Finse en Deense rechters met een selectiestelsel, hierin bestaande dat een dergelijk stelsel alleen goed kan werken als de kwaliteit van de feitelijke instanties goed is (J.W. Fokkens in De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 17).

189 Zie voor commentaar op dit arrest De appelrechter en het voorgestelde art. 80a Wet RO: een grensverleggend arrest?, in De rechter in het geding. Liber amicorum J.P. Balkema, onder redactie van F.W. Bleichrodt e.a., Deventer: Kluwer 2011, p. 69-84, alsmede de noot van P.A.M. Mevis bij dit arrest (NJ 2011, 294).

190 Rov. 2.6.

191 Rapport commissie kernwaarden appelrechtspraak, p. 5 onder 3.2.

192 Een dergelijke compensatie van het verzuim van hoor en wederhoor door de behandeling in hoger beroep wordt voor het civiele proces bepleit in F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling-Van Gent, Procesrecht Hoger beroep, (deel 4 in de Asser-serie Procesrecht), Kluwer: Deventer 2009, p. 128.

193 Zie voor kritiek op de gedachte dat de appelrechter wel over fouten van de eerste rechter heen kan stappen P.G. Wiewel in Stroomlijning van het hoger beroep in strafzaken, (P.G. Wiewel en R.E. de Winter red.), Prinsengrachtreeks 2007/1, p. 122.

194 Conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg bij HR 25 januari 2005, LJN AR7190, NJ 2006, 411 onder 37.

195 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 12.

196 Een voorbeeld daarvan vormt mijns inziens HR 7 februari 2012, LJN BU6904.

197 De appelrechter en het voorgestelde art. 80a Wet RO: een grensverleggend arrest?, in De rechter in het geding. Liber amicorum J.P. Balkema, onder redactie van F.W. Bleichrodt e.a., Deventer: Kluwer 2011, p. 76 e.v.

198 Kamerstukken II, 2010-2011, 32 576, nr. 3, p. 14.

199 Ik wijs op de opsomming van mijn voormalig ambtgenoot Jörg in zijn conclusie bij HR 25 januari 2005, LJN AR7190, NJ 2006, 411 onder nr. 21.

200 HR 29 maart 2011, LJN BP2745, NJ 2011, 410, m.nt. M.J. Borgers, HR 29 maart 2011, LJN BO6702, NJ 2011, 411, m.nt. M.J. Borgers, HR 3 december 2002, LJN AE8838, NJ 2003,570. Het Uniform reglement gerechtshoven voor rekestprocedures vormt wel recht in de zin van art. 79 RO: HR 23 april 2004, NJ 2004, 350, rov. 3.16. Zie verder A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2009, zesde druk, p. 149.

201 Opgenomen in Versterking van de cassatierechtspraak door de Hoge Raad (N.J.H. Huls red.), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, p. 51 e.v.

202 Hier is bedoeld: Rapport Versterking van de cassatierechtspraak.

203 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 10.

204 P. 12.

205 P. 42.

206 In De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 79, 81.

207 HR 24 mei 2005, LJN AT2980, NJ 2006, 433, m.nt. P.A.M. Mevis.

208 DD 2012/34, p. 367.

209 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 33.

210 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 33.

211 A.A. Franken wijst in dit verband op de plicht tot motivering als vervat in art. 121 Grondwet (De Hoge Raad in 2025, Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, onder redactie van A.M. Hol e.a., Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2011, p. 104).

212 Keulen heeft onlangs nog voorstellen in de richting van de versterking van het contradictoire karakter van het strafproces gedaan: B.F. Keulen, Naar een appèl met appeal. Over bezwaar en (hoger) beroep in strafzaken,Themis 2012, p. 3-14.

213 In die zin A.A. Franken, DD 2012/34, p. 366, 367, die daarbij wijst op de zijns inziens ongunstige invloed die de rechtspraak van de Hoge Raad heeft op de houding van de feitenrechter.

214 Vgl. G. Spong, Strafblad, september 2011, p. 57, 58. Zie ook A.A. Franken, DD 2012/34, p. 367.

215 Rapport Versterking van de cassatierechtspraak, p. 12.