Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9987

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
12/01318 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9987
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolgingsuitlevering naar de VS. De Rechtbank heeft, in aanmerking genomen dat in casu bij het bepalen van de duur van de in art. 70 Sr bedoelde verjaringstermijn moet worden uitgegaan van de zwaarste straf die op de gedragingen is gesteld (vgl. HR LJN AF6597), met juistheid geoordeeld dat de verjaringstermijn 12 jaren beloopt, die is aangevangen op de dag na die waarop de feiten zijn begaan. Uit de memorie van toelichting bij art. 72 Sr volgt dat sinds de wetswijziging op 1 januari 2006 de in art. 72 Sr bedoelde daad van vervolging niet meer eerst aan de verdachte behoeft te worden betekend of hem anderszins bekend moet zijn, voordat deze stuitende werking heeft. Voorts werkt de stuiting blijkens art. 72.1 Sr ook t.a.v. anderen dan de vervolgde. Daardoor heeft de stuiting ook effect jegens andere deelnemers aan het strafbare feit, ook al zijn zij ten tijde van de stuiting nog niet bekend. Gelet hierop geeft het oordeel van de Rechtbank dat de "criminal indictment" van 25 maart 2009 in het onderhavige geval moet worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van art. 72.1 Sr, dat deze "criminal indictment" de verjaring heeft gestuit en een nieuwe verjaringstermijn van twaalf jaren heeft doen ingaan en dat derhalve slechts wat betreft de feiten die vóór 25 maart 1997 zouden zijn begaan, het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan in het middel wordt betoogd, doet hieraan niet af dat in die "criminal indictment" de opgeëiste persoon nog niet als verdachte is aangemerkt, aangezien ook een eerdere daad van vervolging die tegen een ander dan de opgeëiste persoon was gericht, de verjaring van het recht tot strafvordering jegens de opgeëiste persoon stuit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/984
NJ 2012/454
NBSTRAF 2012/304 met annotatie van mr. A. Verbruggen
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/01318 U

Mr. Aben

Zitting: 12 juni 2012

Conclusie inzake:

[De opgeëiste persoon]

1. De rechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 24 februari 2012 de gevraagde uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten voor zover deze zijn begaan na 25 maart 1997 en de gevraagde uitlevering niet toelaatbaar verklaard ter zake van de feiten 1, 10 en 14 voor zover deze zijn begaan vóór 25 maart 1997.(1)

2. Namens de opgeëiste persoon heeft een ambtenaar van de griffie van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld(2) en heeft mr. M.J. van Essen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, het verweer dat de uitlevering voor de feiten 1, 2, 10 en 14 ontoelaatbaar moet worden verklaard aangezien de "criminal indictment" van 25 maart 2009 geen vervolgingshandeling tegen de opgeëiste persoon is zodat de verjaring daardoor niet kon worden gestuit, heeft verworpen.

4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De "criminal indictment" van 25 maart 2009 houdt in dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] er - kort gezegd - van worden verdacht dat zij van september 2001 tot en met maart 2009 hebben samengespannen bij het verkopen van ongeregistreerde effecten ("count one"), dat zij van september 2001 tot en met maart 2009 betrokken zijn geweest bij manipulerende en bedrieglijke kunstgrepen in relatie tot de verkoop van aandelen ("count two"), dat zij van 30 juli 2002 tot en met oktober 2005 hebben samengespannen met het doel om fraude met effecten te plegen ("count three"), dat zij van 30 juli 2002 tot en met oktober 2005 betrokken zijn geweest bij frauduleuze effectentransacties ("count four"), dat zij van november 2002 tot en met maart 2009 hebben samengespannen bij het witwassen van geld ("count five"), dat zij op 14 februari 2005 betrokken zijn geweest bij belastingontduiking ("count six"), dat zij hebben samengespannen om fraude met effecten te plegen ("forfeiture allegation one"), dat zij betrokken zijn geweest bij het plegen van fraude met effecten ("forfeiture allegation two") en dat zij hebben samengespannen bij het witwassen van geld ("forfeiture allegation three", "forfeiture allegation four" en "forfeiture allegation five").

(ii) De "superseding indictment" van 27 mei 2009 vermeldt dat [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] er - kort gezegd - van worden verdachte dat zij vanaf september 2001 tot en met maart 2009 hebben samengespannen om niet geregistreerde effecten te verkopen, valse verklaringen af te leggen, te stoppen met het indienen van periodieke rapporten en fraude met effecten te plegen ("count one"), dat zij vanaf september 2001 tot en met maart 2009 betrokken zijn geweest bij fraude met effecten ("count two"), dat zij vanaf 30 juli 2002 tot en met oktober 2005 hebben samengespannen om fraude met effecten te plegen ("count three"), dat zij vanaf 30 juli 2002 tot en met oktober 2005 betrokken zijn geweest bij fraude met effecten ("count four"), dat zij vanaf november 2002 tot en met maart 2009 hebben samengespannen om geld wit te wassen ("count five"), dat zij op 14 februari 2005 betrokken zijn geweest bij belastingontduiking ("count six"), dat zij hebben samengespannen om fraude met effecten te plegen ("forfeiture allegation one"), dat zij betrokken zijn geweest bij het plegen van fraude met effecten ("forfeiture allegation two") en dat zij hebben samengespannen bij het witwassen van geld ("forfeiture allegation three", "forfeiture allegation four" en "forfeiture allegation five").

(iii) De "second superseding indictment" van 24 maart 2010 houdt in dat de opgeëiste persoon, [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 3], [betrokkene 9], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] er - kort gezegd - van worden verdacht dat ze hebben samengespannen en samengewerkt om op frauduleuze wijze niet geregistreerde effecten uit te geven, aan te bieden en te verkopen door als onderdeel van een onderneming frauduleus honderden miljarden niet geregistreerde aandelen van meerdere lege bedrijven uit te geven, in het openbaar aan te bieden en te verkopen ("general allegations"), dat zij van mei 1997 tot en met maart 2010 hebben samengespannen om een onderneming te leiden of daaraan deel te nemen die een patroon van gangsterpraktijken vertoonde ("count one"), dat zij vanaf 1997 tot en met oktober 2008 hebben samengespannen om niet-geregistreerde effecten te verkopen, valse verklaringen af te leggen, het indienen van periodieke rapporten te vermijden en effectenhandel met voorkennis uit te voeren ("count two"), dat zij vanaf 30 juli 2002 tot en met oktober 2005 hebben samengespannen met het doel om fraude met effecten te plegen ("count three"), dat zij vanaf september 2001 tot en met oktober 2005 betrokken zijn geweest bij frauduleuze effectentransacties tussen staten ("count four"), dat zij vanaf september 2001 tot en met oktober 2005 betrokken zijn geweest bij fraude met effecten en handel met voorkennis ("count five"), dat zij vanaf 30 juli 2002 tot en met oktober 2005 betrokken zijn geweest bij effectenfraude ("count six"), dat zij vanaf juli 2004 tot en met oktober 2005 betrokken zijn geweest bij frauduleuze effectentransacties tussen staten ("count seven"), dat zij vanaf juli 2004 tot en met oktober 2005 betrokken zijn geweest bij effectenfraude en handel met voorkennis ("count eight"), dat zij vanaf 30 juli 2002 tot en met oktober 2005 betrokken zijn geweest bij effectenfraude ("count nine"), dat zij vanaf juli 1997 tot en met 2007 betrokken zijn geweest bij frauduleuze effectentransacties tussen staten ("count ten"), dat zij vanaf 1997 tot en met 2007 betrokken zijn geweest bij effectenfraude en handel met voorkennis ("count eleven"), dat zij vanaf juli 2001 tot en met oktober 2008 betrokken zijn geweest bij frauduleuze effectentransacties tussen staten ("count twelve"), dat zij vanaf 2001 tot en met oktober 2008 betrokken zijn geweest bij effectenfraude en handel met voorkennis ("count thirteen"), dat zij vanaf 1997 tot en met maart 2010 hebben samengespannen met het doel geld wit te wassen ("count fourteen"), dat zij op 14 februari 2005 betrokken zijn geweest bij belastingontduiking ("count fifteen"), dat zij hebben samengespannen om een onderneming die betrokken is bij misdadige activiteiten te leiden of daaraan deel te nemen ("forfeiture allegation one"), dat zij hebben samengespannen om niet geregistreerde effecten te verkopen, valse verklaringen af te leggen, te verzuimen periodieke rapporten in te dienen en effectenhandel en handel met voorkennis te begaan ("forfeiture allegation two"), dat zij hebben samengespannen om effectenfraude te plegen ("forfeiture allegation three"), dat zij betrokken zijn geweest bij frauduleuze effectentransacties tussen staten en effectenfraude ("forfeiture allegation four", "forfeiture allegation six", "forfeiture allegation eight" en "forfeiture allegation nine"), dat zij betrokken zijn geweest bij effectenfraude ("forfeiture allegation five"), dat zij betrokken zijn geweest bij effectenfraude ("forfeiture allegation seven") en dat zij hebben samengespannen met het doel om geld wit te wassen ("forfeiture allegation ten", "forfeiture allegation eleven" en "forfeiture allegation twelve").

(iv) Op 24 maart 2010 heeft de Amerikaanse federale districtsrechtbank in Nevada door middel van een "arrest warrant" de arrestatie bevolen van de opgeëiste persoon.

(v) Op 7 april 2010 heeft het Amerikaanse Ministerie van justitie aan het Nederlandse Ministerie van justitie de voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon verzocht met het oog op zijn aanhouding.(3)

(vi) Het proces-verbaal van voorlopige aanhouding in verband met uitlevering van politie van 11 september 2010, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], vermeldt dat de opgeëiste persoon op die datum in een woning op het adres [a-straat 1] in Amsterdam is aangehouden ter fine van uitlevering ten behoeve van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika ter zake van fraude, oplichting en witwassen van gelden.

(vii) Op 12 september 2010 heeft de hulpofficier van justitie op grond van artikel 14, derde lid, Uitleveringswet bevolen dat de opgeëiste persoon in verzekering zal worden gesteld, omdat door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika een verzoek is gedaan tot voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon ter fine van uitlevering.

(viii) Op 14 september 2010 heeft de officier van justitie op grond van art. 15 Uitleveringswet gevorderd dat de rechter-commissaris de bewaring van de opgeëiste persoon zal bevelen, omdat door de Amerikaanse autoriteiten de voorlopige aanhouding ter fine van uitlevering is verzocht. Op diezelfde datum heeft de rechter-commissaris de bewaring van de opgeëiste persoon bevolen voor de duur van zestig dagen.

(ix) Op 1 november 2010 heeft het Amerikaanse Ministerie van justitie de uitlevering verzocht van de opgeëiste persoon. Dit uitleveringsverzoek is op 8 november 2010 door de Amerikaanse ambassade in Nederland aangeboden aan het Nederlandse Ministerie van buitenlandse zaken, waarbij ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht wordt verwezen naar de "second superseding indictment" van 24 maart 2010.(4)

(x) Op 12 november 2010 heeft de officier van justitie op grond van art. 22 Uitleveringswet bevolen dat de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon wordt voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding heeft beslist.

(xi) De officier van justitie heeft op 17 november 2010 op grond van art. 23 Uitleveringswet gevorderd dat de rechtbank het verzoek tot uitlevering in behandeling zal nemen en over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon zal beslissen.

(xii) Het verzoek tot uitlevering is op de zittingen van de rechtbank van 22 februari 2011, 22 november 2011 en 10 februari 2012 in aanwezigheid van de opgeëiste persoon(5) en diens raadsvrouw behandeld, waarna de rechtbank op 24 februari 2012 uitspraak heeft gedaan.

5. Zoals blijkt uit de op de zitting van de rechtbank van 10 februari 2012 overgelegde pleitaantekeningen heeft de raadsvrouwe van de opgeëiste persoon bepleit dat het verzoek tot uitlevering dient te worden geweigerd, nu een fors deel van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht volgens Nederlands recht is verjaard. De raadsvrouwe heeft daartoe het volgende aangevoerd. De "indictment" van 27 mei 2009(6) heeft niet geleid tot stuiting van de verjaring, nu de opgeëiste persoon niet bekend was met deze "indictment", de "indictment" niet aan hem is betekend, de opgeëiste persoon niet in deze "indictment" voorkwam als gedaagde, de opgeëiste persoon ten tijde van die "indictment" zelfs nog geen verdachte was en de personen genoemd in de "indictment" op dat moment dus nog niet als medeverdachten konden worden beschouwd, en de "indictment" bovendien slechts zag op een bedrijf waarmee de opgeëiste persoon volgens die tweede "indictment" ogenschijnlijk niets te maken heeft. Wanneer de rechtbank van oordeel is dat door de "indictment" van 27 mei 2009 wel een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen, valt een deel van de feiten nog steeds buiten de nieuwe verjaringstermijn ex art. 72, tweede lid, Sr. Ervan uitgaande dat er geen stuiting heeft plaatsgevonden zijn de feiten 1 en 14 verjaard voor zover deze zijn gepleegd vóór 24 maart 1998 en zijn de overige feiten verjaard voor zover deze zijn gepleegd vóór 24 maart 2004.(7)

6. De rechtbank heeft in reactie op dit verweer onder het hoofd "weigeringsgrond in verband met verjaring" geoordeeld dat de verjaring is gestuit door de "crminal indictment" van 25 maart 2009, dat deze handeling een nieuwe verjaringstermijn van twaalf jaren heeft doen ingaan en dat derhalve (enkel) het recht tot strafvordering van de feiten die zich vóór 25 maart 1997 hebben voorgedaan is verjaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. Uit het uitleveringsverzoek en de daarbij gevoegde stukken is gebleken dat enkele van de aan de opgeëiste persoon verweten gedragingen plaats zouden hebben gehad vanaf 1997. De omstandigheid dat de verdenking van de feiten niet specifiek aan de opgeëiste persoon kenbaar was gemaakt doet aan het stuiten van de verjaring niet af, nu art. 72, eerste lid, Sr niet de eis stelt dat de opgeëiste persoon bekend is met de daad van vervolging. Voorts betekent de omstandigheid dat de opgeëiste persoon niet in de "criminal indictment" wordt vermeld niet dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden met die "criminal indictment". De kern van de verdenking van de strafbare gedragingen in de "criminal indictment" is in de "second superseding indictment" immers in stand gebleven, met dien verstande dat in de "second superseding indictment" het aantal verdachten is uitgebreid - onder meer met de opgeëiste persoon - en daarnaast ook meer feiten zijn toegevoegd.

7. Art. 6 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika(8):

"Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer volgens het recht van de aangezochte Staat het recht tot vervolging of tenuitvoerlegging van straf ter zake van het feit waarvoor uitlevering werd verlangd, is vervallen door verjaring."

8. Art. 9, eerste lid, Uitleveringswet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt niet toegestaan voor een feit terzake waarvan:

(...)

e. naar Nederlands recht wegens verjaring geen vervolging (...) meer kan plaatshebben."

9. Bij de beoordeling van de vraag of de feiten naar het recht van de aangezochte staat (Nederland) zijn verjaard, moet het procedé van de zogenaamde "sinngemäße Umstellung" worden toegepast. Dit betekent dat de uitleveringsrechter zich bij wijze van gedachte-experiment moet afvragen of de handelingen van de verzoekende staat (de Verenigde Staten van Amerika), indien deze zouden zijn verricht door de Nederlandse autoriteiten, naar Nederlands recht stuiting van de verjaring zouden hebben opgeleverd.(9) Wat betreft de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering moet de verjaring van het recht tot strafvordering naar Nederlands recht worden beoordeeld naar de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek. Dit geldt ook indien het recht tot strafvordering op grond van de wet die gold ten tijde van het begaan van het feit, door verjaring was vervallen.(10)

10. Voorts brengt een redelijke uitleg van art. 6 van het toepasselijke uitleveringsverdrag mee dat in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een verzoek tot uitlevering ter vervolging ter zake van een complex van samenhangende gedragingen, bij het bepalen van de duur van de in art. 70 Sr bedoelde verjaringstermijn moet worden nagegaan op welke van de gedragingen de zwaarste straf is gesteld, en dat vervolgens van die straf moet worden uitgegaan.(11)

11. Bij de bestreden uitspraak is de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter zake van de in die uitspraak aangeduide gedragingen, die volgens de hiervoor onder 4 sub iii weergegeven "second superseding indictment" van 24 maart 2010 in de periode van 1997 tot en met maart 2010(12) zouden zijn begaan en die naar het oordeel van de rechtbank naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld bij art. 47 Sr, art. 140 Sr, art. 225 Sr, art. 326 Sr, art. 420bis Sr, art. 5:56 Wet op het financieel toezicht en art. 5:58 Wet op het financieel toezicht.

12. Uitgaande van het wetsartikel waarop de zwaarste straf is gesteld en in aanmerking genomen dat uit het uitleveringsverzoek en de daarbij gevoegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon dient te worden aangemerkt als leider van de criminele organisatie(13), zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd meer in het bijzonder strafbaar gesteld bij art. 140, derde lid, Sr. Aldus worden deze feiten aangemerkt als een misdrijf, waarop een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren is gesteld. Gelet hierop bedraagt de verjaringstermijn voor de onderhavige feiten ingevolge art. 70, eerste lid onder 3°, Sr twaalf jaren, terwijl deze termijn op grond van art. 71 Sr aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd.

13. Art. 72 Sr luidt ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek als volgt:

"1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.

2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn."

14. Een daad van vervolging in de zin van art. 72, eerste lid, Sr die de verjaring stuit, betreft een daad van of namens een justitiële autoriteit die erop gericht is tot een voor tenuitvoerlegging vatbare strafrechtelijke uitspraak te geraken.(14) Onder dit begrip vallen onder meer de vordering van het openbaar ministerie tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, de vordering van het openbaar ministerie tot inbewaringstelling, het uitbrengen van de dagvaarding ter terechtzitting door het openbaar ministerie, de betekening van de verstekmededeling, het aanhouden van de verdachte ter executie van een rechterlijke uitspraak, de behandeling van de zaak op de terechtzitting en het veroordelend vonnis of arrest.(15) Meer specifiek voor uitleveringszaken geldt dat ook het bevel tot aanhouding krachtens art. 21, eerste lid, Uitleveringswet kan worden aangemerkt als een daad van vervolging zoals bedoeld in art. 72, eerste lid, Sr.(16)

15. Sinds de wetswijziging van 1 januari 2006(17) betreffende art. 72 Sr(18) behoeft de daad van vervolging niet meer eerst aan de verdachte te worden betekend of hem anderszins bekend te zijn, voordat deze stuitende werking heeft. Bovendien werkt de stuiting blijkens art. 72, eerste lid (nieuw), Sr ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde. Daardoor heeft de stuiting ook effect jegens medeplegers en medeplichtigen, ook al zijn die op het moment van de stuiting nog niet bekend. De stuitingsdaad heeft met andere woorden "zakelijke werking", nu ook een eerdere daad van vervolging die tegen een ander dan de vervolgde was gericht de vervolging kan stuiten. Derhalve sorteert elke vervolgingsdaad - al dan niet gericht tegen een bekende verdachte - effect tegen alle bij het delict betrokken (toekomstige) verdachten.(19)

16. De onderhavige feiten zouden - zoals hiervoor onder 11 is uiteengezet - in de periode van 1997 tot en met maart 2010 zijn begaan. Blijkens de hiervoor onder 4 sub i weergegeven aanklacht ("criminal indictment") van 25 maart 2009 zijn twee medeverdachten van de opgeëiste persoon op die datum door de Amerikaanse "grand jury" in staat van beschuldiging gesteld. In de hiervoor onder 4 sub ii weergegeven vervangende aanklacht ("superseding indictment") van 27 mei 2009 is de omschrijving van de in de eerste aanklacht opgenomen feiten enigszins aangepast en is het aantal verdachten uitgebreid. Vervolgens zijn in de hiervoor onder 4 sub iii weergegeven tweede vervangende aanklacht ("second superseding indictment") van 24 maart 2010 het aantal feiten en het aantal verdachten uitgebreid, terwijl daarin ook de opgeëiste persoon als één van de verdachten wordt aangemerkt. De eerste aanklacht van 25 maart 2009 kan worden beschouwd als een daad van of namens een Amerikaanse justitiële autoriteit die erop gericht is tot een voor tenuitvoerlegging vatbare strafrechtelijke uitspraak te geraken. Aldus is de verjaring op die datum gestuit. Tussen de pleegperiode van 25 maart 1997 tot en met maart 2010 en de eerstvolgende daad van vervolging, te weten het uitbrengen van de aanklacht op 25 maart 2009, ligt een termijn die korter is dan twaalf jaren jaren. Ook de daarop volgende daden van vervolging - respectievelijk de "superseding indictment" van 27 mei 2009, de "second superseding indictment" van 24 maart 2010, de "arrest warrant" van 24 maart 2010, het verzoek om de voorlopige aanhouding van 7 april 2010, de voorlopige aanhouding op 11 september 2010, het bevel tot inverzekeringstelling van 12 september 2010, het bevel tot inbewaringstelling van 14 september 2010, het uitleveringsverzoek van 1 november 2010, het bevel tot vrijheidsbeneming van 12 november 2010, de vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek van 17 november 2010 en de op tegenspraak gewezen uitspraak van de rechtbank 24 februari 2012 - volgen elkaar ruimschoots binnen de twaalf jaren op.

17. Gelet hierop en in het licht van hetgeen hiervoor onder 9 tot en met 15 is uiteengezet geeft het oordeel van de rechtbank dat de verjaring is gestuit door de "crminal indictment" van 25 maart 2009, dat deze handeling een nieuwe verjaringstermijn van twaalf jaren heeft doen ingaan en dat derhalve (enkel) het recht tot strafvordering van de feiten die zich vóór 25 maart 1997 hebben voorgedaan is verjaard, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk.(20) Anders dan de steller van het middel aanvoert, doet hieraan niet af dat in de "criminal indictment" van 24 maart 2009 de opgeëiste persoon nog niet als verdachte werd aangemerkt, nu - zoals hiervoor onder 15 is vooropgesteld - ook een eerdere daad van vervolging die tegen een ander dan de opgeëiste persoon was gericht de vervolging jegens de opgeëiste persoon kan stuiten. Indien deze aanklacht (dagvaarding) zou zijn uitgebracht door het Nederlandse openbaar ministerie, zou deze naar Nederlands recht stuiting van de verjaring hebben opgeleverd. De rechtbank heeft het in het middel bedoelde verweer terecht en voldoende gemotiveerd verworpen.

18. Het middel faalt.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 In het dictum van de uitspraak wordt voor de weergave van de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard verwezen naar het tussen haken geplaatste deel van de aan de uitspraak gehechte bijlagen (een "affidavit" van [A] en een "affidavit" van [B]). Deze feiten betreffen - kort gezegd - deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, medeplegen van oplichting, medeplegen van valsheid in geschrift, medeplegen van witwassen, medeplegen van handelen met voorkennis en medeplegen van marktmanipulatie.

2 Mr. M.J. van Essen, advocaat te Amsterdam, heeft bij faxbericht van 2 maart 2012 (welk faxbericht blijkens een daarop geplaatste stempel op die datum is ingekomen op de strafgriffie van de rechtbank te Amsterdam), waarin hij heeft verklaard dat hij door de opgeëiste persoon bepaaldelijk is gevolmachtigd om voor hem cassatieberoep in te stellen, een schriftelijke volmacht verleend aan een medewerker van de strafgriffie van de rechtbank om namens de opgeëiste persoon beroep in cassatie in te stellen. Vervolgens heeft [betrokkene 10], ambtenaar van de griffie van de rechtbank, op 2 maart 2012 op de griffie van de rechtbank namens de opgeëiste persoon cassatieberoep ingesteld.

3 Blijkens een daarop geplaatste stempel is dit verzoek op 8 april 2010 kennelijk bij het Nederlandse Ministerie van justitie (de plaats van binnenkomst is onleesbaar) ingekomen.

4 Blijkens een daarop gesplaatste stempel is het uitleveringsverzoek op 9 november 2010 ingekomen bij het Nederlandse Ministerie van justitie.

5 De opgeëiste persoon is op de zitting van 22 november 2011 niet verschenen, als gevolg waarvan het onderzoek voor onbepaalde tijd wordt geschorst.

6 In het verweer wordt gedoeld op de hiervoor onder 4 sub ii weergegeven "superseding indictment" van 27 mei 2009.

7 Pleitaantekeningen van 10 februari 2012, p, 2-5.

8 Verdrag van 24 juni 1980, Trb 1980, 111. Dit verdrag is herzien door het verdrag van 29 september 2004, Trb. 2004, 299 (inwerkingtreding 1 februari 2010; bron inwerkingtreding 12 januari 2010, Trb. 2010, 7).

9 Vgl. A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, p. 200-204.

10 Vgl. HR 11 november 2008, LJN BC9546, rov. 3.5.3, HR 23 januari 2001, LJN AA9606, rov. 4.4 en HR 1 juli 1977, NJ 1977/601, m.nt. Th.W.v.V.

11 Vgl. HR 10 juni 2003, LJN AF6597, NJ 2003/610, rov. 4.2.

12 Hierbij zij aangetekend dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het recht tot strafvordering van de feiten die zich vóór 25 maart 1997 hebben voorgedaan, is verjaard.

13 Ook de rechtbank heeft onder het hoofd "verweer inzake de genoegzaamheid van de stukken" vastgesteld dat uit de stukken volgt dat de opgeëiste persoon als leider van een onderneming betrokken is geweest bij het plegen van fraude.

14 Vgl. HR 13 juli 2010, LJN BN1014, NJ 2010/464, rov. 5.2, HR 19 november 1991, NJ 1992/265, m.nt. ThWvV, rov. 4.3 en G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2011, p. 202-203.

15 Zie voor een opsomming van voorbeelden van daden van vervolging: de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel leidend tot de wet van 16 november 2005 (Kamerstukken II 2004-2005, 28 495, nr. 9, p. 10; Stb. 2005, 595).

16 Vgl. HR 31 augustus 1982, NJ 1983/247, rov. 6 en Swart, a.w., p. 202-203.

17 Besluit van 7 december 2005 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 16 november 2005, Stb. 2005, 596.

18 Wet van 16 november 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het vervallen van de verjaringstermijn voor de vervolging van moord en enkele andere misdrijven alsmede enige aanpassingen van de regeling van de verjaring en de stuiting van de verjaring en de regeling van de strafverjaringstermijn (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten), Stb. 2005, 595.

19 Vgl. de gewijzigde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel leidend tot de wet van 16 november 2005 (Kamerstukken II 2003-2004, 28 495, nr. 7, p. 12-13) en Corstens, a.w., p. 203.

20 Vgl. HR 5 september 2000, LJN AA6992, rov. 5.