Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9985

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
11/04128
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2011:BR3370
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9985
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ongegronde bewijsklacht (voorwaardelijk opzet zwaar lichamelijk letsel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1031
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/04128

Mr. Hofstee

Zitting: 15 mei 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 27 juli 2011 door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens 1 primair "poging tot doodslag", 2 "poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd" en "mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd", 3 primair "poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd" en 4 primair "verkrachting, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof de terbeschikkingstelling van verzoeker gelast met bevel dat verzoeker van overheidswege zal worden verpleegd.

2. Namens verzoeker heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ten laste van verzoeker is, voor zover voor de beoordeling van het eerste en het tweede middel van belang, door het Hof bewezen verklaard dat:

"feit 1 primair:

hij op 20 juli 2009, te Heerenveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet [slachtoffer] bij haar schouders en haar hoofd heeft vastgepakt en [slachtoffer] op de grond heeft gegooid en vervolgens meermalen op de buik van [slachtoffer] is gesprongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2:

hij in de periode van 28 juli 1997 tot en met 19 juli 2009, te Heerenveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenote, te weten [slachtoffer], meermalen, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, telkens met dat opzet, voornoemde [slachtoffer]

-met kracht op de grond heeft gegooid waarbij verdachte vervolgens op de buik is gesprongen, terwijl de uitvoering van dat misdrijf telkens niet is voltooid.

en

hij in de periode van 28 juli 2003 tot en met 19 juli 2009, te Heerenveen, meermalen, opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, te weten [slachtoffer],

- met kracht en met gebruikmaking van verschillende voorwerpen, waaronder een riem en een metalen buis en een plastic tennisracket, op haar lichaam heeft geslagen en gestompt

en/of

- met kracht in haar gezicht en elders op haar lichaam heeft geslagen en gestompt en/of

- met kracht tegen haar bovenlichaam heeft getrapt en geschopt."

4. Deze bewezenverklaringen berusten blijkens de aanvulling op het arrest op de navolgende bewijsmiddelen:

"Feit 1 primair en 2:

Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen onder 1 primair en 2 bewezen is verklaard de navolgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 3 augustus 2009 in wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (p. 74. e.v. van het dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [slachtoffer]:

Vorige week maandag, 20 juli 2009, ben ik door mijn man zo erg mishandeld dat ik daardoor ernstig gewond ben geraakt. Mijn man sloeg en stompte mij regelmatig op alle plaatsen waar hij me raken kon. Mijn man heet [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Aanstaande 7 augustus zijn we 30 jaar getrouwd. Hij slaat en stompt altijd op mijn rug en hoofd. Soms slaat hij me met de hand, soms met de vuist.

Die maandagmiddag was het in de gang begonnen. Hij sloeg me eerst met de hand en toen met zijn vuist. Daarna gingen we naar de keuken. Daar gooide hij mij op de grond. Hij pakte mij dan altijd van voren bij mijn hoofd en/of schouders en dan val ik achterover. Ik viel toen op mijn rug. Hij heeft me eerst een of twee keren geschopt tegen mijn lichaam en daarna is hij twee of drie keren op mijn buik gesprongen. Hij moest steunen op het aanrecht. Met beide voeten sprong hij op mijn buik. Hij kwam vol op mijn buik terecht. Ik voelde daardoor heel veel pijn.

Het oude letsel is op dezelfde manier gebeurd. Dat is een paar maanden geleden gebeurd. Ik heb ook wel eens een vuistslag gehad. Ik heb mijn kin daardoor aan de rechterkant helemaal kapot gehad. [Verdachte] heeft mij veel vaker mishandeld. Eigenlijk begon dat na onze kennismaking direct, twee jaren voor ons huwelijk ongeveer. U vraagt me wat voor soorten letsel hij me allemaal bezorgd heeft in de loop der jaren. Blauwe plekken, blauwe ogen, dikke benen van het trappen, mijn hoofd, gebroken ribben. Die eerdere gebroken rib kan alleen van hem gekomen zijn. Het kan ook wel tien jaar geleden zijn. Als hij erg was/is dan springt hij altijd op mijn buik.

2. Een proces-verbaal van verhoor, d.d. 23 september 2009 in wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] (p. 82 e.v. van het dossier), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [slachtoffer]:

U zegt me dat u in onze woning een aantal voorwerpen heeft aangetroffen die u gefotografeerd hebt ten behoeve van uw onderzoek. Dat gaat om een metalen buis en een plastic tennisracket. Mijn man heeft mij daarmee veelvuldig en langdurig mishandeld. Slaan met de riem deed hij bijna dagelijks. De laatste 5 of 6 jaren was dat een gewoonte geworden. Hij had de riem eigenlijk altijd gewoon in de hand bij de gesp en sloeg me met het overige deel met al zijn kracht op mijn rug (of armen als hij de rug miste) en op mijn billen. Zijn agressieve gedrag werd steeds erger. De riem werd vervangen door die buis. Met die buis sloeg hij daarna ook altijd met kracht op mijn rug en de handen. Zijn mishandelingen deden erg zeer.

3. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 13 juli 2011, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Ik heb [slachtoffer] op 20 juli 2009 in de keuken van onze woning in Heerenveen geschopt. [Slachtoffer] is op de grond terecht gekomen. Het klopt dat ik me tijdens het gebeuren op 20 juli 2009 aan het aanrecht heb vastgehouden. Ik heb wel het idee dat ik het letsel dat op 20 juli 2009 is ontstaan, veroorzaakt heb.

Het klopt dat ik [slachtoffer] jarenlang op allerlei manieren heb mishandeld.

4. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 20 april 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

U houdt mij voor dat mijn vrouw heeft verklaard dat ze op 20 juli 2009 door mij is mishandeld en dat ze op de intensive care van het ziekenhuis heeft gelegen. Ik heb tweemaal in haar buikstreek geschopt. Het is me bekend dat je wel vitale organen kunt raken.

Ik heb mijn vrouw mishandeld. De mishandelingen hebben jaren geduurd. De mishandelingen hebben plaatsgevonden in de woning te Heerenveen, aan [de a-straat].

U houdt me voor dat mijn vrouw spreekt over blauwe ogen, blauwe plekken en gebroken ribben. Dat is wel gebeurd de afgelopen 10 jaar. Ik heb haar wel geslagen met een kofferriem, omdat deze voorhanden was. Het aluminium buisje lag ook voorhanden. Ik sloeg op haar armen, rug, handen en billen. Ik wist dat het pijn deed. Ik sloeg ongeveer één keer per veertien dagen.

5. Een proces-verbaal van verhoor, d.d. 1 augustus 2009 in wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] (p. 66 e.v. van het dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [betrokkene 1]:

Ik woonde op het adres [a-straat 1] in Heerenveen met mijn vader, moeder en mijn broer [betrokkene 2]. Ik heb gezien hoe vader mijn moeder in haar gezicht sloeg, haar overal op het lichaam schopte en sloeg. Hij ramde er dan gewoon hard op los. De mishandelingen zijn er altijd geweest. Meerdere keren per week. U vraagt me welk letsel ik het laatste half jaar gezien heb. Moeder had blauwe ogen en knijpplekken in haar armen en oren. Ze had ook wel dikke blauwe vingers. Eerst mishandelde vader haar alleen met zijn handen en voeten maar later ook met voorwerpen door haar daarmee te slaan.

6. Een proces-verbaal van verhoor, d.d. 23 juli 2009 in wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] (p. 90 e.v. van het dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van getuige [getuige]:

Ik ben als algemeen chirurg werkzaam in ziekenhuis De Tjongerschans in Heerenveen. Twee dagen geleden, maandag 20 juli 2009, had ik dienst. Er werd daar toen een mevrouw binnengebracht. De eerste arts die haar op de EHBO onderzocht was een huisarts in opleiding, [betrokkene 3]. Zij belde me met de mededeling dat de buik van [slachtoffer] (het hof begrijpt aangeefster [slachtoffer]) niet goed was. Mevrouw had een lage bloeddruk, een teken van shock. Om die reden werd een CT-scan gemaakt. Mevrouw had vrij veel lucht in haar buik (lucht buiten de darmen) hetgeen duidt op een perforatie. Mevrouw had hevige pijn en was er beroerd aan toe. Ze werd direct overgebracht naar de operatiekamer. Ik heb vervolgens direct de operatie uitgevoerd. Ik heb me verbaasd over het letsel van [slachtoffer]. Ik zag dat haar hele lichaam onder de oude bloeduitstortingen zat. Bovendien had zij behalve een darmperforatie aan weerszijden meerdere ribfracturen. Ik zag aan de linkerzijde zowel een oude als een nieuwe ribfractuur. Bij die oude ribfractuur was zichtbaar dat zich om de breuk heen al nieuw bot gevormd had. Dat betekent dat het een fractuur is van tussen de 6 weken tot 4 à 5 maanden geleden. U vraagt me hoe iemand aan weerszijden dergelijk letsel kan oplopen. Dat kan alleen als aan twee kanten flink geweld is toegepast. Aan de rechterzijde waren twee verse ribfracturen. Voor een ribfractuur is flink geweld van buitenaf voor nodig. Gezien de plaatsen zijn er verschillende acties voor nodig.

7. Een schriftelijk stuk, te weten een Verslag Letselrapportage van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst opgemaakt op 28 oktober 2009 door A.W. Westerveld, forensisch geneeskundige KNMG (los in het dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van A.W. Westerveld:

Het letsel bij opname op 20 juli (het hof begrijpt: 20 juli 2009) bestaande uit perforatie van een darm is onbehandeld levensbedreigend. Bij het lekken van de darminhoud naar de vrije buikholte ontstaat behalve acute heftige pijn ook een ontsteking van het buikvlies en de buikinhoud die uiteindelijk via bloedvergiftiging tot de dood leidt. Dit is een proces van hooguit enkele dagen. Mevrouw is acuut geopereerd, waarbij het geperforeerde darmgedeelte is verwijderd. Een stomp buiktrauma, de oorzaak van het buikletsel bij mevrouw, kan ontstaan door springen op of schoppen tegen het lichaam."

5. Het Hof heeft, voor zover hier van belang, met betrekking tot feit 1 primair en feit 2 wat betreft het voorwaardelijk opzet als 'aanvullende bewijsoverweging' het volgende overwogen:

"Het hof heeft in het arrest onder l primair bewezen verklaard dat verdachte [slachtoffer] op 20 juli 2009 opzettelijk van het leven wilde beroven door meermalen op haar buik te springen. Onder 2 is bewezen verklaard dat hij haar door diezelfde handeling in de daaraan voorafgaande jaren meermalen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen.

Het hof is van oordeel dat de kans op zwaar lichamelijk letsel en overlijden als gevolg van springen op de buik - gelet op de vitale organen die zich in de buik bevinden - aanmerkelijk is te noemen. Het hof is voorts van oordeel dat voornoemde handeling - het springen op de buik waarbij verdachte zich vasthield aan het aanrecht - naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op de dood van het slachtoffer (feit 1 primair) en op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (feit 2) dat gezegd kan worden dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Derhalve was er bij verdachte bij de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten sprake van voorwaardelijk opzet."

6. Het eerste middel klaagt dat het onder 1 (primair) tenlastegelegde opzet op de dood niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

7. Bij de beoordeling van het middel moet gelet op HR 24 februari 2004, LJN AO1498, NJ 2004/375 m.nt. Mevis het volgende worden vooropgesteld. Voor het aannemen van een poging in de zin van art. 45 Sr is voorwaardelijk opzet voldoende. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals bijvoorbeeld de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.(1) De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.(2)

8. Het Hof heeft in zijn bewijsconstructie met betrekking tot 'feit 1 primair' vastgesteld dat verzoeker het slachtoffer, zijn vrouw [slachtoffer], op 20 juli 2009 op de grond heeft gegooid waarbij [slachtoffer] op haar rug terechtkwam, en dat verzoeker vervolgens, terwijl hij zich vasthield aan het aanrecht, meermalen met beide voeten vol op de buik van [slachtoffer] is gesprongen.

9. Door op de hiervoor beschreven wijze te springen, is verzoeker met zijn hele lichaamsgewicht en derhalve met grote kracht meermalen op de buik van [slachtoffer] terechtgekomen. Zelfs al zou verzoeker een voor een man gering lichaamsgewicht hebben van bijvoorbeeld 65 kilo - hetgeen overigens niet is aangevoerd - dan nog kan het niet anders zijn dan dat door dat springen op een groot gedeelte van de zich in de buikholte van het slachtoffer bevindende vitale organen een enorme druk ontstaat, welke druk de naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans op letsel zoals een miltscheuring of een darmperforatie in het leven roept(3) en welk letsel zoals algemeen bekend is, onbehandeld levensbedreigend is.(4) Daarbij wijs ik er op dat verzoeker heeft verklaard dat hem bekend is dat alleen al door te schoppen in de buikstreek van een ander persoon vitale organen kunnen worden geraakt (bewijsmiddel 4). Verzoeker heeft zich door dit risico echter niet laten weerhouden, maar heeft integendeel meermalen en dermate hard op de buik van [slachtoffer] gesprongen dat hij - zoals blijkt uit de bewijsmiddelen 6 en 7 - een levensbedreigende darmperforatie bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt, waarvoor zij acuut geopereerd moest worden. Het oordeel van het Hof dat deze handeling naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op de dood van [slachtoffer] dat gezegd kan worden dat verzoeker de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard, is dan ook niet onbegrijpelijk en geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip voorwaardelijk opzet (zoals hiervoor onder 7 is uiteengezet). Uit hetgeen door het Hof in zijn bewijsvoering is vastgesteld kan het bewezenverklaarde opzet in pogingsvorm op de dood van [slachtoffer] worden afgeleid. Het middel faalt in zoverre.

10. Gelet op het voorgaande faalt het middel eveneens voor zover in de daarop gegeven toelichting in het bijzonder wordt geklaagd dat het Hof "niet voldoende heeft vastgesteld op welke wijze verzoeker op de buik van [slachtoffer] heeft gesprongen en evenmin met welke kracht deze handelingen zijn geschied", en dat het oordeel van het Hof dat verzoeker willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard daarom niet zonder meer begrijpelijk is.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel behelst de klacht dat het onder 2 bewezen verklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Het middel bevat in het bijzonder de klacht dat niet bewezen kan worden dat verzoeker in de bewezenverklaarde periode meermalen heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en dat zijn opzet daarop telkens was gericht.

13. Ter wille van de leesbaarheid geef ik hier nogmaals aan dat ten laste van verzoeker onder 2 'primair' is bewezen verklaard dat:

"hij in de periode van 28 juli 1997 tot en met 19 juli 2009, te Heerenveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenote, te weten [slachtoffer], meermalen, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, telkens met dat opzet, voornoemde [slachtoffer]

- met kracht op de grond heeft gegooid waarbij verdachte vervolgens op de buik is gesprongen, terwijl de uitvoering van dat misdrijf telkens niet is voltooid."

14. Blijkens bewijsmiddel 1 (zie hierboven onder 4) heeft het slachtoffer op 3 augustus 2009 eerst verklaard hoe zij door verzoeker op 20 juli 2009 werd toegetakeld en op welke wijze verzoeker die dag op haar buik sprong, waarna zij aldus vervolgt:

"Het oude letsel is op dezelfde manier gebeurd. Dat is een paar maanden geleden gebeurd. (...) Als hij erg was/is dan springt hij altijd op mijn buik."

15. Uit deze verklaring kan naar mijn inzicht slechts volgen dat [slachtoffer] een paar maanden vóór 3 augustus 2009 "op dezelfde manier" als op 20 juli 2009 letsel is toegebracht. De toevoeging dat 'verzoeker "altijd" op haar buik springt als hij erg was', lijkt mij niet redengevend voor het bewezenverklaarde "meermalen" bij gebreke van daaraan ten grondslag gelegde concrete gebeurtenissen in de bewezenverklaarde periode. Nu noch uit deze verklaring, noch uit enig ander bewijsmiddel kan volgen dat, wanneer en op welke wijze verzoeker de onder 2 (primair) bewezenverklaarde handelingen heeft gepleegd - naast de door [slachtoffer] genoemde gebeurtenis die een paar maanden voor 3 augustus 2009 heeft plaatsgevonden -, kan het onder 2 (primair) bewezenverklaarde "meermalen" niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen.

16. Het middel is terecht voorgesteld.

17. Het derde middel klaagt dat het onder '3 primair' bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, nu uit deze bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat verzoeker opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

18. Ten laste van verdachte is onder 3 primair bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 31 december 1994 tot en met 1 januari 2006, te Heerenveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, te weten zijn zoon [betrokkene 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, voornoemde [betrokkene 2] met een schroevendraaier in zijn bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

en

zijn kind, te weten zijn dochter [betrokkene 1], meermalen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, voornoemde [betrokkene 1]

- met een ski-stok in haar gezicht gezicht heeft geslagen en

- met kracht bij haar keel heeft vastgegrepen en haar mond en neus dichtgedrukt heeft gehouden en aldus de ademhaling van die [betrokkene 1] gedurende enige tijd heeft verhinderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

19. Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van verhoor, d.d. 1 augustus 2009 in wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] (p. 66 e.v. van het dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1984:

Mijn roepnaam is [betrokkene 1]. Ik ben in februari 2005 ook al bij de politie van Heerenveen geweest. Toen heb ik gemeld dat mijn vader mij bij de keel had gegrepen en mijn mond en neus had dichtgedrukt.

Ik woonde op het adres [a-straat 1] in Heerenveen met mijn vader, moeder en mijn broer [betrokkene 2]. Hij is ongeveer een jaar ouder dan mij.

Mijn vader sloeg me eens met een skistok op mijn neus. We woonden toen al op [de a-straat]. Het vond beneden in onze woning plaats. Mijn neus bloedde toen erg. Ik heb van dat skistokincident nog altijd een litteken op mijn rechter neusvleugel.

Ik heb ook eens gezien hoe vader [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2]) met een schroevendraaier in zijn borst stak. Dat gebeurde op de oprit, aan de voorzijde van onze woning. Het litteken ervan is nog steeds zichtbaar. Ik zag hoe vader [betrokkene 2] onderhands met de schroevendraaier in zijn borst stak en hoe hij hier een bloedende wond opliep. Ik weet nog dat ik toen nog op de [a-straat] woonde, in mijn ouderlijk huis.

2. Een schriftelijk stuk, te weten een mutatierapport met opmaakdatum 14 februari 2005 (p. 161 e.v. van het dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven-:

als relaas van verbalisant:

[Betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) kwam met haar vriend aan het bureau. Zij wilde graag een gesprek over de situatie thuis. Zij vertelde dat haar vader haar regelmatig mishandelt. Gisteren deed [betrokkene 1] haar administratie. Wat ontbrak waren haar jaaropgave en studiefinanciering. Deze had pa in zijn bezit. [Betrokkene 1] vertelde dat hij daar niets mee te maken had en zie daar: vader greep haar vast bij de keel en zette met kracht zijn hand op de mond en neus waardoor [betrokkene 1] in ademnood kwam.

3. Een proces-verbaal van verhoor, d.d. 24 augustus 2009 in wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (p. 151 e.v. van het dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van verdachte:

Ik heb [betrokkene 2] een keer geprikt met de schroevendraaier.

4. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 20 april 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

De skistok waarmee ik [betrokkene 1] heb geslagen stond in de hal. Haar neus bloedde.

5. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 13 juli 2011, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Ik heb [betrokkene 1] om haar hals gepakt, met mijn arm eromheen. In die greep heeft zij ademnood gekregen. Ik merkte wel dat zij ademnood kreeg. Door haar zo vast te pakken wilde ik zeggen "hou je mond, stil nou".

6. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 20 april 2010, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Wij woonden op [de a-straat] (het hof begrijpt: [de a-straat]) in Heerenveen. U zegt mij dat uit het bevolkingsregister blijkt dat we op dit adres stonden ingeschreven vanaf 31 december 1994. Dat kan ik bevestigen."

20. Het Hof heeft aan het onder 3 primair bewezenverklaarde opzet geen bijzondere bewijsoverweging gewijd. Daarom zal uit de bewijsmiddelen minst genomen moeten blijken dat verzoeker het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorgenomen toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

21. Wat betreft het voorwaardelijk opzet bij een poging tot zware mishandeling geldt mutatis mutandis de reeds hiervoor onder 7 opgenomen vooropstelling omtrent het leerstuk van het voorwaardelijk opzet.

22. Om het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te kunnen aannemen, is de vraag van belang wat onder zwaar lichamelijk letsel moet worden verstaan. Artikel 82 Sr noemt enkele gevallen die onder zwaar lichamelijk letsel zijn begrepen, maar definieert het begrip zelf niet. Blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad laat die bepaling de rechter de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.(5) Van belang zijn bijvoorbeeld de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en de aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.(6) Omdat - aldus HR 14 februari 2006, LJN AU8055 - de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, kan zijn oordeel dienaangaande in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Zo zal de Hoge Raad als cassatierechter kunnen ingrijpen indien uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.(7) Hoewel deze rechtspraak voornamelijk ziet op een voltooide zware mishandeling, is, gelet op HR 26 februari 2002, LJN AD8877, deze vooropstelling ook van toepassing op een poging tot zware mishandeling, waarbij moet worden aangetekend dat het dan (uiteraard) gaat om het te verwachten en (ook) door de verdachte voorzienbare gevolg (letsel).

23. Ten aanzien van de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling van verzoekers zoon [betrokkene 2] heeft het Hof blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vastgesteld. Verzoeker heeft op de oprit van zijn woning [betrokkene 2] onderhands met een schroevendraaier in zijn borst gestoken waardoor zijn zoon een bloedende wond opliep. Uit de op 1 augustus 2009 afgelegde verklaring van de dochter van verzoeker volgt dat het litteken van deze wond op het moment waarop zij haar verklaring aflegde (ruim 3,5 jaren na het bewezenverklaarde feit) nog steeds zichtbaar was en derhalve als een blijvend litteken kan worden beschouwd.

24. Het Hof heeft uit de inhoud van de bewijsmiddelen en in het bijzonder uit de voorgaande vaststellingen het bestreden voorwaardelijk opzet van verzoeker in relatie tot de bewezenverklaarde poging kunnen afleiden. Door [betrokkene 2] met een schroevendraaier, een hard en scherp voorwerp, met zodanige kracht in zijn bovenlichaam te steken dat er een bloedende wond ontstond, terwijl algemeen bekend is - en dus ook bij verzoeker bekend was - dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden, bestond er naar algemene ervaringsregelen een aanmerkelijke kans dat dit steken zou resulteren in zwaar lichamelijk letsel en heeft verzoeker deze kans gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de stekende handeling eveneens aanvaard.(8) Dit in de gebezigde bewijsmiddelen besloten liggend oordeel noopte mijns inziens niet tot een nadere motivering door het Hof.

25. Ten aanzien van de bewezenverklaarde tweevoudige poging tot het zwaar mishandelen van verzoekers dochter [betrokkene 1] heeft het Hof gezien de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vastgesteld. Verzoeker heeft - nadat [betrokkene 1] ontdekte dat in haar administratie enkele stukken ontbraken die verzoeker in zijn bezit had en zij verzoeker vertelde dat hij daar niets mee te maken had - [betrokkene 1] bij haar keel vastgegrepen en met kracht met zijn hand haar mond en neus dichtgedrukt waardoor zij in ademnood kwam. Voorts heeft verzoeker [betrokkene 1] in hun woning met een skistok tegen haar gezicht geslagen waardoor haar neus hevig bloedde en een blijvend litteken op haar rechter neusvleugel is ontstaan.

26. Door [betrokkene 1] bij haar keel vast te grijpen en met kracht met zijn hand haar mond en neus dicht te drukken, een en ander zodanig lang waardoor zijn dochter in ademnood kwam, bestond de naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans dat [betrokkene 1] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.(9) Uit deze gedragingen en uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van verzoeker voor zover inhoudende: "In die greep heeft zij ademnood gekregen. Ik merkte wel dat zij ademnood kreeg", kan worden afgeleid dat verzoeker deze kans eveneens heeft aanvaard.

Door [betrokkene 1] met een skistok dermate hard tegen haar gezicht en dus hoofd - een bijzonder kwetsbaar deel van het menselijk lichaam - te slaan dat haar neus hevig begon te bloeden en op haar neus een litteken is achtergebleven, is voorts de naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans ontstaan dat [betrokkene 1] ernstig letsel aan haar gezicht of hoofd zou kunnen oplopen, welke aanmerkelijke kans verzoeker blijkens de uiterlijke verschijningsvorm van deze handeling eveneens heeft aanvaard.(10)

Gelet op het voorgaande heeft het Hof uit de hiervoor onder 25 weergegeven vaststellingen het voorwaardelijk opzet van verzoeker op de tweevoudige poging tot zware mishandeling van zijn dochter [betrokkene 1] kunnen afleiden, welk oordeel mijns inziens geen nadere motivering behoefde.

27. Het middel faalt.

28. Het vierde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof zowel het tweede als het zesde en het zevende lid van art. 359 Sv heeft geschonden. Het middel bestaat uit de volgende drie klachten. Ten eerste heeft het Hof niet in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging. Ten tweede heeft het Hof door deze maatregel op te leggen verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van een ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk namens de verdachte onderbouwd standpunt inzake de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging. En ten derde blijkt uit het arrest niet dat het Hof de redenen heeft opgegeven dat de terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

29. Op de terechtzitting in hoger beroep van 13 juli 2011 heeft de Advocaat-Generaal onder meer gevorderd dat aan verzoeker de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (verder: TBS met dwangverpleging) zal worden opgelegd. Blijkens zijn op die zitting overgelegde pleitnota heeft de raadsman van verzoeker over de eventueel op te leggen maatregel van de terbeschikkingstelling het volgende aangevoerd:

"TBS

Materiële criteria

• Gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens

• vier jaars delicten en de specifiek genoemde.

• Gevaarscriterium.

Nu is specifiek het gevaarscriterium aan de orde.

artikel 37a Sr.

De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen moet het opleggen van de maatregel eisen.

artikel 37 b Sr.

Voor het opleggen van een bevel tot verpleging moet voorts moet de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat bevel eisen.

De TBS met dwangverpleging legt een zwaarder accent op het recidivegevaar dan de oplegging van TBS (met voorwaarden) sec

In het geval dat het gevaarscriterium de dwangverpleging eist moet het gaan om een apert onaanvaardbaar gevaar voor ernstige recidive.

Bij gevaar voor de veiligheid van anderen moet worden gedacht aan gevaar voor één of meer individueel bepaalde personen, met name in de omgeving van de verdachte.

Het gevaar voor de algemene veiligheid voor personen ziet op de belangen gelegen in de veiligheid van meer of minder willekeurige bredere kringen van personen.

Het gaat hier om de veiligheid van anderen.

PBC:

"Betrokkenes stoornis en gedrag impliceren een gevaar voor herhaling, waarbij vooral betrokkenes echtgenote of een eventuele nieuwe partner als slachtoffer in aanmerking zou kunnen komen.

(...) Het recidivegevaar voor betrokkenes zoon en dochter wordt veel minder groot geacht. (...)"

Nu de echtscheiding is uitgesproken en het geenszins voor de hand ligt dat er in de toekomst contact zal zijn tussen [verdachte] en [slachtoffer] kan niet gesteld worden dat de veiligheid van anderen oplegging van de TBS maatregel eist.

Uit het maatregelrapport blijkt kort gezegd dat geen van de instellingen, met uitzondering van het AFPN te Assen maar dan onder - onuitvoerbare- voorwaarden, [verdachte] te willen opnemen dan wel een behandeling aanbieden.

Dit is geen enkele basis om tot een succesvolle behandeling te komen en mijns inziens valt deze mogelijkheid dan ook af.

Dit maakt dat het oordeel van de rechtbank omtrent de vorm van behandeling juist is.

Terecht zegt de rechtbank dat de ontsporingen situationeel bepaald waren, dat het recidiverisico beheersbaar is en dat het aanvaardbaar is dat de behandeling ambulant plaatsvindt.

In het rapport van het PBC wordt gesteld dat een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf niet toereikend wordt geacht.

Het PBC gaat echter voorbij aan de mogelijkheden die er zijn tot het stellen van voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling. In dat kader kan een ambulante behandeling worden opgelegd zoals ook door het PBC wordt geadviseerd. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de stok achter de deur minimaal 2 jaar gevangenisstraf zal zijn.

Gelet op de volgende omstandigheden:

- De ernst van de bewezenverklaarde feiten

- [Verdachte] is first offender.

- [Verdachte] is (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar

is mijns inziens een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar geïndiceerd."

30. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, omtrent de strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de oplegging van de sancties in:

"Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag;

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd;

en

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd;

het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd;

het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

verkrachting, meermalen gepleegd.

(...)

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich binnen zijn gezin schuldig gemaakt aan een groot aantal zeer ernstige strafbare feiten.

Op 20 juli 2009 heeft verdachte gepoogd [slachtoffer], zijn toenmalige echtgenote, van het leven te beroven. (...).

Voordat verdachte [slachtoffer] op 20 juli 2009 van het leven trachtte te beroven, heeft hij haar in de daaraan voorafgaande jaren meermalen geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ook heeft hij [slachtoffer] met regelmaat mishandeld door haar, al dan niet met gebruikmaking van verschillende voorwerpen, te slaan dan wel te stompen. [slachtoffer] heeft verklaard dat de mishandelingen elke keer weer zeer pijnlijk waren en dat zij diverse letsels heeft opgelopen door deze mishandelingen.

Niet alleen verdachtes echtgenote, ook verdachtes kinderen zijn het slachtoffer geworden van zijn agressiviteit en extreme woede-uitbarstingen. Verdachte heeft zowel zijn zoon als zijn dochter op schokkende wijze zwaar lichamelijk letsel proberen toe te brengen. (...).

Naast voornoemde mishandelingen, werd [betrokkene 1] ook seksueel door haar vader misbruikt. Zij is meermalen door verdachte verkracht. Verdachte gaf hierbij louter toe aan zijn eigen lustgevoelens, zonder zich te bekommeren om de gevolgen voor zijn dochter.

Verdachte heeft meermalen op zeer ernstige en grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vrouw en kinderen. De manier waarop verdachte zich jegens zijn gezinsleden heeft gedragen, is schokkend. Terwijl van een echtgenoot en vader mag worden verwacht dat hij liefde, bescherming en geborgenheid biedt, stelde verdachte zich binnen zijn gezin als een tiran op en zorgde hij ervoor dat zijn vrouw en kinderen continu in angst leefden. Uit het dossier blijkt dat zij zich voortdurend inspanden om aan de - vaak absurde - eisen van verdachte te voldoen, om zo een nieuwe woede- en gewelduitbarsting proberen te voorkomen. Verdachte beheerste het gezinsleven volledig en heeft op die manier zijn kinderen een evenwichtige en onbezorgde jeugd ontnomen. [Betrokkene 2] heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat aan voornoemde situatie een einde kwam door de politie in te schakelen. Het hof acht de kans groot dat - indien dat niet was gebeurd - het plegen van strafbare feiten door verdachte tot op heden had voortgeduurd.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat de slachtoffers op diverse fronten in hun leven de schadelijke gevolgen van verdachtes handelen ondervinden. Naast de lichamelijk gevolgen, heeft het handelen van verdachte - vanzelfsprekend - ook tot vergaand psychisch leed geleid. [Slachtoffer], [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn voor het leven getekend.

(...).

Oplegging van maatregel

Voormelde rapportage Pro Justitia d.d. 6 april 2010, houdt naast het hiervoor overwogene, - zakelijk weergegeven - in:

Er is bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van de stoornis van Asperger. Van deze stoornis van Asperger was ook sprake ten tijde van het onderhavige ten laste gelegde. Bij risicoverhogende factoren die van belang zijn voor de kans op recidive, kan worden gedacht aan de stoornis van Asperger met de verminderde sociale wederkerigheid, het gebrek aan cognitieve flexibiliteit, het dwangmatige gedrag en het gebrek aan inleving in de ander. Voor de kans op recidive is ook van belang dat er bij betrokkene gebrekkig probleeminzicht bestaat op basis van de Autisme Spectrum Stoornis (ASS) i.c. de stoornis van Asperger. Daarnaast spelen zijn sociale isolement en uiterst beperkte sociale netwerk, zijn gebrekkige daginvulling, zijn angsten en onzekerheden en mogelijk de deviante seksuele belevingen een rol. Betrokkenes stoornis en gedrag impliceren een gevaar voor herhaling, waarbij vooral betrokkenes echtgenote of een eventuele nieuwe partner als slachtoffer in aanmerking zou kunnen komen. Ook binnen een nieuwe relatie kunnen mechanismen, zoals tussen verdachte en zijn echtgenote, zich herhalen, indien hij boos, gefrustreerd of geprikkeld raakt. De risicotaxatieschaal HCR-20 geeft een matig tot hoog recidivegevaar aan. Op de SVR-20 (voor seksuele delicten) scoort betrokkene matig.

Om het recidivegevaar terug te dringen wordt een behandeling noodzakelijk geacht. Een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf wordt niet toereikend geacht. Derhalve wordt een terbeschikkingstelling noodzakelijk geacht teneinde het hierboven geschetste recidivegevaar terug te dringen.

Het hof neemt deze conclusies over en maakt die tot de zijne en zal de maatregel van terbeschikkingstelling aan verdachte opleggen. Gebleken is dat bij verdachte tijdens het begaan van de onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, op grond waarvan deze feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Voornoemde bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan 4 jaren is gesteld. Op basis van al hetgeen over verdachtes persoon is vastgesteld, acht het hof de kans op recidive groot. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. Het hiervoor vermelde eist tevens dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd."

31. In de zich bij de stukken van het geding bevindende rapportage van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt op 6 april 2010, kan men onder meer het volgende lezen(11):

"Derhalve wordt een terbeschikkingstelling noodzakelijk geacht teneinde het hierboven geschetste recidivegevaar terug te dringen. Onze inschatting is dat een ambulante behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden (indien de straftoeneming dit toelaat) voldoende garanties zal bieden met het oog op recidivebeperking. Verwacht mag worden dat betrokkene zich - zoals ook in het verleden - goed houdt aan behandelvoorwaarden en -condities.

Bij een ambulante behandeling zullen onder andere psycho-educatie en medicatie belangrijke aandachtspunten zijn. Het is van belang dat de behandeling plaatsvindt door een instantie met specifiek forensisch-psychiatrische deskundigheid, waarbij - eventueel met behulp van risicotaxatie en een terugvalpreventieplan - het recidivegevaar regelmatig in beeld gebracht kan worden.

Voorts zal van belang zijn dat er deskundigheid met betrekking tot autisme en autistiforme stoornissen voorhanden is. Geacht wordt aan de AFPN (Ambulante Forensische Psychiatrie Noord-Nederland), indien betrokkene na ommekomst van zijn detentie zich opnieuw in Friesland (Heerenveen of Drachten - zie eerder) zal vestigen of bij een vergelijkbare instantie (Waag, Kairos), indien betrokkene zich elders mocht vestigen."

32. Bij de beoordeling van het middel dient allereerst te worden vooropgesteld dat de rechter ingevolge art. 37a, derde lid, Sr in verbinding met art. 37, tweede lid, Sr slechts een terbeschikkingstelling kan gelasten (en een TBS met dwangverpleging als bedoeld in art. 37b Sr kan bevelen) nadat hij zich een advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater, die de betrokkene hebben onderzocht. De rechter is niet gebonden aan dat advies, zij het onder nadere motivering.(12) De waardering van de rapporten en adviezen die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht zoals bedoeld in art. 37a, derde lid, Sr in verbinding met art. 37, tweede lid, Sr is immers voorbehouden aan de rechter in feitelijke aanleg.(13) Het is voorts aan diezelfde feitenrechter om te beoordelen of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van terbeschikkingstelling (met dwangverpleging) eist. Die beoordeling is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat zij in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.(14)

33. Op grond van het rapport van het Pieter Baan Centrum en de daarin neergelegde bevindingen en conclusies van J.M.J.F. Offermans, psychiater, en J. Heerschop, psycholoog, is het Hof tot het oordeel gekomen dat ten aanzien van verzoeker sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en gevaar voor herhaling, en dat een TBS noodzakelijk wordt geacht om dat recidivegevaar terug te brengen. De beide gedragsdeskundigen en het Hof verschillen echter van inzicht met betrekking tot de modaliteit van de TBS. Naar inschatting van de gedragsdeskundigen kan met ambulante behandeling in het kader van de TBS met voorwaarden worden volstaan. Het Hof denkt daar anders over, en is van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de TBS met dwangverpleging eist. Met verwijzing naar hetgeen ik hierboven onder 32 heb opgemerkt over de vrijheid van de feitenrechter in relatie tot de waardering van het rapport en het advies van de gedragsdeskundigen en de beperkte toetsingsruimte in cassatie, merk ik op dat het Hof van het advies van de gedragsdeskundigen mocht afwijken en meen ik, mede gelet op de door het Hof verwoorde motivering (zie hierboven onder 30), dat de keuze van het Hof voor de TBS met dwangverpleging al met al toereikend is gemotiveerd.(15) Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het Hof de oplegging van de TBS met dwangverpleging heeft gegrond op: (i) de aard en de ernst van de misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld, (ii) de aard van de psychische stoornis van verzoeker en al hetgeen over zijn persoon is vastgesteld, en (iii) het recidivegevaar. Naar mijn mening heeft het Hof dus voldaan aan de motiveringsplicht als bedoeld in art. 359, zesde lid, Sv en ook voldoende gemotiveerd waarom het is afgeweken van het advies van de gedragsdeskundigen.

34. In het hoofd "Strafbaarheid van het bewezenverklaarde", waaronder de kwalificaties van de bewezenverklaarde feiten zijn opgenomen, en de motivering van het Hof (een en ander zoals hierboven onder 30 weergegeven) ligt naar het mij voorkomt voldoende duidelijk besloten dat de TBS met dwangverpleging is opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het Hof overweegt onder het hoofd "Oplegging van straf" in zoveel woorden dat verzoeker meermalen op zeer ernstige en grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vrouw en kinderen. Aldus heeft het Hof het in art. 359, zevende lid, Sv gestelde voorschrift voldoende in acht genomen. Ik wijs er daarbij op dat dit voorschrift enkel beoogt te voorkomen dat er later bij de verlenging van de TBS-termijn onzekerheid ontstaat over de vraag of sprake is van een geweldsmisdrijf als bedoeld in art. 38e, eerste lid, Sr en, in samenhang daarmee, of de TBS met dwangverpleging wel of niet is gemaximeerd tot vier jaren. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, uit de door de feitenrechter gekwalificeerde misdrijven evident blijkt dat het om ernstige geweldsdelicten tegen personen gaat, lijkt mij dat de motiveringslat niet al te hoog hoeft te worden gelegd.(16)

35. Wat betreft de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging met betrekking tot de oplegging van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, zonder de redenen te geven die daartoe hebben geleid, heeft het volgende te gelden.

36. Voor zover - kort gezegd - is aangevoerd dat niet gesteld kan worden dat de veiligheid van anderen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling eist, kan het aangevoerde bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof heeft niet in zoveel woorden op dit verweer gereageerd. Ik meen echter dat de strekking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in het door het Hof geciteerde gedeelte van de rapportage van het Pieter Baan Centrum wordt weerlegd. Nu het Hof in zijn motivering van de oplegging van de maatregel heeft aangegeven de in dit citaat weergegeven bevindingen en conclusies in zoverre over te nemen en tot de zijne te maken, heeft het Hof het door de verdediging aangevoerde in zoverre zonder miskenning van het voorschrift van art. 359, tweede lid, Sv voldoende gemotiveerd weerlegd. Hetgeen voorts nog door de steller van het middel in dit verband is aangevoerd acht ik dermate ondeugdelijk onderbouwd dat dit niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv kan worden aangemerkt.

37. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

38. Het eerste, het derde en het vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het tweede middel slaagt.

39. Ambtshalve wijs ik nog op het volgende. Aan verzoeker is onder 2 ten laste gelegd dat:

"feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 28 juli 1997 tot en met 19 juli 2009, te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen en/of elders in het arrondissement Leeuwarden, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenote, te weten [slachtoffer], meermalen, (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) met dat opzet, voornoemde [slachtoffer] (telkens en/of veelvuldig)

- met kracht en met gebruikmaking van een (verschillende) voorwerp(en), waaronder een riem en/of een aluminium staaf/metalen buis en/of een plastic tennisracket en/of een briefopener en/of een bezemsteel, althans telkens met een hard(e) en/of een stevig(e) en/of een puntig(e) voorwerp(en), op/tegen haar lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of in/tegen haar lichaam heeft geprikt/geduwd, en/of

- met kracht (en/of met gebalde vuist[en]) in haar gezicht, althans tegen/op haar hoofd en/of elders op/tegen haar lichaam heeft geslagen en/of gestompt, en/of

- met kracht in/op/tegen haar buik(streek), althans op/tegen haar bovenlichaam en/of elders op/tegen haar lichaam heeft getrapt en/of geschopt, en/of

- met kracht op/tegen de grond heeft gewerkt/gegooid (en/of) waarbij verdachte (vervolgens) op de buik(streek), althans het (boven)lichaam van [slachtoffer] sprong, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2003 tot en met 19 juli 2009, te Heerenveen, althans in de gemeente Heerenveen en/of elders in het arrondissement Leeuwarden, in elk geval in Nederland, meermalen, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, te weten [slachtoffer], (telkens en/of veelvuldig)

- met kracht en met gebruikmaking van een (verschillende) voorwerp(en), waaronder een riem en/of een aluminium staaf/metalen buis en/of een plastic tennisracket en/of een briefopener en/of een bezemsteel, althans telkens met een hard(e) en/of een stevig(e) en/of een puntig(e) voorwerp(en), op/tegen haar lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of in/tegen haar lichaam heeft geprikt/geduwd, en/of

- met kracht (en/of met gebalde vuist[en]) in haar gezicht, althans tegen/op haar hoofd en/of elders op/tegen haar lichaam heeft geslagen en/of gestompt, en/of - met kracht in/op/tegen haar buik(streek), althans op/tegen haar bovenlichaam en/of elders op/tegen haar lichaam heeft getrapt en/of geschopt (en),

- met kracht op/tegen de grond heeft gewerkt/gegooid (en/of) waarbij verdachte (vervolgens) op de buik(streek), althans het (boven)lichaam van [slachtoffer] sprong, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of (telkens) pijn heeft ondervonden"

40. Zoals uit de hiervoor onder 3 weergegeven bewezenverklaringen blijkt, heeft het Hof met betrekking tot dit feit zowel het eerste onderdeel als het tweede onderdeel van de tenlastelegging - zij het beide gedeeltelijk en met betrekking tot andere handelingen - bewezen verklaard.

41. Hoewel de feitenrechter een grote vrijheid heeft bij de interpretatie van de tenlastelegging en het deze rechter is die de juiste inhoud van de tenlastelegging vaststelt en vrij is bij de uitleg van feitelijke onderdelen van de tenlastelegging, mits die uitleg niet in strijd is met de bewoordingen van de tenlastelegging(17), meen ik dat, gelet op het hierna volgende - waarbij ik de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge van 8 mei 2012 onderschrijf en nagenoeg letterlijk volg(18) - het Hof door beide onderdelen van het onder 2 ten laste gelegde bewezen te verklaren, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

42. De in de tenlastelegging onder 2 opgenomen onderdelen zijn van elkaar onderscheiden door de woorden "subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte". Het gaat hier derhalve om bewoordingen waarmee gewoonlijk wordt uitgedrukt dat sprake is van een zogenoemde 'primaire/subsidiaire' tenlastelegging. Bij een dergelijke tenlastelegging dient de rechter eerst te oordelen over het primaire onderdeel van de tenlastelegging voordat hij mag toekomen aan de behandeling van het subsidiaire onderdeel daarvan. Leidt het onderzoek naar het primaire verwijt tot een schuldigverklaring, dan blijft de subsidiaire beschuldiging verder buiten beschouwing.(19)

43. Het Hof heeft de bedoelde bewoordingen kennelijk gelezen alsof daar staat: "subsidiair, indien en voor zover het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte voor alle daarin omschreven feiten". Mijns inziens wijkt die uitleg echter zover af van het geijkte juridische spraakgebruik dat de conclusie moet zijn dat die uitleg in strijd is met de bewoordingen van de tenlastelegging. Daarbij hoefde de verdediging niet op deze ongebruikelijke uitleg bedacht te zijn nu uit het proces-verbaal van de terechtzittingen niet blijkt dat het Hof die uitleg met de procespartijen heeft besproken, laat staan dat de procespartijen met die uitleg hebben ingestemd.

44. Het is de vraag wat hiervan de consequentie moet zijn. Nu uit hetgeen ik hiervoor onder 14-16 omtrent het tweede middel heb geconcludeerd volgt dat het bestreden arrest moet worden vernietigd wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 'primair' ten laste gelegde, meen ik na deze ambtshalve constatering dat voor het gehele onder 2 bewezenverklaarde feit vernietiging dient te volgen.

45. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

46. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de veroordeling ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit en de strafoplegging(20), tot terugwijzing van de zaak naar het Hof om in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 25 maart 2003, LJN AE9049, NJ 2003/552 (HIV I) m.nt. Buruma. Of, anders geformuleerd: welbewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat het gevolg zal intreden. Ook in deze omschrijving komen het kenniselement, het risico-element en het wilselement tot uiting.

2 Zie ook HR 25 maart 2003, LJN AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma; HR 19 december 2006, LJN AZ1658 en HR 29 september 2009, LJN BI4736, NJ 2010/117 m.nt. Keijzer.

3 In HR 4 december 2007, LJN BB7117, NJ 2008/17 oordeelde de Hoge Raad dat het kennelijke oordeel van het Hof dat de verdachte door het slachtoffer met kracht met geschoeide voet een schop in het middel - en daarmee in de nabijheid van vitale organen - te geven, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is.

4 Een onbehandelde darmperforatie leidt volgens de als bewijsmiddel 7 opgenomen verklaring van de forensisch geneeskundige Westerveld binnen hooguit enkele dagen tot de dood.

5 Zie o.m. HR 8 maart 1977, LJN AC0248, NJ 1978/103 en HR 14 februari 2006, LJN AU8055.

6 Vgl.: HR 12 oktober 1999, LJN ZD1562, NJ 1999/828; HR 16 mei 2000, LJN AA5802, NJ 2000/510; HR 5 december 2000, LJN AD4675, NJ 2001/99 en HR 12 december 2000, LJN ZD2100.

7 Zie bijvoorbeeld HR 16 mei 2000, LJN AA5802, NJ 2000/510.

8 Vgl. mijn conclusie vóór HR 31 mei 2011, LJN BQ1971 (de Hoge Raad deed de zaak met de art. 81 RO overweging af). Het middel klaagde tevergeefs over het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet op de poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een schroevendraaier in de arm te steken.

9 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter vóór HR 22 februari 2011, LJN BP0495 (de Hoge Raad deed de zaak met gebruikmaking van art. 81 RO af).

10 Vgl. mijn conclusies vóór HR 29 november 2011, LJN BT7094 en HR 1 november 2011, LJN BT1761 en de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse vóór HR 30 september 2008, LJN BD4874, in welke zaken werd geklaagd over het bewezenverklaarde opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door met een riem en een plank respectievelijk met een vuist en metalen buizen/staven/pijpen met kracht tegen het hoofd te slaan. De Hoge raad deed de middelen met gebruikmaking van art. 81 RO af.

11 Zie p. 67 van het rapport.

12 Zie HR 22 januari 2008, LJN BC1311, NJ 2008/193 m.nt. Reijntjes. Zie ook Handboek Strafzaken 53.3.5.a en mijn commentaar in T&C Sr, 8e druk, aant. 3b bij art. 37a Sr alsmede TBS, Studiepocket strafrecht, 2e druk, blz. 89-90.

13 Vgl. onder meer HR 12 september 2006, LJN AW4414 en HR 3 juli 2007, LJN BA5624, NJ 2007/413.

14 Zie HR 20 januari 2009, LJN BG1645, NJ 2009/73.

15 Dat neemt niet weg dat het Hof ter wille van de duidelijkheid nog wel iets meer had kunnen uitleggen waarom het tot een andere keuze dan de gedragsdeskundigen is gekomen.

16 Zie ook Schoep in T&C Sv, 9e druk, aant. 8f bij art. 359 (zevende lid) Sv: aan de eis van dit artikellid is voldaan indien de rechter erop wijst dat het bewezenverklaarde delict een misdrijf is dat een gevaar oplevert voor of een krenking is van de lichamelijke integriteit van een of meer personen.

17 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, 2009, p. 197-198.

18 Zaaksnummer 10/03905. Vanzelfsprekend heeft de Hoge Raad in die zaak nog geen arrest gewezen.

19 Zie voor een uitspraak waarin de lagere rechter het volgens de Hoge Raad incorrect deed bijvoorbeeld HR 1 juli 1981, LJN AB7643, NJ 1981/626. De Hoge Raad casseerde omdat de Politierechter het subsidiair ten laste gelegde bewezen achtte maar geen beslissing had gegeven over het primair tenlastegelegde gedeelte. Zie ook HR 4 juni 2002, LJN AD8953, NJ 2002/415, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten door zowel het subsidiair als het primair ten laste gelegde bewezen te verklaren.

20 Naar mijn inzicht behoeft vernietiging als door mij geconcludeerd, geen consequenties te hebben voor de oplegging van de maatregel van de TBS met dwangverpleging.