Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9980

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
11/03219 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9980
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1029
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03219 H

Mr. Silvis

Zitting 29 mei 2012

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 14 april 2011 is aanvrager van herziening wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens aanvrager heeft mr. Th.O.M. Dieben, advocaat te Amsterdam, een aanvrage tot herziening van bovenvermeld vonnis ingediend.

3. De aanvrage steunt op de stelling dat gelet op de sepotbeslissing van 16 maart 2011 onder parketnummer 13/650114-11 in deze zaak geen vervolgingsrecht bestond voor het Openbaar Ministerie en het onderzoek van de zaak bij de politierechter, indien deze hiermee bekend was geweest, tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou hebben geleid. Ter staving van deze stelling wordt onder meer verwezen naar het volgende:

(i) het aan de veroordeling ten grondslag liggende proces-verbaal van de Politie Amsterdam-Amstelland, wijkteam Lijnbaansgracht, nummer 2011019685-1, met parketnummer 13/027147-11 (bijlage 2 van het herzieningsverzoek);

(ii) het proces-verbaal van de Politie Amsterdam-Amstelland, wijkteam Lijnbaansgracht, met nummer 2011019685-1, met parketnummer 13/650114-11;

(iii) een aan de raadsman gefaxte schriftelijke sepotbeslissing (bijlage 4 van het herzieningsverzoek).

4. De schriftelijke sepotbeslissing, zoals dat als bijlage 4 aan het herzieningsverzoek is gehecht, houdt voor zover van belang het volgende in:

"Mr. E.M. Dieben(1)

(...)

Onderwerp: Kennisgeving sepot

Datum: 16 maart 2011

Ons kenmerk: 13/650114-11

Geachte mevrouw(2) Dieben,

Op mijn parket is een proces-verbaal binnengekomen, waarin uw cliënt, [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats], als verdachte is aangemerkt.

Inmiddels heb ik besloten uw cliënt voor openlijk in vereniging geweld plegen niet (verder) te vervolgen. De reden hiervoor is dat het een gering feit betreft.

Deze zaak is hiermee afgedaan, tenzij

a. ik op grond van nieuwe feiten of omstandigheden deze beslissing moet herzien

b. het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt. Dat kan als een ander, die is benadeeld door het feit waarvan u(3) nu verdacht wordt, zich beklaagt over mijn beslissing u niet te vervolgen."

5. Bij de beoordeling van de aanvrage moet het volgende worden vooropgesteld. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. De vereiste grondslag wordt door verzoeker niet miskend.

6. In de aanvraag wordt gesteld dat sprake is van een novum als bedoeld in voormelde bepaling nu aan de veroordeling hetzelfde proces-verbaal ten grondslag ligt als aan het geseponeerde feit. Ik meen dat er sprake is van een kennelijke vergissing. Op 23 januari 2011 hebben zich, blijkens de stukken, feiten voorgedaan, die zich afspeelden in twee fasen. In beide fasen is sprake van dezelfde drie verdachten en hetzelfde slachtoffer. Alle vier betrokkenen zijn afkomstig uit Roemenië. De eerste fase voltrekt zich bij een bibliotheek: volgens het proces-verbaal wordt het slachtoffer in die fase met geweld beroofd door de drie verdachten. De verdenking van deelname van verzoeker aan deze beroving is verbonden met parketnummer 13/650114-11. De sepotbrief heeft, gezien het vermelde kenmerk, betrekking op dat laatstgenoemde parketnummer. Geheel terzijde merk ik op dat de vermelding in de sepotbrief dat het om een gering feit gaat, mij weinig begrijpelijk voorkomt.

7. In de tweede fase van de toedracht op 23 januari 2011 speelt zich een ander feit dan beroving af, namelijk openlijke geweldpleging/mishandeling door de verdachten gepleegd ten opzichte van hetzelfde slachtoffer in een café-restaurant, waar het slachtoffer een veilig onderkomen zocht kort na de beroving. De verdenking van betrokkenheid bij het feit van openlijk in vereniging geweld plegen/mishandeling is aan verdachte tenlastegelegd onder parketnummer 13/027147-11. Aan de verdediging is een bij dat parketnummer behorend proces-verbaal verstrekt dat weliswaar gedeeltelijk gelijkluidend is aan het proces-verbaal dat hoort bij het feit dat zich kort daarvoor had afgespeeld, maar in het voor de tenlastelegging relevante verzamelproces-verbaal is ook opgenomen een aanvullend relaas en een aantal onderliggende processen-verbaal die betrekking hebben de openlijke geweldpleging/mishandeling in het café-restaurant.

8. De veroordeling (onder parketnummer 13/027147-11) heeft betrekking op openlijk in vereniging geweld plegen, terwijl het sepot, gezien het vermelde parketnummer (13/650114-11), betrekking heeft op diefstal met geweld/straatroof. In de sepotbrief is echter de verkeerde kwalificatie genoemd, namelijk kennelijk abusievelijk 'openlijk in vereniging geweld plegen', waar gezien het bijbehorende proces-verbaal 'diefstal met geweld/beroving in vereniging' was bedoeld. De aanvrager kan daaraan, meen ik, niet het rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd voor het "openlijk in vereniging geweld plegen" zoals omschreven in het proces-verbaal dat is verstrekt in relatie tot parketnummer 13/027147-11. Ik merk voorts op dat de dagvaarding voor de zaak met parketnummer 13/027147-11 om op 14 april 2011 ter zitting te verschijnen, in persoon aan de verdachte is uitgereikt op 27 januari 2011. Een intrekking van die dagvaarding heeft niet plaatsgevonden. Indien de politierechter op de hoogte zou zijn geweest van de sepotbrief, met het kenmerk 13/650114-11, zou dat gegeven vermoedelijk niet hebben geleid tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van het tenlastegelegde feit.

9. Uit het voorgaande volgt dat de door de aanvrager gestelde omstandigheid dat de onder parketnummer 13/027147-11 aangebrachte zaak was geseponeerd, bij nadere beschouwing feitelijke grondslag mist en zodoende niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.

10. De aanvrage is dus ongegrond en moet ingevolge art. 468 Sv worden afgewezen.

11. Deze conclusie strekt tot afwijzing van de herzieningsaanvraag.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kennelijk is hier bedoeld: de heer Th.O.M. Dieben, werkzaam bij Jahae advocaten. Mevr. Mr. E.M. Dieben is sedert 30 oktober 2007 geen advocaat meer. Het kantoor waaraan zij laatstelijk verbonden was heeft de sepotbrief doorgefaxt naar het kantoor waaraan mr. Th.O.M. Dieben is verbonden.

2 Kennelijk is hier, in plaats van mevrouw mr. E.M. Dieben bedoeld: de heer Th.O.M. Dieben.

3 Kennelijk is hier bedoeld: uw cliënt.