Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9975

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
11/01478
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9975
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Beroep op avas. Bij een beroep op een strafuitsluitingsgrond moet de rechter de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken. Voor aanvaarding van het beroep is vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan voldoende aannemelijk acht. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd. Het Hof heeft dit beslissingskader miskend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1020
NJ 2012/521 met annotatie van J.M. Reijntjes
NBSTRAF 2012/300
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/01478

Mr. Silvis

Zitting 17 april 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 6 januari 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam ter zake van "overtreding van artikel 5 van de wegenverkeerswet 1994" ontslagen van alle rechtsvervolging.

2. De plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket Amsterdam, mr. L. Plas, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit heeft ontslagen van alle rechtsvervolging op gronden die niet, zonder meer, begrijpelijk zijn.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 9 december te Huizen als bestuurder van een voertuig, personenauto, daarmee rijdende op de weg, de Huizermaatweg, komende uit de richting van de Graaf Floris en gaande in de richting van de Fauna, alwaar verdachte in een flauwe bocht naar links met zijn rechtervoorband tegen de aldaar gelegen trottoirrand is aangebotst en met zijn rechtervoorband in de aldaar gelegen grasberm terecht is gekomen, waardoor hij, verdachte, de macht over het stuur is kwijtgeraakt en tegen een in de middenberm van de Huizermaatweg staande boom is aangebotst en vervolgens op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer tot stilstand is gekomen, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, immers is hij, verdachte, toen aldaar tegen een boom aangebotst als gevolg waarvan inzittende [betrokkene 1] letsel heeft bekomen."

5. Het Hof heeft ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte het volgende overwogen en beslist:

"De raadsman heeft aangevoerd dat, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, er dan sprake is van afwezigheid van alle schuld en dat de verdachte op die grond moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Dienaangaande overweegt het Hof als volgt:

- bij het technisch onderzoek na het ongeval bleek een berekening van de snelheid waarmee de verdachte vlak voor het ongeval heeft gereden niet mogelijk en ook andere relevante gegevens heeft het technisch onderzoek niet opgeleverd. De auto vertoonde geen technische gebreken, die van invloed zouden kunnen zijn op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval. De weersomstandigheden waren goed;

- een drietal getuigen in de buurt van het ongeval heeft geen informatie kunnen geven die enig inzicht zou kunnen geven over de toedracht van het ongeval. Medepassagier [betrokkene 2], die rechtsvoor heeft gezeten, verklaart slechts dat de auto aan de rechterzijde de stoeprand heeft geraakt waardoor de auto iets omhoog kwam. De verdachte en de tweede inzittende kunnen zich van het ongeval niets herinneren;

- de verdachte heeft geen middelen gebruikt die de rijvaardigheid zouden kunnen beïnvloeden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij nooit alcohol drinkt - daarom wordt hij vaak als chauffeur (BOB) gevraagd- en dat hij een rustige bestuurder is. Er zijn geen aanwijzingen dat de aandacht van verdachte door het gedrag van zijn medepassagiers, op het moment van het ongeval of vlak daarvoor zou zijn afgeleid.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ten aanzien van de aanleiding voor dan wel de oorzaak van het raken van de stoeprand, welke aanraking onmiskenbaar de oorzaak is geweest van de botsing tegen de boom, geen enkele betrouwbare uitspraak kan worden gedaan, noch in technische zin, noch in de sfeer van de rijstijl van de verdachte. De vraag of de verdachte van het raken van de stoeprand ook maar enig verwijt kan worden gemaakt kan dus niet worden beantwoord.

Nu niet is gebleken dat de verdachte niet de maximaal te vergen zorg heeft betracht en ook overigens niet is gebleken van relevante schuld, komt het hof tot de slotsom dat de verdachte geen verwijt kan worden gemaakt van het veroorzaken van het ongeval. Hij is daarom niet strafbaar en hij moet van alle rechtsvervolging worden ontslagen."

6. Het volgende kan worden vooropgesteld. In het geval van een bewezen verklaarde overtreding is de maatstaf voor alle afwezigheid van schuld of aannemelijk is geworden dat verdachte niet anders kon of behoorde te handelen. Alle schuld aan de bewezen verklaarde overtreding zou bij verdachte ontbreken, indien aannemelijk zou zijn, dat hem redelijkerwijze geen mogelijkheid heeft opengestaan om de in de bewezenverklaring bedoelde gevaarzetting te vermijden.(1)

7. Vellinga(2) schrijft dat aan het veroorzaken van een belemmering of gevaar als bedoeld in art. 25 WVW (oud), de voorloper van het huidige art. 5 WVW 1994, ongeoorloofd gedrag als oorzaak ten grondslag moet liggen. Pas als er sprake is van uit verkeersoogpunt ongeoorloofd gedrag kan worden nagegaan of daardoor een belemmering of gevaar teweeg is gebracht.(3) Dat is de bewijskwestie: is de veiligheid op de weg door van uit verkeersoogpunt ongeoorloofd gedrag van verdachte in gevaar gebracht? Als dat niet uit de bewijsmiddelen valt af te leiden, dient vrijspraak te volgen.(4)

8. Het Hof heeft geoordeeld dat het gevaar voor de veiligheid op de weg uit de bewijsmiddelen valt af te leiden en dat dit gevaar veroorzaakt werd door van uit verkeersoogpunt ongeoorloofd gedrag van verdachte. Het Hof heeft dit uitdrukkelijk in de bespreking van een (bewijs)verweer overwogen:

"Het hof is ten aanzien van het tweede onderdeel van het bewijsverweer van oordeel dat, nog daargelaten of de verdachte de bocht nu wel of niet te ruim heeft genomen, er sprake is geweest van een verkeersfout van de verdachte en dat dit gedrag van de verdachte er de oorzaak van is geweest dat gevaar op de weg is veroorzaakt. De door de verdachte bestuurde auto is immers door het weggedrag van de verdachte tegen een stoeprand gereden, waarna de auto, na een vergeefse stuurcorrectie, tegen een boom is gebotst, met voornoemd gevolg."

9. Het Hof heeft bewezen kunnen achten dat verdachte een verkeersfout heeft gemaakt waardoor een ongeval ontstond. Om vervolgens nog tot afwezigheid van alle schuld te kunnen komen, moet aannemelijk zijn dat verdachte redelijkerwijze geen (aanvaardbare) mogelijkheid had om de in de bewezenverklaring bedoelde gevaarzetting te vermijden.

10. Het hof heeft niet kunnen vaststellen of verdachte het feit heeft kunnen vermijden. Door op die grond afwezigheid van alle schuld aan de bewezen verklaarde overtreding aan te nemen, heeft het Hof een onjuiste maatstaf toegepast.

11. Het is evenmin zo dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar 's Hofs oordeel het bestaan van feiten en omstandigheden, die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, aannemelijk heeft gemaakt.(5)

12. Het middel is terecht voorgesteld.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot terug- dan wel verwijzing van de zaak, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 30 november 1971, LJN: AB6496, NJ 1972/313.

2 Mr. W.H. Vellinga, Gevaar en schuld op de weg, 1979, p. 30/31.

3 Vgl. HR 4 november 1975, LJN: AB3762, NJ 1976/192; HR 29 september 1953, VR 1954/12.

4 Mr. W.H. Vellinga, Gevaar en schuld op de weg, 1979, p. 69/70.

5 Zie HR 3 mei 1966, LJN: AB3609, NJ 1968/26.