Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9970

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
10/05378
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9970
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belediging. Art. 269 Sr en art. 164 Sv klachtvereiste. Het bepaalde in art. 164 Sv strekt ertoe te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof vastgesteld dat X in het door haar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen de wens te kennen heeft gegeven dat tegen de verdachte een vervolging zou worden ingesteld. Hierin ligt besloten dat het Hof heeft geoordeeld dat X een klacht in de zin van art. 164.1 Sv heeft gedaan. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/993
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/05378

Mr. Vellinga

Zitting: 10 april 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 2. "eenvoudige belediging" veroordeeld tot een geldboete van € 100. Voorts heeft het Hof de teruggave gelast van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

2. Namens verdachte hebben mrs. D.V.A. Brouwer en N. Smeets, beiden advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof het gevoerde verweer tot niet-ontvankelijk verklaring van het OM in zijn vervolging, wegens het ontbreken van een rechtsgeldige klacht, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

4. De pleitnotities van verdachtes raadsman, die blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 november 2010 als daar herhaald en ingevoegd gelden, houden over het ontbreken van een rechtsgeldige klacht het volgende in:

"Openbaar ministerie niet-ontvankelijk in feit 2 voor zover behelzend eenvoudige belediging

59. Doordat van 'werkzaam in de rechtmatige uitoefening van de bediening' vrijspraak dient te volgen, is het de vraag of voor het overige veroordeling kan volgen op grond van art. 266 Sr.

60. Art. 266 Sr is een klachtdelict. De klacht dient ingevolge art. 66 Sr en art. 165 Sv binnen drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde heeft kennisgenomen van het gepleegde feit te worden ingediend bij de hulpofficier van justitie of de officier van justitie.

61. Opsporingsambtenaar [verbalisant 1] heeft in haar proces-verbaal vermeld: 'lndien de officier van justitie hiertoe termen aanwezig acht verzoek ik hem tot vervolging over te gaan.' Dit proces-verbaal dateert van 5 mei 2007. Het proces-verbaal is echter pas ingekomen bij de officier van justitie op 16 april 2008. Niet blijkt dat het proces-verbaal is ingediend bij enige opsporingsambtenaar, van wiens medewerking [verbalisant 1] voor de verwezenlijking van haar bevoegdheid aangewezen was.

Vgl. HR 14 oktober 1997, NJ 1998, 661

62. Overigens heeft daarenboven te gelden dat van een opsporingsambtenaar moet worden verwacht dat zij weet op welke wijze een klacht rechtsgeldig wordt ingediend.

63. Dat betekent dat de klacht niet tijdig bij de tot de ontvangst daarvan bevoegde autoriteit is ingediend. Daarom dient het OM in de vervolging van het lichtere gronddelict niet-ontvankelijk te worden verklaard."

5. Het Hof heeft dit verweer in het bestreden arrest als volgt verworpen:

"Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is de als feit 1 ten laste gelegde wederspannigheid niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe het volgende. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 5 mei 2007 (dossier pagina 6) blijkt dat de desbetreffende verbalisant de verdachte heeft gevraagd een legitimatiebewijs te tonen. Dit enkele vragen kan naar het oordeel van het hof niet worden gelijkgesteld met een vordering als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Identificatieplicht. Derhalve rustte op de verdachte geen verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden en kon hij ook niet in verband met een overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht worden aangehouden. Dat brengt mee dat op het moment van aanhouding van de verdachte geen sprake was van een rechtmatige uitoefening van de bediening van de verbalisant.

Gelet op bovenstaande dient de verdachte ook partieel te worden vrijgesproken van het als feit 2 ten laste gelegde, namelijk van de strafverzwarende grond dat de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Bespreking van de overige verweren ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsman van de verdachte heeft betoogd - kort en zakelijk weergegeven - dat in geval het hof van oordeel is dat de verdachte ten aanzien van feit 2 dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel "werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening", het openbaar ministerie voor het overige niet-ontvankelijk is in de vervolging, aangezien de voor vervolging vereiste klacht niet tijdig bij de juiste autoriteit is ingediend.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Zoals blijkt uit een proces-verbaal van bevindingen van 5 mei 2007, heeft de politieambtenaar [verbalisant 1] daarin tevens de jegens haar geuite bewoordingen gerelateerd en verdachte proces-verbaal aangezegd terzake belediging. Voorts heeft zij in dit proces-verbaal, derhalve mede betrekking hebbend op belediging, gerelateerd: "Indien de Officier van Justitie hiertoe termen aanwezig acht, verzoek ik hem om tot vervolging over te gaan", waaruit blijkt dat zij ten tijde van het opmaken van dat proces-verbaal de bedoeling had dat een vervolging tegen de verdachte ter zake belediging zou worden ingesteld. Dat het desbetreffende proces-verbaal eerst op 16 april 2008 is ingeboekt doet daar niet aan af. Het verweer wordt verworpen."

6. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het arrest er geen blijk van geeft dat het Hof enig onderzoek heeft verricht naar het bestaan van een bijzondere omstandigheid, welke met zich zou brengen dat het verzuim dat de klacht niet binnen de in art. 66 Sr gestelde termijn van drie maanden is ingediend bij een (hulp)officier van justitie niet tot niet-ontvankelijkheid hoeft te leiden. Hierbij wordt gewezen op HR 2 november 1993, NJ 1994, 197, m.nt. Van Veen.

7. Het Hof heeft vastgesteld dat de politieambtenaar [verbalisant 1] ten tijde van het opmaken van het proces-verbaal (5 mei 2007, de datum waarop de aan de verdachte tenlastegelegde feiten volgens de tenlastelegging zijn gepleegd) de bedoeling had dat een vervolging tegen de verdachte ter zake belediging zou worden ingesteld. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de politieambtenaar de verdachte toen proces-verbaal heeft aangezegd ter zake van belediging. Over deze vaststellingen wordt in cassatie niet geklaagd.

8. In de onderhavige zaak is onder feit 2. ten laste gelegd belediging van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening. Het Hof heeft overwogen dat nu de politieagente verdachte slechts om zijn legitimatiebewijs had gevraagd - in plaats van deze te vorderen - deze agente niet handelde in de rechtmatige uitoefening van haar bediening toen zij verdachte, die zijn identiteitsbewijs niet wilde tonen, aanhield. Daarom volgde vrijspraak van de strafverzwarende grond genoemd in art. 267, aanhef en onder 20, Sr en bleef over "eenvoudige belediging" genoemd in art. 266 Sr.

9. De onderhavige zaak wordt hierdoor gekenmerkt dat aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd een feit voor de vervolging waarvan geen klacht vereist is (art. 267, aanhef en onder 20 jo 266 Sr) en dat daarin - naar het Hof de tenlastelegging heeft uitgelegd en heeft kunnen uitleggen - subsidiair een feit besloten ligt (art. 266 Sr) dat alleen op klachte kan worden vervolgd (art. 269 Sr).

10. Het middel werpt de vraag op of ook in een dergelijk geval is vereist dat ter zake van het (impliciet) subsidiair tenlastegelegde feit voor de vervolging een overeenkomstig het bepaalde in art. 164 en 165 Sv, binnen de wettelijke termijn (art. 66 lid 1 Sr) ingediende klacht is vereist, ook wanneer vaststaat dat de klachtgerechtigde, zoals in het onderhavige geval, wenste dat de verdachte ter zake van belediging zou worden vervolgd.

11. Reeds dadelijk kan worden opgemerkt dat het niet voor de hand ligt dat een opsporingsambtenaar, die proces-verbaal opmaakt ter zake van belediging van een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, een klacht indient voor het geval wel komt vast te staan dat hij beledigd is doch niet dat dit is geschied gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Hij heeft dat proces-verbaal immers opgemaakt omdat hij veronderstelde beledigd te zijn gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Dat klemt temeer omdat de ratio van het klachtvereiste - dat ongewenste ruchtbaarheid die door de door het delict getroffene als pijnlijk wordt ervaren, wordt vermeden(1) - in een dergelijk geval niet in het geding is. Door het opmaken van het proces-verbaal heeft hij immers al de keuze gemaakt dat die ruchtbaarheid niet behoeft te worden vermeden, nog daargelaten dat hem door de wetgever die keus in geval van belediging in functie niet is gegeven.

12. De in art. 269 Sr voorziene uitzondering op het vereiste voor vervolging van een klacht in geval van belediging van een ambtenaar in functie is blijkens de parlementaire geschiedenis ingegeven door de gedachte dat het algemeen belang ermee is gediend dat bepaalde ambtenaren worden gezuiverd van enige op hen geworpen blaam omdat het bestuursapparaat als zodanig anders in diskrediet dreigt te worden gebracht.(2) In dit kader is van belang dat het door invoering van art. 67a Sr bij Wet van 19 juli 1934, Stb. 405 mogelijk werd een klachtdelict ondanks het ontbreken van een klacht toch te vervolgen indien het Openbaar Ministerie dit op gronden aan het algemeen belang ontleend wenselijk achtte, tenzij de klachtgerechtigde binnen een bij de wet bepaalde termijn bezwaar maakte tegen de voorgenomen vervolging. Deze bepaling werd ingevoerd omdat vervolging wegens een "particuliere" belediging van een hooggeplaatste ambtenaar, waarbij deze ambtenaar geen klacht wilde indienen omdat hij zich boven de uitlatingen verheven voelde en niet door de klacht de schijn wilde wekken in zijn persoonlijk eergevoel te zijn gekwetst, in het algemeen belang zou zijn.(3) Deze bepaling is per 26 april 1978 komen te vervallen.(4) De wetgever meende dat de aan het artikel gegeven motivering weinig meer aansprak en in de praktijk slechts van beperkt belang bleek.(5) Niet blijkt dat de wetgever daarbij een geval als het onderhavige onder ogen heeft gezien.

13. Het indienen van een klacht werd door de wetgever aan een termijn gebonden opdat wordt voorkomen dat aan de klachtgerechtigde "een wettelijk zwaard in handen" wordt gegeven, "waarvan hij jaren lang, gedurende den geheelen verjaringstermijn, gebruik zoude kunnen maken." Voorts wordt het maatschappelijk belang bij een spoedige vervolging als reden genoemd: "het mag dus niet aan de willekeur van den tot klagte geregtigde worden overgelaten, het instellen der publieke actie tot de uiterste grens van den verjaringstermijn op te houden."(6)

14. Zoals de parlementaire geschiedenis laat zien is het vereiste van de klacht bedoeld om te voorkomen dat wordt vervolgd tegen de wens van de beledigde, terwijl de indiening van de klacht aan een termijn is gebonden opdat de beledigde de verdachte het zwaard van de vervolging niet onbeperkt boven het hoofd zou kunnen houden. Aan deze belangen heeft het Hof door voor de ontvankelijkheid van de vervolging ter zake van de (impliciet) subsidiair tenlastegelegde eenvoudige belediging geen overeenkomstig het bepaalde in art. 164 en 165 Sv, binnen de wettelijke termijn (art. 66 lid 1 Sr) ingediende klacht te eisen niet tekort gedaan. De politieambtenaar wenste immers vervolging, de verdachte werd daarvan door aanzegging van proces-verbaal ter zake van belediging op de hoogte gesteld en verkeerde dus niet in onzekerheid over de vraag of de beledigde vervolging wenste. Voorts in aanmerking genomen dat zich hier een zo curieus geval voordoet dat van een opsporingsambtenaar in redelijkheid niet kan worden verlangd een klacht in te dienen, heeft het Hof door voor de ontvankelijkheid van de vervolging ter zake van het (impliciet) subsidiair tenlastegelegde niet een overeenkomstig het bepaalde in art. 164 en 165 Sv, binnen de wettelijke termijn (art. 66 lid 1 Sr) ingediende klacht te eisen, naar mijn oordeel geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, is zijn oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

15. Op het eerste gezicht lijkt deze opvatting in te gaan tegen HR 13 oktober 1992, NJ 1993, 145. Toch is hiervan geen sprake. In deze zaak was de verdachte veroordeeld ter zake van smaad aangedaan aan het openbaar gezag, hier bestaande dat hij met het kennelijk doel daaraan ruchtbaarheid te geven aan iemand had verteld dat een agent gestolen goederen zou kopen en dus op particuliere handelingen van deze agent. In cassatie kon het arrest geen stand houden omdat de strafverzwarende omstandigheid van "aangedaan aan het openbaar gezag" zich niet voordoet als sprake is van een belediging aangedaan aan een individuele gezagsdrager. De Hoge Raad vernietigde het arrest in zijn geheel "met het oog op een onderzoek naar de door art. 269 Sr geëiste klacht". Deze belediging was de agent echter niet aangedaan ter zake handelen in functie.

16. In HR 2 november 1993, NJ 1994, 197 was ten laste gelegd belediging van agenten, maar was slechts - hoewel de agenten in de rechtmatige uitoefening van hun bediening handelden - bewezen verklaard "eenvoudige belediging". Aan de klacht kleefden gebreken. Omdat echter uit de bewijsmiddelen bleek dat de belediging de agenten was aangedaan gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening was voor vervolging ter zake belediging geen klacht vereist, ook al was de strafverzwarende omstandigheid van art. 267, aanhef en onder 20, Sr niet bewezenverklaard. Ook deze uitspraak staat niet aan de door mij gekozen oplossing in de weg. Anders dan in de onderhavige zaak stond immers vast dat de agenten waren beledigd gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

17. De door mij verdedigde opvatting strookt met de wijze waarop de Hoge Raad de laatste decennia omgaat met het klachtvereiste. Formele gebreken plegen niet steeds aan ontvankelijkheid van de vervolging in de weg te staan. Ik noem HR 11 januari 1994, NJ 1994, 278, m.nt. ThWvV (indien een als klacht bedoeld stuk wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt, kan niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in het eerste lid van art. 164 Sv worden aangenomen indien op grond van het onderzoek ter terechtzitting komt vast te staan dat de klager ten tijde van het opmaken van bedoeld stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld)(7), HR 14 oktober 1997, NJ 1998, 661, m.nt. Sch (indien buiten twijfel staat dat de tot klacht gerechtigde een klacht heeft willen indienen kan in bijzondere omstandigheden, met name indien de klacht niet aan een formeel vereiste voldoet en zulks redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de politie, worden aangenomen dat een zodanig verzuim niet behoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging).

18. Het middel faalt.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 16 juni 1998, NJ 1998, 800.

2 Kamerstukken II, 1975-1976, 11249, nr. 6-8, p. 22

3 Kamerstukken II, 1933-1934, 237, nr. 3, p. 4.

4 Wet van 25 maart 1978, Staatsblad 1978, 155.

5 Kamerstukken II, 1975-1976, 11249, nr. 6-8, p. 10.

6 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel I, Haarlem H.D. Tjeenk Willink, 1881, p. 466-467.

7 Zie ook HR 22 april 1997, NJ 1997, 546, HR 31 maart 1998, NJ 1998, 608 en HR 27 maart 2012, LJN BV6662.