Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW9863

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
12/00249
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9863
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Opschorting bezoekregeling onder toezicht gestelde kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1110
JWB 2012/408
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 12/00249

Mr. Huydecoper

Zitting van 22 juni 2012

Conclusie inzake

[De vader]

verzoeker tot cassatie

tegen

de stichting Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg

verweerster in cassatie.

Als belanghebbende mede opgeroepen:

[De moeder]

1. De inzet van deze zaak vormt een verzoek van de verweerster in cassatie, de Stichting, dat strekte tot opschorting van een ten gunste van de verzoeker tot cassatie, [de vader], vastgestelde bezoekregeling voor de vier kinderen uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van [de vader] en de mede opgeroepen belanghebbende [de moeder].

2. Ik meen dat de aangevoerde cassatieklachten niet tot cassatie behoren te leiden, en dat die klachten geen vragen aan de orde stellen die in verband met de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoording behoeven.

Ook overigens beoordeel ik die klachten als van dien aard, dat met een verkorte conclusie kan worden volstaan(1).

3. De klachten betreffen alle de motivering van een beslissing van het hof die strekte tot bekrachtiging van de beslissing in eerste aanleg, waarbij het in alinea 1 hiervóór kort aangeduide verzoek (van de Stichting in haar hoedanigheid van de krachtens delegatie verantwoordelijke partij voor de ondertoezichtstelling die over de kinderen-[de vader] was uitgesproken(2)), werd gehonoreerd.

4. De inhoudelijke klachten zijn te vinden in de alinea's 2 - 7, vanaf p. 6 van het cassatierekest.

Alinea 2 van het middel voert aan dat vanwege een eerder door de rechtbank Den Haag gegeven beslissing omtrent een bezoekregeling ten gunste van [de vader], als vaststaand zou moeten worden aangemerkt dat de begeleide contacten die in die regeling waren vastgesteld, goed zouden zijn verlopen.

Het behoeft geen nadere toelichting waarom die stelling onjuist is. Dat een regeling bij een rechterlijke beslissing is vastgesteld zegt niets over de vraag of de uitvoering van die regeling vervolgens goed is verlopen.

5. Het cassatierekest geeft er overigens hier en op de nodige plaatsen verderop, blijk van dat de problemen waartoe de desbetreffende bezoekregeling aanleiding heeft gegeven, worden miskend of genegeerd.

Een indruk van die problemen krijgt men uit de overwegingen op de eerste bladzij, overgaand op de tweede bladzij, van de in deze zaak in de eerste aanleg gegeven beschikking van 13 april 2011, en uit de vijfde volle alinea op de tweede bladzij van die beschikking(3).

Uit die beschikking blijkt bovendien dat er, anders dan het middel hier aanvoert, wel gedragskundige voorlichting voor de tot beoordeling geroepen rechter(s) beschikbaar was.

De in alinea 2 geformuleerde klacht mist dus in vergaande mate feitelijke fundering.

6. Alinea 3 van het middel wijst op de verplichting van de Stichting en van [de moeder] om zich loyaal in te spannen om de bezoekregeling goed te laten verlopen.

Er wordt niet aangegeven dat een betoog van vergelijkbare strekking aan het hof is voorgehouden, en volgens mij is dat ook niet gebeurd. Al daarom is deze klacht ondeugdelijk.

Overigens valt niet in te zien waarom het hof, gegeven de gebleken problemen rond de bezoekregeling (zie de vorige alinea) zich door het hier bedoelde gegeven van zijn oordeel zou hebben moeten laten weerhouden. Het middel licht ook niet toe waarom dat het geval zou zijn.

7. Alinea 4 van het middel berust (wederom) op een suggestief gepresenteerde stelling die voorbij gaat aan de gebleken ernstige problemen bij de verwezenlijking van de aanvankelijk ten gunste van [de vader] gegeven bezoekregeling. Wanneer men kennis neemt van de verschillende vaststellingen die in de feitelijke instanties ten aanzien van die problemen zijn gedaan, ontvalt aan het hier betoogde de grond. Dan kan daargelaten blijven dat deze klacht (zoals trouwens voor meer klachten uit het middel geldt) de Hoge Raad uitnodigt tot herbeoordeling van overwegend feitelijke waarderingen van het hof; en dat niet wordt aangegeven waar de hier betrokken stelling in de eerdere instanties zou zijn aangevoerd.

8. De klacht in alinea 5 van het middel is gericht tegen een kennelijke misstelling in rov. 16 van de bestreden beschikking. Het hof verwijst daar verschillende keren naar art. 1:263a BW, terwijl klaarblijkelijk art. 1:263b BW bedoeld is.

Dat het hof bij de beoordeling of aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling was voldaan - dus bij de beoordeling of wijziging van de omgangsregeling nodig was met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling - steun heeft gezocht bij de in art. 1:377a BW opgesomde gronden voor het weigeren van omgang, geeft zeker geen blijk van een te strenge toetsing aan de maatstaf van art. 1:263b BW in het nadeel van [de vader]. Het dringt zich op dat in gevallen waarin omgang met toepassing van art. 1:377a BW zou moeten worden geweigerd, er ook steeds sprake zal zijn van een grond die wijziging (te weten: beperking) van een omgangsregeling van ruimere strekking, op de voet van art. 1:263b BW, zal rechtvaardigen. De verwijzing, in art. 1:263b lid 3 BW, naar art. 1:377a BW geeft nader accent aan het nauwe verband tussen de onder beide bepalingen toe te passen criteria.

9. Overigens is art. 1:377a, derde lid BW, anders dan in deze klacht wordt aangevoerd, ingevolge art. 1:253a lid 4 BW(4) van overeenkomstige toepassing in geschillen tussen met gezag beklede ouders over omgangsregelingen (e.a.)

10. Alinea 6 van het middel klaagt naar aanleiding van veronderstellingen, ontleend aan het ontbreken van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof. Dat proces-verbaal is er inmiddels wel, en dat ondersteunt de hier neergeschreven veronderstellingen niet.

Overigens kunnen vaststellingen in een rechterlijke beslissing niet met succes in cassatie worden aangevochten op de enkele grond dat het proces-verbaal van een desbetreffende zitting geen steun verleent aan wat de rechter heeft vastgesteld(5).

11. Alinea 7 van het middel merk ik als onbegrijpelijk aan. Natuurlijk geldt dat, ook als bij de eerdere rechterlijke vaststelling van een omgangsregeling uitgegaan werd van positieve verwachtingen omtrent het verdere verloop, later aan het licht getreden (ernstige) problemen aanleiding kunnen geven om anders te oordelen dan in het licht van de aanvankelijke positieve verwachtingen gewettigd leek.

De klacht lijkt aan alle aspecten van deze toch vrij vanzelfsprekende bevinding voorbij te gaan.

12. Verder heb ik in het cassatierekest geen inhoudelijke klachten aangetroffen.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het cassatieberoep is overigens tijdig en regelmatig ingesteld. Hoewel de maatregel waarover het geschil in cassatie gaat, inmiddels door het verloop van de periode waarvoor die maatregel van kracht was is geëindigd, moet het cassatieverzoek, nu er sprake zou zijn van schending van de aanspraak op "family life" van [de vader], als ontvankelijk worden beoordeeld; zie bijvoorbeeld HR 25 mei 2012, rechtspraak.nl LJN BV9538, rov. 3.3.

2 Een ondertoezichtstelling die, naar in het cassatierekest wordt aangevoerd, inmiddels ingevolge een beslissing tot verlenging verder voortduurt, vooralsnog tot 1 november a.s.

3 Illustratief zijn ook de overwegingen van dezelfde rechter op de tweede en derde bladzij van een beschikking van precies een jaar eerder - 13 april 2010 - in een geschil met min of meer dezelffe inzet en tussen dezelfde partijen. Die beschikking bevindt zich in het - grotendeels in chronologische orde gerangschikte - procesdossier.

4 Waar met een kennelijke misstelling naar het niet bestaande vierde lid van art. 1:377a BW wordt verwezen; zie T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 1, 2, 3, 4 en 5, Koens, 2011, art. 1:253a, aant. 5.

5 Dat is anders wanneer een vaststelling in het licht van vermeldingen in het proces-verbaal onbegrijpelijk is, HR 2 maart 2012, NJ 2012, 157, rov. 3.4; maar dat dat hier het geval zou zijn blijkt in het geheel niet, en wordt ook niet aangevoerd.